Geschiedenis van

    O. L. Vrouw van Handel

    Bij het 750-jarig bestaan 1220-1970

    door P. Silvester van Asseldonk, Kapucijn

    SilvesterVanAsseldonk_Capucijn

    Zijn bidprentje schrijft o.a.: 'Ter herinnering aan Pater Silvester van Asseldonk, Minderbroeder - Kapucijn. Hij werd in Veghel geboren op 15 oktober 1905. In 1925 trad hij toe tot de orde en in 1932 werd hij in Rome tot priester gewijd. Hij overleed op 16 oktober 1981 in Eindhoven en is op 20 oktober begraven op het kloosterkerkhof te Handel.

     

     

     

    Geschiedenis van O.L. Vrouw van Handel

     

    Nu we vandaag op het feest van Driekoningen beginnen met het schrijven van een kort, volks verhaal - zonder verwijzing naar bronnen en vroegere geschriften - over de wonderbare geschiedenis van O.L. VROUW van HANDEL, menen we gezien de bedoeling van ons schrijven te moeten beginnen met het gedeelte uit het evangelie van Matteus, waar het resultaat van de reis der wijzen verteld wordt: 'Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neervallend betuigden zij hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre. En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land'. Wie in deze tijd van godsdienstige onverschilligheid en geloofsvervlakking zich nog door de ster van het geloof laat geleiden en neerknielt voor Jesus en Maria om hen te huldigen en zijn liefde en toewijding aan te bieden, zal als een beter mens en een offervaardiger christen naar huis gaan, vervuld van een overgrote vreugde.

    Wat zijn de tijden sinds de tweede Pinksterdag van het laatste jubeljaar van O.L. Vrouw van Handel in 1920 veranderd ! Op die dag werd bij gelegenheid van het 7e eeuwfeest het miraculeuze beeldje plechtig door Mgr. A.F. Diepen, bisschop van 's-Hertogenbosch gekroond met een gouden kroon voor Moeder en Kind, in grote dankbaarheid door Gemert aangeboden, in tegenwoordigheid van ongeveer 10.000 pelgrims, die van heinde en ver naar Handel waren gekomen. De devotie tot O.L. Vrouw van Handel ging een nieuwe bloeiperiode tegemoet.

    Nu na 50 jaar maakt men zich opnieuw op om te gaan feesten ter ere van O.L. Vrouw van Handel. De storm en de verwoesting van een tweede wereldoorlog is over ons heen gegaan, een nieuw pinksterwonder had plaats gedurende het tweede Vaticaans concilie, naar men zei. Sindsdien leefde men onrustbarend snel, de ene verandering kwam na de andere, de grote massa van ons gelovig volk kon de vernieuwingen op allerlei gebied nauwelijks bijhouden. In enkele jaren werd het Roomse Brabant een der koplopers van de vernieuwing op geestelijk en kerkelijk gebied. 'De STAD van de mens' was gevonden en moest uitgebouwd worden, zij het ten koste van veel rechtzinnigheid en diep geloof. Nog is het einde niet in zicht. De vruchten echter worden steeds duidelijker. Ze manen tot voorzichtigheid. Als in de tijd van de reformatie de bijzondere devotie tot O.L. Vrouw van Brabant bewaard heeft in het ware geloof, dan mogen we vertrouwen, dat wij in deze verwarde en onzekere tijd door Maria's bescherming en hulp ondanks alle ongeloof en zedenverwildering, opstandigheid en kerkkritiek trouw zullen blijven aan het geloof van onze vaderen, trouw aan Paus en Kerk.

    Men spreekt tegenwoordig graag vaag en dubbelzinnig over 'Jesus van Nazaret, de onvergetelijke mens, die een joods meisje droeg in haar schoot'. Wij belijden altijd nog in onze geloofsbelijdenis : 'Ik geloof in God de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde en in Jesus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria'. Wat de moderne mens verlangt zijn niet geleerde en spitsvondige redeneringen, hij verlangt vóór alles de taal van het hart. Die taal richt Kard. Garonne tot ons als hij zegt: 'De Kerk zelf heeft op het Concilie van Efese als het ware de formulering gegeven van de 'mariale versie' van de Menswording, door de definitieve vaststelling van het Mysterie van het Mensgeworden Woord onder te brengen bij de leerstellingen van het goddelijk Moederschap van Maria. Wat de Kerk in dat beslissende uur voor haar geloof gedaan heeft, houdt zij niet op te doen de eeuwen door en in zekere zin wordt iedere christen ertoe gebracht dit te doen. Er zijn tijden, dat het geloof in God wijkt, dat het vierkant en heilzaam belijden van een tegenwoordig zijn van God in het Vlees voor de mensen moeilijker wordt en dreigt te verdwijnen in dubbelzinnig woordgebruik. Dan vormt de EENVOUDIGE EN HARTELIJKE TROUW AAN DE MAAGD MARIA, uit wie Christus naar het vlees geboren is, de meest natuurlijke en machtigste van de innerlijke weerstanden tegen deze langzame ontbinding van het geheimnisvolle feit van een Menswording. De Heilige Maagd waakt in het Christenhart over het geloof in de werkelijkheid van dit mysterie : een God is onze broeder geworden. Wie zou tegenwoordig die weldaad als overbodig beschouwen ?

    Handel rond 1220

    In het begin van de 13e eeuw werd Brabant bestuurd door Hertog Hendrik I. Hij was gehuwd met Maria, de dochter van de Franse

    Koning Philip Austustus en schoonvader van keizer Otto. Hij en zijn nakomelingen voerden de titel : Hertog van Brabant en Lotharingen. Hij was een der grootste rijksvorsten van de keizer en zeer populair. Tot zijn hertogdom behoorden verschillende gebieden, waarover leenheren regeerden, o.a. Breda, Bokstel en Gemert. De bewoners werden in hun geloof beschermd en genoten nog veel tijdelijke gunsten.

    In deze tijd stond ook de Kerk in hoog aanzien, vooral onder Paus Gregorius VII en Innocentius III. Ze bracht mannen voort als de H. Franciscus, Dominicus, Thomas en Bonaventura, Antonius van Padua en koning Lodewijk van Frankrijk.

    Kerkelijk hoorde Brabant onder het bisdom Luik, dat 7 aarts diakonaten telde, waarvan Kempenland het grootste was. Hieronder viel het dekenaat Woensel, waartoe ook Bakel behoorde, de moederkerk van Deurne en Gemert met het gehucht Mortel en Handel.

    Vooral de abt van de abdij van Tongerloo, die het hoofd was van de raad van de Hertog, heeft in deze tijd veel voor de arme bevolking, die praktisch nog in slavernij leefde, gedaan. Hij maakte hen vrij en gaf hen geleidelijk de bouwhoeven, die door de kloosterlingen waren ontgonnen, in huur en maakte hen tot zelfstandige landbouwers. Het waren de monniken die hen de rechten van de mens voorhielden en gaven. Voor ons volk brak een nieuwe tijd aan, een gouden eeuw van sociale, maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling en welvaart. In deze tijd begint de geschiedenis van O.L. VROUW van HANDEL

    De kapel van Handel

    Op ongeveer anderhalf uur van Gemert ligt de parochie Bakel, die in het begin van de 8e eeuw door de H. Willibrord, de apostel van Nederland, schijnt gesticht te zijn. Gemert was een gehucht van Bakel en werd in 1437 afgescheiden en tot parochiekerk verheven. Handel was weer een gehucht van Gemert. Hier vestigden zich in 1851 de Kapucijnen. Naast hun klooster, op Boekels grondgebied, ligt 'Huize Padua', tegenwoordig een groot en modern ingericht ziekenhuis voor psychisch gestoorden. Zowel de Kapucijnen als de Broeders van Huize Padua waren in de loop van de geschiedenis nauw met O.L. Vrouw van Handel verbonden. In oude documenten van 1364 wordt een zekere Gevert van Havel of Hanel vermeld, pachter van het goed Hanel, het latere Handel, dat door de Duitse Orde was ontgonnen. Als in 1434 de grenzen van de Peel worden aangegeven, is er sprake van 'de kapel boven Havelt'. De kapel had nog geen eigen naam. Van Gemert uit gezien lag hij boven de hoeve, die Havelt of Handel heette. Hier werd omstreeks 1220 door een Bakelse schaapsherder een

    Mariabeeldje gevonden 'op een doren stock' een weinig ten zuiden van de tegenwoordige kerk. De Moeder Gods werd en wordt ver- 3erd als 'De toevlucht van de zondaars en de Troosteres van de bedroefden.. Het beeldje is uit hout gesneden en ongeveer 35 cm hoog. Het stelt de Moeder Gods voor in staande houding met het goddelijk Kind op de linkerarm. Het beeldje dagtekent van het begin van 1200.

