Lieve Vrouwkes van Brabant

    OF EENEN

    Krans van Maria-Legenden

    DOOR

    JEHAN KUYPERS

    MET PENTEEKENINGEN VAN JAN HUL

    M C M X X X X

    UITGEVERS-MIJ ERNEST VAN AELST

    Maastricht (Nederland) - Vroenhoven (België)

    Inhoud

    Voorwoord van den Uitgever
    Inleiding
    O. L. Vrouw van Aalburg
    - (vereerd te Heusden) De vlucht van den Beenhakker
    O. L. Vrouw van Aarle-Rixtel - Het liêke in den maneschijn
    O. L. Vrouw van Bergharen - De kreupele Cisterciencer
    O. L. Vrouw van den Elshout - Het rijpe vlas van Pauwel Kaproen
    O. L. Vrouw van Fellenoord - De muldersknecht van Fellenoord
    O. L. Vrouw van Handel - De duivelin en de meidoorn
    O. L. Vrouw van Den Bosch - De Allerliefste van den leeken broeder Wouter
    O. L. Vrouw van Meerveldhoven - Boom in de Kempen
    O. L. Vrouw van Oirschot - De simpele scheeper
    O. L. Vrouw van Oisterwijk - De zilveren bruiloft van Annemieke
    O. L. Vrouw van Ommel - De nieuwsgierige Pastoor
    O. L. Vrouw van Tilburg - Winus Monkels
    O. L. Vrouw van Uden - Het blinde dochterke van Dirck Dirck
    O. L. Vrouw van Zegge -  De kranke Kalvinist
    Onze Lieve Vrouw van Brabant


    Voorwoord van den Uitgever

    Acht jaren geleden maakten wij al een aanvang met het bundelen van de Legenden verbonden aan de Lieve Vrouwkes van Brabant. Thans zijn wij klaar gekomen; jammer genoeg is ons werk niet geheel volledig.

    Gedurende den beeldenstorm zijn tal van bekende en vereerde Mariabeelden verdwenen, o.a. de beelden van Bergen op Zoom, Breda, Eindhoven, Geertruidenberg en Roosendaal. Waar in vroeger jaren een bloeiende Mariavereering bestond, is niets meer overgebleven, zelfs geen afbeelding, niettegenstaande het feit dat duizenden en duizenden „Sanctjes” werden gedrukt en uitgegeven.

    Onze nasporingen, in samenwerking met de Eerw. Geestelijkheid, H.H. Archivarissen en bekende verzamelaars hebben geen resultaat gehad. Mocht een onzer lezers hieromtrent iets naders weten, dan houden wij ons voor mededeeling aanbevolen.

    Dit wat betreft de oude Mariadevotie's. Van andere Maria-heiligdommen zoo o.a. Hilvarenbeek, Rucphen en St. Willibrord beschikten wij niet over voldoende gegevens. Ook hiervoor roepen wij de hulp van onze lezers in. In een volgende uitgave hopen wij dan alle Lieve Vrouwkes van Brabant te kunnen opnemen. Deze uitgave is gelukkig vermeerderd met de

    Legenden van Aalburg en Elshout, en een teekening van O. L. Vrouw van den Moerdijk. Wat deze wonderbare feiten en verhalen betreft onderwerpen wij ons gaarne aan het decreet van Paus Urbanus VIII.

    April 1940.

    De Uitgever,

    ERNEST VAN AELST.

    Inleiding

    Het is niet lang geleden, dat de Lieve Vrouwen van 't groote Brabant t'allentwege uit hun kapel, hunnen eik en hunnen lindeboom vandaan wilden, om henen te gaan uit het land van vlakke vennen, schrale mastebosschen en zandboeren. Want Brabant's bodem begon te denderen van industrie en zijn volk te luisteren naar een vreemd geluid. Toen hebben de Lieve Vrouwen gevreesd het Hart van Brabant te zullen verliezen en besloten zij, — wanneer de processie's niet meer trekken zouden — hunnen zegen van Brabant af te wenden. Maar het volk van de zompige Peel tot aan de Zeeuwsche grens had ooit heviger strijd gekend om het behoud van eigen landaard, zieleschoon en dierbaar geloof. Het wierd er wakker van, en sedert tijden klinkt over de masten en de hei weer het oude „Were Di!” De zon klimt boven Brabant weer naar den zomer!