    Niemand wist waar het beeldje vandaan kwam, een reden te meer om in een wonderbare verschijning te geloven. Al heel spoedig begon het gelovige volk het beeldje te vereren en Maria deelde aan deze eenvoudige mensen haar gunsten mee in de vorm van wonderbare genezingen en gebedsverhoringen. Op de plaats waar het beeldje gevonden was, begon men aan de bouw van een kapelletje, maar de ossen, die het materiaal aanvoerden, zouden door zijn gelopen en pas tot stilstand zijn gebracht op de plaats waar de kapel nu gebouwd is, zeven minuten verder. De z.g. Ossenkapel aan de weg naar Gemert herinnert nog aan deze legende.

    Toen bij de bouw gebrek aan water ontstond - een normaal verschijnsel op de zanderige, dorre hei - zou op het gebed van de mensen Maria een bron hebben doen ontstaan. Om deze bron werd een putje gebouwd van ongeveer twee meter waterinhoud en dat tot heden toe nog steeds zuiver en smakelijk water geeft met een geneeskundige waarde, zoals velen geloven en blijkbaar hebben ervaren.

    Groei en ontwikkeling

    Daar alle oude stukken door brand en oorlogsrampen zijn verloren gegaan, is het niet mogelijk een getrouw historisch overzicht te geven van gebeurtenissen en feiten, die op de groei en ontwikkeling van Handel een grote invloed hebben gehad. Zonder twijfel hebben de wonderbare genezingen en buitengewone gunsten, die reeds in de oudste tijden hebben plaatsgehad, deze ontwikkeling zeer bevorderd.

    Hoe de eerste kapel, gelegen te midden van bossen en hei, waar de stilte en de eenzaamheid tot gebed en bezinning aanspoorden, er uitzag, weten we niet .Het schijnt een eenvoudig, langwerpig gebouw geweest te zijn, dat in de loop der tijden veel veranderingen heeft ondergaan. Vóór enige jaren terug was ongetwijfeld het oudste stuk van de kapel de toren, die dateert uit de vijftiende eeuw. Het muurwerk was 14,40 m hoog en de spits 9,25 m. Tegen deze toren stond de kapel, waarvan de nok ‚‚n meter en het priesterkoor 2,50 m lager waren dan het muurwerk van de toren. In deze eeuw van welvaart en bloei werden honderden kerken en kapellen in Noord-Brabant gebouwd. Reeds in 1434 bestond er een kleinere kapel.

    Met de geschiedenis van de kapel en O.L. Vrouw van Handel is zeer nauw verbonden de geschiedenis van de Kommanderij van Gemert. Handel behoorde met de heerlijkheid Gemert aan de Duitse Orde der Ridderschap van O.L. Vrouw, kortweg genoemd Duitse Orde of ook wel Marianen, omdat zij een bijzondere devotie aan de dag legden tot Maria. De kapel van Handel was hun dierbaar. Zij versierden ze en vergrootten ze. Ze lag op hun grond en zij waren haar beschermheren. Elke nieuwe kommandeur trok bij zijn ambtsaanvaarding in plechtige processie naar Maria's heiligdom om haar te eren en haar bescherming te vragen. In het midden van de 15e eeuw werd een rector aangesteld, die op een enkele uitzondering na steeds tot 1811 een priester van de Duitse Orde is geweest.

    Na het begin van de devotie tot O.L. Vrouw van Handel verteld te hebben, zwijgt de overlevering lange tijd, niet omdat de godsvrucht of zelfs de wonderen verdwenen zouden zijn, maar omdat de oudste geschriften verloren zijn geraakt. Alleen is nog bekend, dat een zekere Everardus Stribos op 6 april 1491 zijn testament maakte, waarin hij 'Onser liever vrouwen tot Haendelt' gedenkt.

    Oorlog en geweld

    In de loop van de tijden heeft Handel en de kapel, evenals andere dorpen van de Meijerij, veel te lijden gehad van oorlogen en geweld. In 1581 had Willem van Oranje de uitoefening van de katholieke godsdienst verboden. Ofschoon het vrije Gemert en dus ook Handel niet onder dit verbod vielen, ontkwamen zij toch niet aan de opstand van de beeldstormers. Van december 1581 tot juni 1586 kwam er hulp van de Spaanse troepen, maar door de soldaten van Maurits werden ze uit Gemert verjaagd. In 1589 slaagde de Hertog van Parma er in opnieuw Gemert te bezetten. Maar een jaar tevoren had de predikant Maarten Schenk hier vreselijk huisgehouden. Het was uit wraak op de Duitse Orde, die hem in Keulen had vervolgd. Ook Handel moest het ontgelden. Alle kostbaarheden werden door het krijgsvolk gestolen, de kapel van alle kanten beschadigd en gehavend, het lood werd zelfs uit de goten en vensters gebroken. Nauwelijks was de schade hersteld, of in oktober 1599 werd de kapel door stelende en moordende rondtrekkende soldatentroepen opnieuw ontheiligd en zelfs tot stalling gebruikt voor gestolen beesten. Het miraculeuze beeldje en nog enkele kostbaarheden had men in het kasteel van Gemert in veiligheid kunnen stellen.

    In het begin van de 17e eeuw begonnen weer betere tijden. Ondanks oorlogsrampen en vervolgingen kon men in de heerlijkheid Gemert vrij en ongehinderd zijn geloof belijden. In deze tijd trok het heiligdom van Handel steeds meer pelgrims en processies.

    Grote invloed op de verering van O.L. Vrouw van Handel hadden de drie wonderen, die in 1603, 1610 en 1626 op haar voorspraak geschiedden. In 1603 werd een vierjarig kind uit Den Bosch, Arnoldus van Goch, plotseling genezen van klemmond, in 1610 werd Arnolds zuster genezen van lamheid in de voeten en in 1626 genas haar verlamde hand, die haar weken lang de hevigste pijnen veroorzaakten. Deze wonderbare genezingen zijn nauwkeurig door de bekende bisschop van Den Bosch, Michaël Ophovius, onderzocht en als echt erkend. Ofschoon het reizen in deze onrustige en woelige oorlogsjaren moeilijk en gevaarlijk was, kwamen het jaar daarna op de tweede Pinksterdag meer dan 4000 pelgrims in grote processies naar de kapel 'in de afgelegen hei' van Handel. Jaarlijks ook werd het beeldje, als een koningin uitgedost, met grote pracht en praal, onder gezang en muziek, voorafgegaan door de gilden met hun vaandels, omgeven door een ontzaglijke mensenmenigte naar de parochiekerk van Gemert gebracht om daar drie dagen vereerd te worden. Eens toen slecht weer de terugtocht onmogelijk maakte, zou 'ons lievevrouwke' de volgende nacht zelf over de Beverdijk en de Lievevrouwesteeg terug gegaan zijn. Na nauwelijks 50 jaar kwam een nieuwe ramp over Gemert. Hadden de kommandeurs van de Duitse Orde steeds de grootste zorg gehad voor O.L. Vrouw van Handel, een van hen die zich niet aan zijn hogere overheid kon onderwerpen en werd afgezet, Ulrich van Hoensbroek, valt van de orde af en levert in 1648 Gemert over aan de Staten van Holland en verzocht deze hem in zijn ambt te herstellen. Onder bescherming van deze trouweloze Kommandeur kwam Johan Wichelhuizen als eerste dominee in Gemert. Op 24 juli 1648 werd de pastoor van de parochiekerk gevangen genomen en de kerk geplunderd. Ook de kapel van Handel onderging hetzelfde lot. Het beeldje was echter bijtijds in veiligheid gebracht. Kerksieraden en ex-voto's werden weggehaald en de klokken omgesmolten tot kanonnen.

    Veertien jaar duurde deze ongelukkige toestand. Ten koste van de zwaarste offers kwam Gemert eindelijk in 1662 weer vrij. Het miraculeuze beeldje werd in triomf terug gebracht. In deze tijd van vervolging en armoede was Brabant trouw gebleven aan Maria en daarmee aan het geloof der vaderen. Onder de energieke leiding van rector Joannes Aldenhuijsen, 'de Hersteller der devotie tot O.L. Vrouw van Handel' genoemd, werd de kapel weer in haar oude luister hersteld. Hij zorgde voor nieuwe kerkmeubelen en sieraden van goud en zilver, nieuwe klokken en een kerkorgel. Het getal van de bedevaartgangers was spoedig groter dan ooit te voren. Tijdens zijn bestuur hadden ook verschillende plotselinge genezingen plaats, waaronder die van Betram Wessel, baron van De Loe, kommandeur te Gemert, in 1690. Tengevolge van de ontberingen op vroegere krijgstochten leed hij aan hevige jichtpijnen. Op Maria's voorspraak werd hij plotseling geheel genezen. Uit dankbaarheid kwam hij regelmatig terug. Zijn voorbeeld droeg veel bij tot heropbloei van de devotie tot Maria, zodat Pastoor Verbeeck in 1700 kon getuigen, dat op sommige feestdagen Onze Lieve Vrouw van Handel door vele duizenden pelgrims, ook uit veraf gelegen landen, werd bezocht.

    FOTO Kapel van Handel. (Tekening van het jaar 1709.)

    Nog een droevig feit had plaats onder Erardus Cillis van Sepperen, de opvolger van Rector Aldenhuijsen op 25 maart 1700, het feest van Maria Boodschap. Een partij dronken jongens en meisjes van omliggende gemeenten, nu geen protestanten maar katholieken, overvielen de weerloze pelgrims en sloegen woedend om zich heen met stokken en messen. Een pelgrim werd gedood en anderen zo gewond, dat men lange tijd voor hun leven vreesde. Gelukkig bleven zulke droevige gebeurtenissen uitzonderingen. Een zware slag trof de kapel op 16 september 1709, toen een geweldige brand het dak van het priesterkoor, het huis van de rector en de bijgebouwen vernielde. Nog erger was echter, dat deze brand alles wat de plunderingen en vernielingen van vroeger jaren had overleefd en was gespaard, meedogenloos verwoestte, zodat alle oude geschriften en stukken verloren gingen. De materiële schade was spoedig hersteld, maar door het verlies van alle oude documenten bleef de oudste geschiedenis van de kapel en de devotie van O.L. Vrouw van Handel vrijwel een gesloten boek. Op 19 maart 1718 werd rector Cillis opgevolgd door Bartholomeus Luyten, die niets onbeproefd liet om het aantal Mariavereerders te Handel op te voeren. Hij liet een inventaris maken van alles wat aan de kapel behoorde en bezocht persoonlijk pastoors uit de buurt en de verre omtrek om hen aan te sporen zich in te spannen om de processies die door de druk van de protestanten belemmerd waren, te doen herleven. Hij zag er niet tegen op om een reis van drie, vier dagen op 'n kar te ondernemen om zijn doel te bereiken. Dat zijn werk succes had, blijkt uit het feit, dat op de tweede Pinksterdag van 1718 ruim 30 biechtvaders nodig waren om biecht te horen en dat in het octaaf van O.L. Vrouw Hemelvaart meer dan 9000 Communies werden uitgereikt. Daar de kapel deze duizenden niet kon bevatten, werd er buiten 'een houten altaar opgericht onder de linde aan de noordzijde van het heiligdom', waar de H. Mis werd gelezen.

    Maria liet zich niet onbetuigd en verrichtte in deze tijd vele wonderen, die door rector Luyten nauwkeurig werden onderzocht en opgetekend voor het nageslacht.

    Hoe de bedevaart van O.L. Vrouw bloeide blijkt nog uit de gegevens van 1785, toen meer dan 18.000 pelgrims Handel bezochten en van 1792, toen dit getal ongeveer 17.000 bedroeg. Een jaar daarna in 1793 maakten de Fransen zich van de Kommanderie van Gemert meester en verhinderden gedurende enige jaren alle openbare processies. In 1809 hief Napoleon de Duitse Orde op en beroofde daardoor Handel van zijn grootste beschermers. In deze vervalperiode beijverde rector Coppens zich zoveel mogelijk voor de verering van O.L. Vrouw. Hij liet voor haar een nieuwe troon vervaardigen. In 1851 begonnen de Kapucijnen met de bouw van hun klooster te Handel. Vanaf die tijd beoefenden zij het apostolaat in de verre omgeving en waren zij een bijzondere steun voor de rector van Handel. Mede door hun toedoen kwam er nieuw leven in de aloude verering van O.L. Vrouw. Wel werd in 1854 in de nacht van de eerste op de tweede Paasdag alle gouden zilverwerk van het beeldje gestolen, maar de opbloei ging door onder rector van Laarschot en zijn opvolgers. Het aantal bedevaarten en pelgrims ging weer met sprongen omhoog. Geen wonder. Alles in Handel en de Kapel stemde tot inkeer en bezinning. De stilte van de onafzienbare heide, de kapelletjes met de afbeeldingen van de zeven smarten van Maria langs de lange, eenzame weg van Gemert naar Handel, het uitgestrekte processiepark onder hoge bomen, daar omheen de 15 rozenkranskapelletjes, later de sacramentskapel, de Getshemane-groep en de 14 kruiswegstaties dwingen tot rust en ingetogenheid en gebed. Om de pelgrims tot vertrouwen op te wekken en hen er aan te herinneren, dat het Maria was, die van haar goddelijke Zoon het eerste wonder verkreeg, werd aan de ingang van het processieterrein een groot monument geplaatst, dat de bruiloft van Cana voorstelt.

    FOTO Kapel van Handel. (Tekening van het jaar 1851.)

    Aan het prachtige openluchtaltaar kan bij goed weer en grote drukte door duizenden de eucharistie gevierd worden en de zegen gegeven.

    Onder rector van Laarschot werd het Beeldje in 1902, zoals op vele andere bedevaartplaatsen, van zijn kostbare kleding ontdaan en onder leiding van Dr. Cuijpers verguld.

    'Het heilig putje', zoals het volk het noemt, waar verschillende genezingen plaats vonden en waar o.a. in 1718 een kreupele genezing vond, werd in 1919 geheel vernieuwd. Het is een monumentje geworden, dat het bad van Bethsa‹da voorstelt. Een engel biedt het heldere, geneeskrachtige water van de fontein aan, dat door het gelovige volk wordt gedronken en vaak in flesjes mee naar huis genomen. Vier kolommen dragen een torentje, waarop een Mariabeeldje staat.

    Ook aan de kapel zelf werden dikwijls veranderingen aangebracht.

    Omstreeks het jaar 1743 is het voorste gedeelte door een mooie bouw vervangen, zodat nog slechts de toren en een gedeelte van het schip overbleef. In 1853 is het uitwendige van de kapel veel verbeterd door een leien dak.

    In 1902 is door de grote architect Cuijper de kapel aanmerkelijk vergroot en zijn twee zijstukken aangebracht. Ook de troon, waarin het beeldje stond, werd door een andere, in kunstvol snijwerk vervaardigd, vervangen.

    Kostbare geschenken, veel ex-voto's en krukken van genezenen werden op feestdagen van Maria in haar troon opgehangen. Drie oude votiefschilderijen, herinneringen aan wonderen, hingen aan de zijmuren. Een groot doek van Maria ten Hemelopneming was een sieraad van het hoogaltaar. Dertien doeken hingen nog aan de zijmuren en verbeeldden de geheimen van de Rozenkrans. In 1898 was de beschildering van de kapel voltooid. Aan de zijmuren hingen de zware kaarsen, die jaarlijks door de verschillende processies werden geofferd. Aan iedere kaars hing een schildje met de naam van de plaats, die de kaars offerde. Aan de epistelkant hingen de namen: Helmond, Boekel, Geldrop, Oploo, Valkenswaard, Langenboom. Aan de evangeliekant: Gemert, Maria-Heide, Tilburg, Schijndel, Beek en Donk, Lieshout, Dinther.

    Op de tweede Pinksterdag van het jaar 1920 werd het 7e eeuwfeest van O.L. Vrouw van Handel op grootse wijze gevierd. Een grote massa pelgrims, van heinde en ver gekomen, woonde de kroning bij van het beeldje door mgr. A. F. Diepen, bisschop van 's-Her- togenbosch. De gouden kroon voor moeder en kind was een geschenk van Gemert uit dankbaarheid.

    Broeders Penitenten en Kapucijnen

    Zowel de broeders Penitenten van de H. Franciscus als de Kapucijnen zijn nauw verbonden met O.L. Vrouw van Handel. Beiden hebben de op- en neergang, de bloei en het verval meegemaakt en tot de dag van vandaag ondervinden zij het aan den lijve. Als kinderen van Franciscus hebben zij van 'huis-uit' een grote godsvrucht tot Maria meegekregen en deze altijd in de loop der geschiedenis bewaard, als een heilig erfstuk van hun Vader. Daniël de Brouwer, Petrus Teurlings en Petrus Moescops woonden in Meerveldhoven en leidden als Derde Ordeling een religieus leven. Elk jaar kwamen ze naar O.L. Vrouw van Handel. Rector Luijten vroeg hen in het 'vrije' Handel te blijven en de zorg voor de kosterij en de kapel op zich te nemen. Zij gingen op het voorstel in en vestigden zich in 1722 in een vervallen gebouw met een tuintje de 'Hanenkamp' geheten. Volgens contract waren zij koster, zorgden voor de misdienaars, de kapel en de diensten.

    FOTO Kapel van Handel en klooster der Broeders Penitenten. (Schilderij rond het jaar 1740.)