    Naast de oude bedeplaatsen wilde het eenen nieuwen Mariatroon erbij, boven aan den Moerdijk. Deze Lieve Vrouw zal zeggen wat Brabant wil zijn op vandaag. De oude kapellen verhalen hoe het is geweest, hoe het gestreden heeft voor Ons Heer en wierd bijgestaan door de Moeder Gods, tegen de scheuring in de Kerk, de Kalvinisten en de Franschen. Zij dragen de litteekens van vervolging en hebben gedeeld in de nooden van ’t land, dat ze hebben gevrijwaard voor den ondergang. Maar zij herinneren ook aan den luisterdag toen Brabant groot was. Aan zijn hertogen en christene ridders, aan eenen langen rozenkrans van heiligen en volksapostelen, aan de Lieve Vrouwengilden en de Kerkmissen mee ommegangen en stoeten. Zij zijn een nooit voltooid hoofdstuk van Brabant’s historie en een eigenschap van het volksleven.

    Maria is er vergroeid mee. Terecht kunnen wij zeggen:

    “Onze Lieve Vrouw van Brabant, bid voor ons!”.

    De vlucht van den Beenhakker

    O.L. VROUW VAN AALBURG (VEREERD TE HEUSDEN)

    Den 25sten September van het jaar 1579, toen de Geuzen de abdij van Berne in brand staken, liep Karel de Wael, die de Beenhakker genoemd wierd, over eenen landweg van Aalburg in de richting van Heusden. 'Ne wilde wind, die de dorre blaren onder de heggen en bezijden de wallen naar de vlakten blies, en daar omhoog deed kolken en buitelen, deed hem bijtijden schielijk stilstaan. Want in den valavond vergrauwden de waaiende stronken zóó, dat Karei de Wael moeilijk zien kon of het menschen waren of niet. En als hij er neven ging schrok hij nog 'nen keer, omdat de wind door 'nen hollen knotwilg floot, of 'nen rafel bast, die maar mee éénen vezel vast zat, zóó weg en weder woei, alsof er een wezen verschoof...

    De Beenhakker, die anders 's nachts om twaalf uur moederziel alleen midden op 'nen viersprong zou durven gaan staan, waar volgens het zeggen in die dagen de duivel zijn gedaante van den vorigen dag zichtbaar kwam verwisselen mee 'n nieuwe gestalte, opdat ze hem nooit zouden kennen, diezelfde Beenhakker loerde nu schichtig van links naar rechts.

    Hij was een opgejaagde en vluchtte zoo ver hij kon. Zijn mantel, die als een keep mee 'n lint om zijnen hals hing vastgestrikt, vendelde achter zijnen rug wijd bollend omhoog. Hij liep wat hij loopen kon, doch af en toe verborg hij zich achter eenen boom of in 'nen drogen sloot. Dan keek hij de donkerte in en luisterde gespannen of hij tusschen het rumoeren van den wind geen stemmen onderscheidde en geen stappen.

    Hij liep tot de donkerte zoo dik was, dat hij er amper eenen armzwaai wijd in kijken kon. Toen stond hij voor ‘n beemd, welke door eenen ordentelijken sloot wierd omzoomd.

    De Beenhakker kende de streek in den blinde.

    „Als ik mij eens verberg te midden van de sompen? dacht hij. Daar zullen ze wis niet komen…” En zijnen mantel optillend liet hij zijn beenen beurtelings in het water schuiven, en waadde tastend mee uitgespreide armen naar den overkant. Daar was de grond drassig en zakte de Beenhakker tot zijn enkels in het moer. Hij voelde het water stroelen tusschen zijn teenen, en bij iederen tred hoorde hij hoe achter hem de grond omhoog zoog. Zoo, bijtijden uitglibberend, dan weer wegschietend mee zijn eene been in 'n modderkreek, sukkelde hij tot waar de biezen eenen mensch hoog stonden. Een wijle bleef hij staan, rondspeurend en mee ingehouden adem. Hij zag geen ster aan den hemel en geen lichtje in de wijdte. De wind striemde de biezen tegen zijn gezicht, en vlakbij hoorde hij harde rietstengels tegen elkander schoeren. Dan, mee zoekende stappen, ging hij weer wijder tot waar de grasbossen als harde bulten uitstaken boven de meersch. Daar ging hij zitten en begon mee zijn handen onder zijn hoofd na te denken hoe alles verloopen was. Hij zag het opnieuw klaar gebeuren, en hoorde alsof het echt was den toren van Aalburg kleppen rond het vierde middaguur. Hij zag uit de huizingen vrouwen angstig naar geburen loopen. Mansmenschen stormden naar buiten mee gaffels en knotsen, de honden basten hen na en een omroeper, rijdend op een dravende merrie riep: „De Geuzen komen! In Berne brandt de priorij!" Hij zelf zat in zijn huis neven de kerk aan tafel voor zijnen vieruurschen boterham. Doch toen hij dit alles door het open raam gewaarde, liep hij zonder spreken naar de kerk, recht naar den outer, waar Ons Lieve Vrouw in de gedaante van een kunstig gesneden beeldje wierd vereerd. „Zij mogen dan plunderen wat zij willen, éér nog mijn vrouw en mijn kind, dan U, Moeder Gods!" had hij gehijgd.