    Hiervoor kregen zij jaarlijks twintig gulden en konden op dagen, dat zij dienst deden bij de rector eten en drinken. Als voorloper van de broeders penitenten zou men kunnen beschouwen broeder Hogardus Verhofstad, die in 1664 te Gemert werd geboren en in 1709 geprofest in de Derde Orde van de H. Franciscus. Hij was vele jaren koster van de kapel in Handel. In 1720 werd zijn lichaam voor Maria's troon in de kapel begraven. Door toevallige omstandigheden werd het in 1937 ontdekt. Een straat in Boekel draagt zijn naam.

    De broeders leefden als kluizenaars in deze dorre en verlaten streek, ontgonnen de barre hei en maakten er na enige jaren goede akkers en weilanden van. Toen hervormde schoolmeesters het katholiek onderwijs onmogelijk maakten, richtten zij een school op voor de jeugd uit de omtrek. Door hun bidden en werken in de geest van de H. Franciscus waren zij gezien en geacht, maar groeide ook hun aantal. Om waskaarsen te vervaardigen voor de kapel richtten zij een klein gebouwtje op. Daar goten zij allerlei ex-voto's, zoals armen en benen, koeien en schapen, die zij aan de bedevaartgangers verkochten.

    Op de helft van de 18e eeuw kochten zij een stuk hei onder de gemeente Boekel, zo dicht mogelijk bij Handel. Toen in 1813 de congregatie nog slechts twee leden telde, leek hun ondergang nabij. Maar gelijk Maria haar heiligdom beschermde, zo waakte zij ook over haar dienaars. Hun aantal groeide weer en op verzoek van de bewoners van Handel en de Logt gaven ze weer onderricht, totdat in 1822 Handel een eigen school met onderwijzer kreeg. De kapel bleven zij verzorgen, totdat rector Coppens in 1833 zijn knecht als koster aanstelde. Voortaan konden de broeders zich volledig geven aan hun grote liefdewerk: de verpleging van psychisch gestoorden. Huize Padua, hun moederhuis, groeide regelmatig en moest zich uitbreiden en aanpassen aan de eisen van de tijd. Een eigen kapel met een eigen rector was noodzakelijk geworden. Nog vele stormen zouden de congregatie en hun psychiatrische inrichting bedreigen in de toekomst, maar ze vertrouwen, dat zij ondanks alle noodweer en tegenslag onder de bijzondere bescherming van O.L. Vrouw van Handel, die ze zo trouw hebben gediend in het verleden, stand zullen houden. Ook de Kapucijnen, kinderen van de eerste Orde van St.-Franciscus, waren vanaf hun komst in Handel in 1851 zeer nauw met de kapel verbonden. Zij hoorden er biecht, preekten en begeleidden de processies. Onder Cillis, die in 1695 rector werd, kwamen er al twee paters uit het klooster van Velp preken. Met andere religieuzen hadden zij een vaste biechtstoel in de kapel. Reeds voor 1690 ging een processie uit Grave naar Handel onder leiding van de kapucijnen uit Velp. Dan gingen zoveel paters en broeders mee als mogelijk was. Ook de Bergen-op-Zoomse en de Bredase voetprocessies stonden onder hun leiding. Tilburg ging jaarlijks over Handel naar Kevelaer en bleef dan op de heen- en terugreis twee nachten in Handel. Altijd waren er Kapucijnen bij. Sinds Pater Petrus, die vanaf 1848 rector was van Huize Padua, in 1851 een Kapucijnenklooster stichtte in Handel, stonden zij steeds ten dienste van de Kapel en de bedevaartgangers. Komen zij niet met de processies mee, dan staan ze toch voor elke assistentie en elke processie klaar. Zij horen biecht en preken en vieren de eucharistie en doen met de pelgrims de kruisweg. In hun eigen kerk horen zij, vaak reeds heel vroeg in de morgen, van veel pelgrims, die van heinde en ver komen, de biecht. Gelijk de broeders van Boekel ondergaan ook de Kapucijnen de invloed van de tijd. Beider bestaansmogelijkheid wordt ernstig bedreigd door de godsdienstige onverschilligheid en het ongeloof en het verregaande secularisatieproces van de tweede helft van de 20e eeuw. Alleen een wonder van Maria kan hen van de ondergang redden.

    Processies en bedevaarten

    Processies zijn natuurlijk uitingen van het godsdienstig gemoed en het geloof. Daarom ontstonden in de loop der eeuwen in alle christelijke landen genadeoorden, waar Maria op een bijzondere wijze werd vereerd, omdat God er op Maria's voorspraak mild zijn gunsten op stoffelijk en geestelijk gebied uitdeelde. Tot deze genadeoorden behoorde ook Handel, waar ontelbare pelgrims dikwijls op zichtbare wijze hun gebeden verhoord zagen en lichamelijk of geestelijk genezen door O.L. Vrouw naar huis terug keerden.

    Gemert had de oudste processie en wel op de tweede Pinksterdag. Het was de dag van de kapelwijding, de Handelse Kermis. Er werd dan een plechtige H. Mis gezongen, een preek gehouden en het beeld van O.L. Vrouw in een grote optocht naar de kerk van Gemert gedragen. Twee dagen later werd het beeld op dezelfde wijze weer teruggebracht. Ook op de tweede Paasdag werd een H. Mis gezongen en processie gehouden, maar de processie van de tweede Pinksterdag was het plechtigst. Overigens werden in de kapel elke week twee H. Missen gelezen, waarvan altijd een op zaterdag en op alle feestdagen van onze lieve Vrouw. In 1590 werd door het genootschap van O.L. Vrouw van Handel door Gemert een geschilderd glasraam geschonken. Regelmatig werd Handel in het begin van de 18e eeuw bezocht door de processies van Gemert, St.-Antonis, Dinther, Eindhoven, Erp, Geldrop, Overloon en Schijndel.

    Uit het aantal grote waskaarsen in 1718 in de kapel geofferd, blijkt dat er ook processies kwamen uit Helmond, Oploo, Valkenswaard en Kaatsheuvel. In 1737 kwamen er nog bij Tilburg, Rotterdam, Cuijk, St.-Oedenrode, Breda, Vucht en anderen. In 1918 vierde men plechtig het 250-jarig bestaan van de processie van Geldrop met 1100 pelgrims. Het begin moet dus in 1668 geweest zijn.

    Van 1633 tot 1741 waren de Kapucijnen de zielzorgers van Grave. Vanwege de godsdienstvervolgingen deden zij 's zondags de H. Mis in Velp, van 1633 tot 1672 in de oude Parochiekerk van Velp en van 1674 tot 1690 in de Kapucijnenkerk zelf, die praktisch parochiekerk van Grave was geworden. Hier doopte men de kinderen en kon men trouwen. In 1690 mocht men in Grave een schuur- kerk bouwen. In de lente hiervoor trok men vanuit de Kapucijnenkerk met paters en broeders en zusters en veel Gravenaars over de Zeelandse dijk ter bedevaart naar O.L. Vrouw van Handel, waar men 's avonds aankwam, 's Anderdaags 's morgens ging men na de H. Mis om 10 uur weer terug over de Volkelse hei en Zeeland, waar men rustte en het Lof deed.

    Na de Franse revolutie zijn veel processies terug gebleven. Later waren in de kapel nog schildjes met het opschrift: Processie van

    Rotterdam, Schiedam, Delft 1815; processie van Kaatsheuvel onder Loon op Zand met de Langstraat 1816; Pocessie Cuijk 1836; processie van Wanrooij en processie van Oirschot. Op zaterdagen, feestdagen van Maria en andere feestdagen kwamen nog duizenden pelgrims afzonderlijk naar Handel en algemene processies, waarbij zich de omliggende gemeenten aansloten om Maria te huldigen en haar hulp voor allerlei noden te vragen. In 1919 kwamen buiten verschillende congregaties en kleinere bedevaarten en pensionaten de volgende processies naar Handel: Bakel, Boekel, Berlicum, Beek en Donk, Dinther, Gemert, Maria- Heide, St.-Oedenrode, Oploo, Schijndel, Tilburg, Uden, Helmond, Geldrop, Valkenswaard, Lieshout, Langenboom. Verder nog de kwekelingen van de zusters Franciscanessen van Veghel, de fraters Kapucijnen van Helmond, het noviciaat van de Redemptoristen uit Den Bosch en de weeskinderen van Helmond. In de meimaand beginnen de processies, met als eerste de processie van Handel zelf. Heel de gemeenschap doet mee, jong en oud, ook de paters en broeders van het Kapucijnenklooster en de broeders van Huize Padua. Na het Lof trekt de stoet met de fanfare over het feestterrein naar de Sacramentskapel, waar door een Kapucijn wordt voorgebeden en gepreekt. Na de zegen met het Allerheiligste trekt men langs de processieweg aan de andere kant de kapel weer binnen.

    Zo dankt Handel Maria voor haar gunsten, vraagt om bescherming voor ouders en kinderen, huizen en bezittingen en belooft trouw het geloof van de voorvaderen te bewaren. Moge Maria dit vurig gebed altijd verhoren.

    Rectoren van de kapel

    In het begin was Handel geen eigen rectoraat, maar werd bediend door de priesters van de Duitse Orde vanuit Gemert. De Duitse Orde, die haar hoofdzetel had in Aldenbiezen stelde op eigen gezag een priester aan en kon deze ook weer ontslaan. Deze priester woonde waarschijnlijk niet in Handel, maar had zeker rond 1630 de verplichting twee maal per week de H. Mis te lezen. Hij was tot 1811 als regel lid van de Duitse Orde.

    De eerste, waar over gesproken wordt, is Gerardus Meeuws van Sulre. Hij was eerst pastoor te Gemert. Rond 1460 deed hij afstand van dit pastoraat om de bediening van de kapel van Handel waar te nemen. In 1548 kwam rector Jasper Moers op voor de rechten van de Kapel. Na hem kwamen Jan Dirx, die in 1585 overleed, en Willem Coelmont, die tot 1606 rector bleef. Onder zijn rectoraat werd de kapel door oorlogsbenden bestolen en ontheiligd. Zijn opvolger Arnoldus Thomassen, 1606-1626, was geen lid van de Duitse Orde. Hij kwam van Gemert.

    Wilhelmus Moraeus, 1627-1648, was een groot ijveraar voor de verering van O.L. Vrouw van Handel. Hij wist te bewerken, dat drie wonderen door Ophovius, bisschop van Den Bosch, officieel werden goedgekeurd. Hij werd door de Hervormden verjaagd en werd pastoor te Bakel. Tot 1662 bleef de kapel gesloten. In dat jaar werd Joannes Aldenhuijzen uit Gemert rector. Hij herstelde de devotie, die in de loop van de laatste jaren was verflauwd en vermeerderde de goederen van de kapel. Nu is er nog een kelk, waarin zijn naam is gegrifd. Hij is de eerste geweest, die ook in Handel zelf woonde. In 1695 is hij gestorven en waarschijnlijk in de kapel begraven naast zijn broer Willem.

    Zijn opvolger was Erardus Cillis van Sepperen, 1695-1718, te voren rentmeester van de kommanderie van Gemert. Onder hem had in 1709 de brand plaats, waardoor alle geschriften over de kapel vernield zijn.

    De devotie tot O.L. Vrouw van Handel bereikte haar hoogtepunt onder Bartholomeus Luyten, 1718-1754. Hij herstelde veel processies. Om hem te helpen kreeg hij twee assistenten: Jan van Litzveld en Antonius Cuijpers. Op zijn verzoek vestigden zich de Broeders van Huize Padua in Handel en zorgden voor de Kapel. Thomas Bressers, 1754-1783, van wie niets bekend is, werd na zijn dood in de kapel begraven.

    Franciscus de Walef werd in 1784 als zijn opvolger aangesteld en stierf nog in datzelfde jaar in een klooster te Maastricht. Na hem werd de kapel bediend door Jacobus Pulsers, Ant. Aldenhuyzen, L. Tuyffers en Robijns, conrectoren van de Latijnse School te Gemert. Vóór 1792 schijnt geen nieuwe rector benoemd te zijn. Petrus Mathias Dullens trad in 1792 als rector op. Hij was de laatste rector van de Duitse Orde, die in 1809 door Napoleon werd opgeheven. Hij stierf in 1811.

    Zijn opvolger was de Tilburger Joannes Baptista van Tulder. Hij was kapelaan in Gemert. In 1833 deed hij afstand van het rectoraat.

    Een Bossenaar Josephus Antonius Coppens volgde hem op. Van hem kreeg Maria een nieuwe troon. Hij overleed in 1850. Jacobus de Wit van Nunen, 1850-1883, verving in 1853 het pannendak van de kapel door een leien. In de paasnacht van 1854 werd het Beeldje opnieuw beroofd van de gouden en zilveren sieraden. Vanaf 1852 waren de Kapucijnen trouwe helpers van de rector vanuit hun klooster naast dat van de broeders van Huize Padua.

    In zijn ruim dertig-jarig rectoraat heeft Joannes van Laarschot uit Veghel, 1883-1916, veel tot stand kunnen brengen. Hij bouwde een nieuw priesterkoor, twee zijbeuken en een flinke toren en vernieuwde kapelletjes aan de Handelse weg. Door hem werd ook het processiepark aangelegd met de rozenkranskapellen en het rustaltaar gebouwd. In 1898 werd de kapel geschilderd en in 1902 het Lieve Vrouwebeeldje verguld en in 1903 een nieuwe preekstoel geplaatst. In 1913 liet de oude rector de muur vóór de kapel afbreken en door een passend staketsel en een hek vervangen. Hij stierf op 23 juli 1916. Mgr. Wilhelmus van de Ven benoemde als zijn opvolger: Jacobus Franciscus M. Duijnstee, uit Den Haag, die kapelaan was in Helmond. Hij bleef rector van 1916 tot 1922. Hij zorgde voor de verfraaiing van het processieterrein en liet door Beeldhouwer van Balgoij de 14 kruiswegstaties vervaardigen. Als herinnering aan het zevenhonderdjarig bestaan richtte hij het grootste monument op. De Bruiloft van Cana. Op de eerste Pinksterdag van 1920 kwam mgr. Diepen het beeldje plechtig kronen. Er is veel gebeurd in deze zeven eeuwen. Storm en noodweer zijn over Handel gegaan. Maar Maria beschermde haar genadeoord, bleef haar gunsten aan haar kinderen uitdelen en hield hen in hun onwankelbaar geloof aan Paus en Kerk.

    Wonderen op voorspraak van O. L. Vrouw van Handel

    Alleen al uit het feit, dat er jaarlijks duizenden pelgrims naar Handel kwamen, blijkt, dat er heel bijzondere dingen gebeurd zijn, waardoor de mensen getroffen en geboeid werden. Zij kwamen van heinde en ver om Maria te eren en haar moederlijke hulp in hun noden te vragen. Zoals elke moeder helpt als zijn kan, zo ook Maria, soms zelfs op wondere wijze. Over het algemeen is een wonder moeilijk vast te stellen, omdat men de grenzen van het natuurlijke niet altijd precies weet. De betrokkenen zelf zullen wel ervaren, dat zich in hen iets voltrokken heeft wat niet natuurlijk of psychisch te verklaren is, ook al is dit naar buiten misschien niet steeds zo duidelijk. Wanneer iemand zoals Lazarus enkele dagen in het graf heeft gelegen en reeds tot ontbinding is overgegaan en hij daarna weer levend wordt, is dit een duidelijk wonderbaar feit, dat niet natuurlijk te verklaren is.

    Van ongeveer 50 personen, die van 1603 tot 1932 bijzondere gunsten door de verering van O.L. Vrouw van Handel verkregen hebben, zijn autentieke verklaringen bewaard gebleven. Het zijn meestal, zoals trouwens ook in het Evangelie, genezingen van kreupelen en lammen, van doven en blinden, en langdurig bed- legerigen.

    Het jaar en de plaats van de genezenen zijn: 1603, 1610 en 1626 's-Hertogenbosch, 1669 Schijndel, 1669 's-Hertogenbosch, 1684 Wanroij, 1685 Handel, 1690 Gerwen, 1690 Gemert, 1698 Oploo, 1698 Helmond, nog vóór 1700 P. Sneeuwits, 1717 Boekel, 1718 twee genezingen uit Schijndel, 1720 Tilburg, 1721 Ammerzoden, 1726 zeven genezingen uit Schijndel, 1726 twee uit Mierlo, 1726 St.-Oedenrode, 1727 Woensel, 1727 Zevenbergen, 1727 Lieshout, 1731 Boxtel, 1736 Gemonde, 1736 Moergestel, 1738 Heesch bij Oss, 1792 Oosterhout, 1834 Helmond, 1887 St.-Oedenrode, 1894 Boekel, 1896 Boekel, 1898 Tilburg, 1899 Grave, 1900 Monotot in Marakei, Gilbert-eilanden, 1901 Aarle-Rixtel, 1906 Schijndel, 1910 Gemert, 1919 Waalwijk, 1919 Tilburg, 1919 Schijndel, 1919 Valkenswaard. Na het 7e eeuwfeest nog in 1921 's-Gravenhage, 1930 Waalwijk en 1932 Mill.