    Maar als hij buiten kwam, reden de Geuzen al in galop naar den toren. Schielijk zwenkte de Beenhakker zijn eigen huis binnen, nam zijnen mantel en vluchtte aan den achterkant naar de velden, terwijl hij het beeldeke borg onder zijnen boezeroen.

    Want ze hadden hem gezien. . . Daarom bleef hij loopen tot in den donkeren nacht, tot in de eenzame beemd.

    Daarom zat hij hier.

    Hij haalde het beeldeke uit zijnen kiel, en klemde het vast tusschen zijn voeten.

    „Heilige Maria! zuchtte hij, en aaide mee zijn ruige handen heur hoofd, Moeder Gods, die weet wat vluchten is, help den Beenhakker Karei de Wael! Toen Gij door Egypte doolde had Ge 'nen engel bij U en Sint Jozef en het God-Kind zelf! Ik heb enkel uw houten, zeker schoon gesneden, beeldeke, maar mijn wijf en ons Anneke wachten ginder wijd in Aalburg! Help ons tegader weer bijeen…”. Zulke en velerhande dingen prevelde de Beenhakker dien nacht te midden van de biezen. Hij bleef er geheel den komenden dag. Den volgenden avond echter sloop hij voorzichtig naar zijn huis neven de kerk, die verbrand was.

    En de historie vertelt dat hij uit dankbaarheid beloofde geheel zijn tijdelijk gewin — behoudens wat er af moest voor den kost van zijn schamel gezin — bijeen te sparen voor een waardige Moeder-Godskapel. Onderwijl gaf hij het beeldeke aan Anneke, zijn dochter. Maar kort daarop wierd de Beenhakker naar den hemel geroepen, en toen Anneke, een schoon durske geworden, in de jaren kwam dat zij omzag naar eenen vrijer, kreeg zij kennis mee den ketter Jan Legru. In al die verloopen jaren had zij niet naar Ons Lieve Vrouw omgekeken, zoodat het weinig verwondering wekte dat zij zulk eenen misstap deed toen zij mee dien scheurmaker trouwde. Dien zelfden avond echter, toen Jan Legru in hun huis het beeldeke vond, en er tegen spuwde en mee 'nen hamer dreigde het tot splinters te slaan, gaf ze het heimelijk weg. Zoo begon de ballingschap van Ons Lieve Vrouw van Aalburg, die ten laatste terecht kwam in de kerk van Heusden. Daar bleef ze even vergeten staan als in het huis van Anneke van den Beenhakker, en 't zou een wonder zijn als daar ooit een mirakel gebeurde. Want Ons Lieve Vrouw is er niet thuis. En als ge niet thuis zijt, bent ge niet zoo op uw gemak. Zij is Burgeresse van het kleine Aalburg, en de dag zal komen dat de menschen dezer plaats, zoo niet haar beeldeke zelf, dan toch Haren zegen zullen gaan halen in Heusden.

    Het liêke in den maneschijn

    O. L. VROUW VAN AARLE-RIXTEL

    In het jaar 1596, toen omtrent alle burgemeesters van Brabant nog familie waren van den voortreffelijken boerenstand en zonder schroom mee de ambtsketen onder hunnen boezeroen achter den ploegstaart liepen in zwartgelakte klompen, stond Pieter Jelis, eerste burger van Aarle, in den maneschijn zijn koren te maaien bezijden een vervallen kapelleke. Zijn stomp geknokelde vingers hadden in d'oude archieven grauwe veegen geriggeld onder iederen regel van Aarle's historie. Zoo wist Pieter Jelis dat er op zijn korenveld heel lang geleden meer Weesgegroeten waren gebeden dan er ooit korrels konden komen in de aren. Daarom was het brood van zijnen oogst ook veel witter dan al het baksel wijd in 't ronde, en smakelijker dan kermismik. Want onder het ingezakte dak der kapel zat van eeuwen her de Moeder Gods mee het Kind op heuren schoot te luisteren naar 't muziek van de zeisen, de winden van den winter en 't zingen van de zaaiers. En tegen zijn kinderen vertelde Pieter Jelis, hoe van ouds geleden langs den weg van Helmond naar den Bosch een houten kruis had gestaan zonder Lieven Heer. Hoe op 'nen dag de Moeder Gods meelij kreeg mee de eenzame crucifixen t' allentwege, en mee haar kind op den arm tegen het kruis ging zitten bij Aarle. En toen zij gezien had hoe schoon dat land was, maar hoe behoeftig dat volk, liet zij haar beeltenis achter en trok wijder Brabant in.

    Maar iemand uit de naaste gebuur haalde in den schemer het beeldje weg en zei tegen zijn jongens: „Speelt er mee, ik heb 't ergens gekregen!".... En als Pieter Jelis dan verhaalde van de kastijdingen en de benauwdheden, die sedert dien diefstal en die leugen de stallen en de huizing van den naasten gebuur kwamen teisteren in vorm van vreeselijke ziektes, kropen zijn kinderen tegen zijn knieën en wierden niet kalm aleer zij hoorden dat de boer de beeltenis weerom bracht en een ijzeren tralie offerde, om het te vrijwaren tegen menschen van zijns gelijke. Pieter Jelis wist „van het cleyn capelleken, dat men er timmerde met eenen outaer daerin", — „van den werkman Joost die het altaer afbrak en de leien meenam, waerna hij crank geworden, corts daerna gestorven is en van Lambrecht, die heel z'n leven schier onverstaanbaar spreken bleef, omdat hij zijnen zoon steenen liet stelen.

    Pieter Jelis wist heel de historie, alle mirakelen en groei en verval der processie.

    't Was daarom geen inbeelding geweest, toen hij in 't voorjaar op den kievit zocht en onder het verweerde leisel vandaan een lieke vernam, schooner gezongen dan Marijke van den koster het kon, en die zong mirakels! Hij was het loopens gaan vertellen in geheel de buurt. Heele huishoudens kwamen nog dien avond luisteren, en den anderen avond en zeven dagen lang…… maar zij hoorden geen van allen iets… En nu stond Pieter Jelis te maaien in den maneschijn. Zijn zeis sloeg den zang van het koren neer en trok uit zijnen schouder den rythmischen zwaai. Alle sterren hingen bloot boven zijnen rug. Af en toe lekte hij eenen zweetslier uit zijnen knevel, dat smaakte zout... Pieter Jelis maaide, en de maan ging eenen kwartboog wijder. Maar hij wist niet of hij voor- of terug- waarts ging, of hij koren sloeg of haver…..     want een levendig lied had hem op de maat genomen, stillekes aan tot het stijgen ging en jubelen, en hem maaien deed als nooit eenen boer in Aarle. Hij wist niet dat hij luisterde, maar sloeg mee zeis en pikkel tegaar. Weer ging de maan eenen kwartboog wijder. Pieter Jelis werd een lied mee de zeis voor maatstok, dat over de notenbalken joeg van streepen korenmaaisel. Toen de laatste halmen vielen sloeg hij nog drie keer naar koren wat er niet meer stond, en toen.... viel over Jelis zijn wezen de volle maan, die recht boven het kapelleke hing: zijn hoofd ging omhoog en zijn knieën naar beneden... Dat dartel gezang ging door en kwam van daar! Hij maakte schelpen van zijn handholtes om te luisteren. En bij 't rijzen der zon ging door Aarle de echo van een groot mirakel, 't Geruchtte tot den Bosch, en tegader mee den bisschop bouwde het volk de kapel als nieuw, en kwam er knielen van Vechel en Enschot, van Geffen en Oisterwijk.