    Van 1603 tot 1700 geschiedden er 12 bijzondere genezingen; van 1717 tot 1738 niet minder dan 22; van 1800 tot 1900 7 en van 1900 tot 1934 10. Het grootste aantal gebeurde in 1726-1727 namelijk 13, waarvan 7 uit Schijndel, 2 uit Mierlo en 1 uit St.- Oedenrode, 1 uit Woensel, 1 uit Zevenbergen en 1 uit Lieshout. Aan de kop staat Schijndel met 12 genezingen. Het is duidelijk, dat Handel van 1717 tot 1738 zijn grootste bloei beleefde. Natuurlijk zijn er veel meer bijzondere gebedsverhoringen, die niet in de geschiedenis vermeld zijn. Enkele voorbeelden van wonderbare genezingen op voorspraak van O.L. Vrouw van Handel, ter illustratie.

    In 1603 leed Arnoldus van Goch uit Den Bosch, vier jaar oud, langer dan vijf weken aan klemmond, waardoor hem het eten onmogelijk was. De dokters verklaarden hem ongeneeslijk. Een tante van hem uit Gemert beloofde aan O.L. Vrouw van Handel voor zijn genezing een gift van linnen, was, zilver en goud gelijk aan het gewicht van het kind. Op diezelfde dag nog genas het kind. Nog bleef een spraakgebrek over. Dit verdween, toen de tante het volgend jaar met de kleine in de kapel kwam om haar belofte te voldoen.

    Angela, zijn zuster, leed in 1626 hevige pijnen aan haar rechterland. In 1610 was zij al genezen op voorspraak van O.L. Vrouw van Handel van een verlamming aan haar voet. Toen zij O.L. Vrouw een belofte deed, genas zij plotseling en alle pijn aan haar hand was verdwenen. In 1802 hing nog een schilderij in de kapel met als onderschrift: Engelken van Gog, genezen van krankheid in beide voeten.

    Een schilderij, die vroeger ook in de kapel hing, wees op de genezing van een zekere Peter Davidts Sneeuwits. Deze jongeman lag reeds drie jaar ziek te bed. Alle hulp van dokters was tevergeefs. Toen zijn moeder beloofde naar Handel te gaan, totdat haar zoon zou genezen, genas hij plotseling.

    Margaretha Peeters Jan Otten uit Schijndel, 27 jaar oud, was veel jaren blind. Op 8 september 1669 kreeg zij te handel het gezicht terug. Vorige eeuw is een schilderij met deze voorstelling terug gevonden en in de kapel opgehangen.

    Jan van Hamburgh uit Gerwen, 19 jaar, was vanaf zijn kinderjaren lam en kreupel aan beide benen. Op 8 september 1690 kwam hij met zijn ouders te Handel. Daar gaf hij zijn krukken aan zijn vader en kon weer normaal lopen.

    FOTO Schilderij in de kerk van Handel voorstellende de genezing van Hendrik Antoon Peeters 1698.

    Hendrik Antoon Peeters uit Helmond was 8 jaar oud en kreupel aan beide voeten. Hij genas plotseling te Handel op 8 september 1698. Een schilderij in de kapel wijst op deze genezing. Jan Dries Jansen, geboren te Boekel in 1713, leed aan algehele beenverlamming. Op de 11e september 1717 kwam hij met zijn ouders te Handel, waar hij volledig werd genezen. Toen zijn moeder voor de derde keer rond het beeldje kroop, volgde Jan haar zonder krukken.

    Uit Schijndel werden in 1726 te Handel genezen: Antoon, 8 jaar, en Maria Smits, 4 jaar, beide kreupel en lam; Anna Maria Theu- nissen, 5 jaar, vanaf haar geboorte lam; Johanna Maria van Herpen, 6 jaar, vanaf haar 2e jaar lam; Wilhelmus en Johannes van Herpen, beide lange tijd blind; een schilderij in de kapel stelt hun genezing voor; Joannes en Franciscus Schrijvers, Joannes had twee jaar en vier maanden een breuk; Franciscus was met een opening in de buik geboren, zodat de ingewanden zichtbaar waren. Hij genas zo volkomen, dat zelfs geen lidteken overbleef. Franciscus van der Sande uit Boxtel, 6 jaar, was van zijn geboorte af lam. Hij genas plotseling op 15 augustus 1731 om 9 uur in de voormiddag te Handel.

    FOTO Schilderij in de kerk van Handel voorstellende op de linkerhelft de genezing van de gebroeders Schrijvers op de rechterhelft de genezing van de gebroeders Van Herpen 1726.

    Joanna Crul uit Oosterhout, ruim 21 jaar, was zo geschrokken, dat ze niet meer kon spreken. De dokters hadden van alles geprobeerd maar tevergeefs. Op 16 augustus 1792 zat zij 's avonds om 9 uur bij het genadebeeld en begon met de andere pelgrims hardop het rozenhoedje te bidden.

    Elisabeth Emons uit Helmond had een zware breuk. Op 8 september 1834 bad zij bij O.L. Vrouw van Handel en dronk daarna uit het 'Heilige Putje' en was genezen

    In november 1896 werd het kindje van W. Biemans uit Boekel genezen van een kwaal, die de dokter als ernstig beschouwde. De moeder giet wat water uit het Heilig Putje op de plek van de kwaal en daags daarna was het kind volledig genezen. Martinus van Hoogstraten uit Gemert, missionaris te Monoto op Marakei van de Gilberteilanden kreeg van zijn vader een fles water uit het Heilig Putje van Handel in 1900. Toen hij bij een klein meisje werd geroepen, dat zo hevig bloedde uit een buikwond, dat men voor haar leven vreesde, besprenkelde hij het kind met dat water en het bloeden hield ogenblikkelijk op.

    FOTO Wonderput te Handel

    In 1919 kwam een jongeman van 18 jaar uit Waalwijk O.L. Vrouw bedanken voor zijn genezing. Hij had anderhalf jaar niet kunnen lopen. Zijn ruggemerg was aangetast en er was geen hoop op genezing. Na een ware marteltocht kwam hij de eerste zondag van mei in Handel. Hij nam water uit de fontein mee naar huis en dronk er 's morgens en 's avonds van. Op de derde zondag van mei is hij in staat een wandeling te maken van meerdere uren zonder enige steun.

    Het laatste merkwaardige geval, dat zich nog vóór het 7e eeuwfeest afspeelde, was dat van een twintig-jarig meisje uit Tilburg, dat vanaf 20 april 1918 veertien maanden onder voortdurende hevige pijnen te bed had gelegen. Op 10 oktober 1918 werd zij gesterkt door het sacrament van de zieken. Voor een operatie was de ziekte reeds te ver gevorderd. Zij was een geraamte geworden en kon volgens de dokter nog slechts een paar dagen leven. Op 28 juni ging haar moeder mee met de Geldropse processie naar Handel. Zij bracht een flesje water mee uit het Heilig Putje. Door het drinken hiervan kwam een algehele ommekeer in de ziekte. Alle verschijnselen, die door het meisje zelf als ingewandstuber- culose werden aangeduid, bleven van toen af weg. De temperatuur zakte van 40/41 graden tot normaal. Enige weken later kwam zij J O.L. Vrouw van Handel bedanken. Ze maakte de reis grotendeels te voet.

    FOTO Processiepark van Handel

    Duizenden hebben in deze zeven eeuwen bij O.L. Vrouw van Handel Troosteres van de bedroefden en Toevlucht van de zondaars' uitkomst, hulp en troost ontvangen in hun stoffelijke en geestelijke nood. Jong en oud, arm en rijk heeft hier gebeden, vaders en moeders voor hun kinderen, voor hun bedrijf en hun werk, jongens en meisjes voor hun toekomst. Getroost, gesterkt, bemoedigd, geholpen en verhoord gingen zij dankbaar naar huis in de overtuiging, dat zij aan Maria hun geloof en hun geluk hadden te danken. Zonder twijfel ook om in hun dagelijks leven te verwerkelijken, zij het dan naar zwakke menselijke krachten, wat Maria zei op de bruiloft van Cana: 'Doet alles wat Hij u zeggen zal'.

    De laatste vijftig jaar, 1920-1970

    Na het 7e eeuwfeest kwam een periode van rust en opbouw, hoewel de beruchte dertiger jaren het platteland van de Meijerij niet ongemoeid hebben gelaten. Werkeloosheid en malaise waren algemeen, de landbouwprodukten weinig waard en de kostwinning schaars. In 1922 volgde Josephus M.C. Castelijns rector Jacobus Duijnstee op. Evenals zijn voorgangers werkte hij met grote ijver aan de uitbreiding van de verering van O.L. Vrouw van Handel. Elk jaar groeide het aantal processies en kwamen er meer bedevaartgangers te voet of per fiets van heinde en ver om O.L. Vrouw te huldigen en haar gunsten te verkrijgen. Uit deze tijd zijn nog enkele bijzondere genezingen bekend en schriftelijk vastgesteld. Opvallend is, dat de genezen personen niet meer met name genoemd worden, zoals dat voordien gebruikelijk was. Zo schreef op 19 mei een mevr. S. v. D. uit D. die met haar zoon naar Handel was geweest, dat deze totaal was genezen en voegde er bij: 'Ik geloof, dat Maria hem genezen heeft'. Vanwege een verzwering in het hoofd leed H. d. G. uit W. veel pijn. Zij werd geopereerd, maar de beterschap was van korte duur. Na zeven maanden van ellende en leed kwam zij naar Handel. Zoals zij in 1932 verklaart, verdwenen de pijnen en hebben deze zich niet meer herhaald. Het zoontje van A.J. van C.P. uit M. leed aan een pijnlijke ingewandsziekte. Genezing leek uitgesloten. Ten einde raad kwamen de ouders met de buurt naar O.L. Vrouw van Handel. Na drie dagen herstelde het kind en werd volkomen gezond. Anderhalve maand later kwamen de ouders met de buurt Maria bedanken. Op 15 augustus 1933, een jaar later, kwamen zij opnieuw naar Handel met hun volkomen genezen kind.

    Onder rector Castelijns kwam de bouw van een ruime rectoraatswoning tot stand. Het oude rectoraat werd op 4 januari 1937 betrokken door de Dochters van de Goddelijke Heiland, de z.g. 'Weense Zusters'. In 1947 vertrokken deze zusters naar Bakel. Onder Castelijns verkreeg het rectoraat het recht van dopen en begraven. Op 29 april 1946 werd Handel officieel parochie en werd de kapel parochiekerk met een omschreven eigen gebied en een kerkbestuur. In 1948 werd de Verre Hei hier nog aan toegevoegd. Op dit ogenblik telt de parochie 1534 zielen. In de tweede wereldoorlog van 1940-1945 werd Handel zichtbaar door O.L. Vrouw beschermd ! Maria bewaarde haar kinderen voor dood en verwoesting, voor de grootste ellende en het zwaarste leed. Uit dankbaarheid bouwden Handel en Gemert in het processiepark na de oorlog een prachtige openluchtkapel, waar bij grote drukte honderden pelgrims de eucharistieviering kunnen bijwonen. Toen na de bevrijding het normale leven zich weer langzamerhand herstelde, begon ook Handel opnieuw te leven. Processies en pelgrims komen en gaan, allerlei mensen zijn Maria dankbaar voor hun redding, anderen komen om troost en uitkomst. Allen zien vol vertrouwen uit naar een betere samenleving, grotere welvaart en meer en blijvender geluk en waarachtige vrede. Na de politionele actie in Indonesië komt er rust in ons land en ondanks allerlei voorspellingen en pessimistische verwachtingen gaat de opbouw door en neemt de welvaart toe. Toch zijn de eerste verschijnselen van een naderende verandering op maatschappelijk en kerkelijk gebied reeds aanwezig. De lang verwachte eenheid, die onder de oorlog zo groot was, komt niet tot stand. De oude politieke partijen komen terug, nog vermeerderd met enkele nieuwe. Op kerkelijk gebied lijden de godsdienstige verenigingen een kwijnend bestaan en gaan geleidelijk aan ten gronde. Oude devoties en vrome praktijken van het gelovige volk zijn zachtjesaan verwaterd en in onbruik geraakt. We denken hier aan de H. Hart devotie en ook aan de Mariaverering. Deze ontwikkeling was al aan de gang, toen op 8 oktober 1948 pastoor Castelijns opgevolgd werd door Johannes Cornelis Brekelmans. Hij werd 11 januari 1896 te St.-Michielsgestel geboren en was van 1940 tot 1948 pastoor geweest in Katwijk a.d. Maas. In het voetspoor van zijn voorgangers tredend deed hij al het mogelijke om de devotie tot O.L. Vrouw nog hoger op te voeren. Ofschoon hij de veranderende tijd al tegen zich had, liet hij niets ongedaan om de mensen te trekken. Hij liet de kapel, waarin het Mariabeeldje stond grondig opknappen, richtte een kinderkapel en een doopkapel in, liet nieuwe ramen aanbrengen en verwarming en vergrootte het orgel. Op hoge feestdagen zorgde hij er voor, dat het beeldje in fluweel blauw en goud brokaat werd gekleed, zoals op oude foto's te zien was. Zo mogelijk werd bij elke feestdag naar een ander kleed uitgezien. Hoewel er onder zijn pastoraat ongetwijfeld ook bijzondere gebedsverhoringen plaats hadden, zijn deze niet meer officieel bevestigd of opgeschreven. De tijd van de triomferende kerk met zijn luisterrijke processies en zijn uitbundige geloofsuitingen raakt voorbij. Onder invloed van de moderne wetenschap verslapt het geloof bij velen in buitennatuurlijke verschijnselen en de bewijsbaarheid daarvan. Het gelovige volk echter blijft onverminderd zijn vertrouwen schenken aan Maria's bevoorrechte plaats in Gods scheppingsplan, al is het dan meer terughoudend geworden en meer gereserveerd ten opzichte van de wonderdadigheid van gebedsverhoringen. Nu ook de kerk strenger en kritischer is geworden dienaangaande, zijn ook de gelovige mensen begrijpelijkerwijze voorzichtiger geworden in hun beweringen en uitingen. Het voortschrijdende secularisatieproces zal zijn invloed steeds meer doen gelden, zodat we in de toekomst nog minder over wonderbare gebeurtenissen zullen horen, hoewel God zich niet onbetuigd zal laten, als de mens met vertrouwen tot de Moeder van Gods zoon zijn toevlucht neemt. Gods arm is niet verkort en nog altijd blijft een vast geloof bergen verzetten. Voor de gelovige is alles mogelijk, ook al wat menselijk onmogelijk lijkt.

    De tijd van het 'Rijke Roomse Leven' is voorbij en keert nooit meer terug. 'De Kerk der Armen' begint zich te ontwikkelen. De roep naar radicaal evangelisch leven dringt door. Men wil terug naar Christus, maar het volk Gods onderweg kan nog zo moeilijk zijn weg vinden. Waar zijn de echte profeten zoals eens een H. Franciscus ?

    Er zijn nog maar vijf jaar verlopen, sinds de eenentwintigste kerkvergadering is gesloten. Het lijkt al zo lang geleden. We leven zo vlug, te vlug voor velen. De laatste tien jaar leefden we sneller dan de vijfhonderd of duizend jaar daarvoor. De ontwikkelingen zijn sindsdien stormachtig geweest. Was het niet meer een revolutie dan een evolutie, speciaal in het Roomse Zuiden en daarna in katholiek Nederland? Het tweede Vaticaans concilie is een overgangsconcilie genoemd. Heeft die overgang zich zo snel voltrokken? Of is de beweging nu reeds verzand? Wat met dit concilie in de katholieke kerk is ingezet, is als het eind van het traditionele christendom gekenschetst. Is dat spel van een constantijns, een na- tridentijns en contrareformatorisch triomfalisch en een negen- tiende-eeuws verburgelijkt en verschraald christendom nu uit? Allerwegen gingen verwachtingen groeien, toen Paus Johannes onverwachts en bijna guitig, maar overtuigd, dat hij op ingeving van de H. Geest handelde, zijn concilie aankondigde. Paus Paulus nam met een lofrede op Christus, de Enige, het concilie van zijn voorganger over. Tijdens dat concilie deden zich allerhande schermutselingen voor, er kwam een 'zwarte week', maar er werden ook nieuwe wegen geopend, doorbraken geforceerd en mijlpalen gezet. Was het te mooi om waar te zijn? Hoe ging het in Handel? Pastoor Brekelmans zegt, dat in zijn tijd de processies nog kwamen zoals vroeger ja dat er zelfs nog bijgekomen zijn. Hij noemt: Zevenaar, Rotterdam en Udenhout. In 1965 legde hij zijn pastoraat neer en geniet een welverdiende rust met zijn getrouwde huishoudster in de oude pastorie. Hij wacht in vrede op de komst van de verrezen Heer, die zijn trouwe dienaar zal opnemen in de hemelse glorie op voorspraak van zijn Moeder, die hij zelf vurig vereerde en wier eredienst hem zozeer ter harte ging.

    Zijn opvolger was Marinus Henricus Vogels, geboren te Strijp op 1 januari 1910. Hij was pastoor te Velddriel en kwam op 24 oktober 1965 in Handel.