    De kreupele Cistercienser

    O.L. Vrouw VAN BERGHAREN

    Tusschen de milde armen van Maas en Waal, waar de dorpen liggen gegaard onder vlaggende wolkenhemels, die 's zomers lijk bergen wandelen boven 't groen der graslanden en onder de blauwte; waar de boerenwoonsten als landjuweelen liggen geringd boven malsch begroeide terpen, en het rood-bont vee tot wijd over het Cuyksche land geprezen wierd om zijn vetheid, bloeit, gelijk 'n Pinksterveld mee duizend margrieten, sedert niet te tellen tijden, de moederlijke bijstand van ons aller Maria. Dat staat te lezen in de oogen der levenden en op de graven der gestorvenen uit Oyen, Tiel en Zaltbommel, en hemelhel in de kerk van Bergharen, van 't Bisdom Den Bosch. Maar bovenal stichtelijk is het lang vergeten gebeuren mee broeder Assumptio, den Cistercienser en naverwant van den koning uit Susteren, den koenen Sanderbout. Want Assumptio, die in de wereld geboren was mee éénen arm en twee manke beenen, en dertig jaar gestreefd had om opgenomen te worden in 't convent der Cisterciensers, doch regelmatig wierd afgewezen vanwege zijn mismaaktheid, liet zich den zestigsten keer van zijn leven, op eenen sneeuwnoene van den graan wagen op den grond vallen, vlak voor de voeten van broeder den molenaar, die op den molenberg neven den Munnikhof van Bergharen de wieken keerde naar den Oostenwind. „En 'k zeg U, dat ik 'nen heilige worden wil, broeder molenaar!"

    „Daar is in de wereld occasie te over voor, stakker! ‘t Convent is geen krankenhuis, zegt pater Prior, Gij zoudt ons allen tot last zijn, en vanwege Uw lijfverzorging de zorg voor ons ziel doen vergeten!" ,,'K vraag alleen maar een hoekske, het vuilste hoekske, desnoods van den molen, broeder molenaar, om gestaag en nooit gestoord, mee God, die U doet loopen en zakken doet zwaaien, te mogen praten. En misschien kan ik werken, ook!. „Werken? Gij?" loeg de monnik. En hij tastte in het rekken van zijn armen de struischheid van zijn heele gestel.

    „God is toch almachtig!" lispelde de kreupele, als overpeinsde hij dit diep in zijn binnenste. „En de Moeder Gods is er ook. En die doet veel voor de menschen, broeder molenaar”. „Gij zegt dat allemaal veel te roekeloos! Maar goed, als 't Gods wil is, dat gij sterft in ons convent, zult gij er zeker dood gaan. Doch niet aleer ge 't bewijs hebt geleverd, dat ge geene nietsnut bent!" En omdat de sneeuw tot aan zijn knieën dik lag, droeg hij den kreupele binnen den molen, en liet hem handig neerzakken te midden der meelbalen, tegenover eenen dikken eikenpost. Wonderlijk!

    Toen de Kreupele zijn oogen hierop richtte, zag hij in dezen houtblok, lijk bedekt mee spaanders, een zeer bedroefde Maria, mee den dooden Jezus op Haren schoot en een scherp zwaard in het hart.

    Mee zijn eenige hand trok hij tusschen z'n tanden zijn mes open, en begon gelijk z'n oogen dat zagen, de bedroefde Maria vrij te kerven van 't houten omhulsel. En tegen schemertijd als broeder molenaar den molen moest sluiten, had de kranke, Maria ten voeten uitgesneden, zoodat de Cistercienser op bei zijn knieën in 't meel zonk, roepende: „Ja, 'k zal 't den prior vragen! En gij zult broeder worden! Want gij wrocht mirakels.. „En ik wil Assumptio heeten", beefde de kreupele in zijnen mond, „want ik wil naar den hemel gaan. Maar dit beeld stond er, broeder molenaar, 't Zat enkel onder dikke spaanders!"

    “'t Stond er niet, broeder Assumptio, stond er in geenen deele. Ge hebt den pas gekochten asbalk tot 'n beeld versneden, want het gebinte is aan ‘t slijten ! ‘t Stond er niet, broeder Assumptio!...”.