    In de geest van de tijd begon hij de kapel te moderniseren en aan te passen aan de tegenwoordige begrippen van eenvoud en soberheid. Hij liet alle ex-voto's en de grote kandelaars met schildjes verwijderen en het Maria-beeldje ontmantelen. Vóór alles voelde hij zich verantwoordelijk voor zijn eigen parochianen, die niet bij de pelgrims mochten worden achter gesteld. Hij regelde zelf de diensten in de kapel en liet de buitendienst over aan zijn assistent P. Gaudiosus van Dooren uit Boekel. Deze eenvoudige Kapucijn, een echte zoon van Franciscus, die meer door zijn voorbeeld preekt dan door zijn woord, zal dit jaar op 1 augustus het feit herdenken, dat hij twintig jaar met grote apostolische ijver O.L. Vrouw, de rector-pastoor en de gelovigen heeft gediend. Op hem is het woord van de profeet van toepassing : 'Dit is mijn dienaar, die ik ondersteun, mijn uitverkorene, in wie ik behagen schep. Mijn geest stort ik over hem uit, hij roept niet, hij schreeuwt niet, op straat verheft hij zijn stem niet, het geknakte riet zal hij niet breken, in waarheid zal hij de gerechtigheid doen stralen'. Zijn voorgangers waren : P. Egilius, Flavianus en David. In de meimaand komt er nog steeds regelmatig een kapucijn om te preken en dienst te doen voor de pelgrims. Hoewel het aantal processies en pelgrims is terug gelopen, kan O.L. Vrouw toch altijd nog op een groot aantal bezoekers en vereerders rekenen. In 1966 kwamen in groepen ongeveer 7100 pelgrims; in 1967 : 8725; in 1968: 8195; in 1969: 7065; in 1970: 8740.

    FOTO Kerk van Handel

    In 1970 kwamen de volgende groepen nog in Handel : bejaarden Grubbenvorst, middelbare scholen uit Veghel, processie Gemert (ongeveer 1000 man), processie Waalwijk, Vredesparochie Tilburg, Bejaarden Beek en Donk, N.K.V. Veghel, processie Bakel, bejaarden Eerde, K.V.O. Cuyk, processie Beek en Donk, K.O.V. Oss (ongeveer 350 man), K.V.O. Uden (380), N.K.V. Schijndel, Martelaren van Gorkum Rotterdam, processie Langenboom, Oud-Militairen (350), hulpbehoevende bejaarden Mierlo-Hout, processie Valkenswaard (2000), processie Moergestel, bejaarden Oploo (300) busprocessie Zevenaar, processie Dreumel, bejaarden Vierlingsbeek, processie Venhorst (300), processie Sint-Antonis-Ledeakker- Stevensbeek (400). Behalve deze groepen kwamen er nog velen op eigen gelegenheid te voet of per fiets, per brommer of auto. Opvallend is het, dat de groep tussen de leeftijd van 25 en 40 jaar aanmerkelijk toenam.

    De oorzaken van de achteruitgang van de processies en de bedevaarten moeten we zoeken in de verandering van denk- en levenswijze van de moderne mens. De opvattingen over geloof en zeden, over kerk en wereld, over natuur en genade, over God en godsdienst zijn zowel bij priesters als leken zodanig gewijzigd onder invloed van allerlei nieuwere theorieën op filosofisch en theologisch gebied, vooral op gebied van de mens-wetenschappen, dat men er de onveranderlijke leer van Christus en de Kerk soms moeilijk in kan terug herkennen, om nog maar te zwijgen over de leerstellingen van het tweede Vaticaans concilie. Vooral in Nederland is men zogenaamd al veel verder. De gevolgen zijn dan ook duidelijk waarneembaar. We denken hier aan het woord van het Evangelie : Aan de vruchten zult ge ze kennen. Het aggiornamento van Paus Johannes is met enthousiasme ontvangen en betekende de inzet van een nieuwe en betere wereld. Toch moeten we vaststellen, dat in deze postconcilaire tijd de kloof tussen arm en rijk groter is geworden, de zedenverwildering is toegenomen, dat het aantal kerkgangers is gedaald, dat de roepingen tot het priesterschap en het kloosterleven minimaal zijn, dat onderlinge verdeeldheid en zeer diepe meningsverschillen meer en meer duidelijk worden bij hen, die de Blijde Boodschap verkondigen. Menselijker wijze is de toestand van de Kerk nu hopeloos.

    De onzekerheid en de verwarring, de geloofsafval en de geloofsverslapping, de onverschilligheid nemen toe. Er heerst vermoeidheid en ontgoocheling, verbetenheid en protest. Na een seculiere theologie en een god-is-dood theologie komt men met een theologie van de hoop. Maar waar wachten we op? Juist nu moeten wij de 'tekenen van de tijd' verstaan. We moeten inzien dat het heil in de eerste plaats niet verwacht moet worden van menselijke prestaties : dialoog, nieuwe strukturen en meer doorstroming volstaan niet. Ons heil en het heil van de wereld is te vinden in de hoeksteen, 'die door de bouwlieden is verworpen'. Er is echter geen reden tot pessimisme, maar wel zullen we 'het geduld der heiligen' moeten opbrengen. Bidden om kracht, wachten op consignes van de H. Geest, tijd vrij houden voor beschouwing en aanbidding blijven wezenlijke zaken. Laten we proberen de les van de geschiedenis te verstaan. Na elke opbloei komt een terugslag, na de winter de zomer, na regen zonneschijn. De Broeders van Huize Padua zijn in 1970 op hun basis in Handel teruggekeerd, waarvan ze eens vertrokken en zich vermenigvuldigden. Met 9 man bewonen zij de omgebouwde pastorie. De pastoor bouwde een nieuwe bungalow in het processiepark en trok er 8 januari 1970 in. De kapucijnen moderniseerden hun klooster en kregen van hun overste de verzekering, dat ze nog vijf jaar in Handel konden blijven. Het aantal processies zal waarschijnlijk in de komende jaren nog teruglopen, alhoewel te verwachten is, dat het aantal gelegenheidspelgrims zal toenemen. O.L. Vrouw heeft in het verleden haar wondermacht getoond en ons in het geloof bewaard, de broeders van Boekel eens van de ondergang gered en Handel met de Kapucijnen onwrikbaar verbonden. Van haar mogen we hulp en redding verwachten.

    FOTO O.L. Vrouwekapel in de kerk van Handel

    Handel ontwikkelde zich in de loop der jaren. Er heerst welvaart en haar verschillende verenigingen zijn actief werkzaam. In het nieuwe Gemeenschapshuis zullen zij een thuis vinden en hun activiteiten kunnen ontplooien tot nut van het algemeen belang van kerk en maatschappij.

    Maria, de Moeder van de Kerk, zoals Paus Paulus haar noemde, zal haar kinderen niet alleen waarschuwen, maar ook als de Sterre des zee hen voorgaan naar het nieuwe Jeruzalem en hen haar kind doen vinden om het te huldigen en te aanbidden om ze dan langs een andere, nieuwe weg terug te leiden naar huis en eens naar het Vaderhuis.

    Op haar voorspraak zal haar goddelijke Zoon zoals eens te Cana weer water in wijn veranderen, als zijn uur is gekomen, en ons weer van het ongeloof en de vrijzinnigheid terugbrengen tot het geloof en de onbaatzuchtige gelouterde liefde van haar Zoon en zijn Kerk, geen pratende maar een biddende kerk en weer doen begrijpen wat het wil zeggen: Doe alles wat Hij u zeggen zal. Naar die gezegende tijd zien wij, haar kinderen, met vertrouwen uit. Met priester Poppe bidden wij: 'Wanneer zal de arme wereld weer haar ogen openen? Wanneer zal ze wakker worden en erkennen dat haar vreugde boeien zijn? Wanneer, Maria, Troosteres van de bedroefden en Toevlucht van de zondaars, wanneer toch zal de wereld opstaan en wenend tot Jezus wederkeren : Ik heb gezondigd. Wanneer verplet Gij weer, voor altijd en voor eeuwig, de kop van het serpent? Wanneer zal Jezus eindelijk heersen, zoals Hij verdient? Wanneer herhaalt die arme wereld weer met ons uw lof en die van Jezus ?'

    Omstreeks 1700 werd de kapel van Handel gerestaureerd en bij die gelegenheid werd waarschijnlijk in de toren een dubbel opschrift aangebracht.

     

    Het eerste luidde :


    sanCta Da paCeM heilige, Maria schenk vrede.

    De letters CDCM geven tezamen het getal 1700 aan.

    Het tweede vers luidde :

    Bijna achtmaal zestig jaren
    Is thans in dit eenzaam oord
    uit de mond der Christenscharen,
    Heil'ge Maagd, uw lof gehoord !
    Zegen steeds het huis des Heeren,
    Help hen, die er U vereren.

    Met een kleine variant op dit gebed willen wij sluiten :

    Zeven honderd vijftig jaren
    Is thans in dit heilzaam oord
    Uit de mond der Christenscharen,
    Heil'ge Maagd, uw lof gehoord!
    Zegen steeds het huis des Heren,
    Help hen, die er U vereren.

    Moge het zo zijn en Handel begint met de hulp van O.L. Vrouw weer een nieuwe en betere tijd.

    Handel,

     

    Kapucijnenklooster 2 februari 1971 feest van Maria-Lichtmis.

     

    Copyright © 2019 Onze Lieve Vrouw van Handel.
    All Rights Reserved.