    Sedertdien speurde broeder Assumptio in iederen balk of boom de Moeder Gods en maakte tot aan zijnen dood velerhande heiligenbeelden. Maar zijn eerste beeld wierd in 'n schoon kapel op den Molenberg gezet.

    En heel 't land van Maas en Waal wierd verblijd door de bedroefde Maria, die zoo door dit volk wierd getroost, dat zij heimelijk het scherpe zwaard liet weghalen uit haar Hart.

    En toen in latere tijden de Geuzen de steenen der kapel mee wagens kwamen wegrooven om t' allentwege rond Tiel en Ravenstein de heiligenbeelden stuk te steenigen, toen de bedroefde Maria van broeder Assumptio op Nieuwjaarsdag 1586 bij middel van een harer dienaren vluchten moest, zagen de dorpelingen, evenals broeder Assumptio, haar beeltenis als 't ware achter den bast van eenen boom. In gedenkenis aan de kapel plantten zij op den Molenberg, waar Maria thans is teruggekomen, eenen zilvergeblaârden linde, en wierden rijkelijk gezegend.

    Het rijpe vlas van Pauwel Kaproen

    O. L. VROUW VAN DEN ELSHOUT

    Pauwel Kaproen was er eene mee bonkige handen waar geel-blond haar op stond. Bezijden zijn mondhoeken hingen twee knevelplossen lijk uitgeplozen vlastouw. Van zijn hoofdhaar had men ordentelijk eenen bezem kunnen binden, zoo stijf en lang hingen de tressen in zijnen nek. Zulk eenen zou het volk tegenwoordig nawijzen, maar in de jaren tusschen twaalf- en dertienhonderd zagen de boeren niet bijster om naar hunnen haarbos. Toch waren zij 'n schoon volk! Zij verdienden dat er in hun bestaan wonderlijke dingen gebeurden, waarvoor men tegenwoordig ongeloovig zou schokschouderen. Zij waren eenvoudig, en dat is een van de oudste karaktertrekken van het Brabantsche volk.

    Pauwel Kaproen was de grootste boer van Drunen. Eene mee vier vosmerries en drie steengrauwe rossen uit het Leuvensche. Maar in het vroegjaar van 1180 liep hij alleen over zijnen akker op de Gaers onder Elshout. De hemel stond open en blauw zoo wijd Kaproen kon kijken. Alleen tegen den einder dampte de grond wat mistigheid. Het kriélde t'allentwege van kwetterende vogels, en Kaproen — die meer zulke gedachten had — meende:  „Als het is gelijk de abdijpater van Berne zegt, dat de dingen dezer wereld in hun verscheidenheid een stoffelijk evenbeeld zijn van de Bovenwereld, dan moet het er in den hemel uitzien gelijk vandaag in Drunen en Elshout! Mee dit verschil dat in plaats van Pauwel Kaproen daar God de Vader over de zonnige velden gaat, altijd zaaiend! Vroeger zaaide Hij de sterren en pootte de zon en de maan, thans zaait Hij genaden en al de goei dingen in de menschen hun leven”. Terwijl hij zoo peinsde wierp hij mee regelmatigen zwaai het vlaszaad op den murwen grond. Af en aan, mee de zon van voren, dan in den rug, ging hij 'nen eenderen tred. Hij leefde zijn levendigheid uit in den zwierigen greep, telkens opnieuw, naar zijnen vollen schoot. Hij genoot, zonder er aan te denken, van z'n boer zijn, omdat 'ne boer het beste thuis is in den buiten. Voor hem is het hoog geluchte de zoldering van de ééne boerderij, die „Wereld" heet. Dáár is er maar ééne die werkelijk boert, Degene die de wasdom geeft! De menschen zijn allemaal zijn knechten, ieder op een stukske van God's groot bezit.

    Toen Pauwel Kaproen ettelijke stonden gezaaid had, gewaarde hij dorst. Hij bleef schielijk stilstaan midden op zijn veld. Hij had zijn drinken vergeten…. Zou hij zulk eenen treffelijken morgen, nu de grond warm en open lag, moeten verdoen mee loopen om water? Hij keek over de akkers naar de naaste hofstede, welke wijd achter de weien lag.

    Hij tuurde een wijle droomend voor zich henen, tot hij ineens niet ver vandaan een vrouw zag loopen. Hij onderscheidde dat zij deftig gekleed ging, in blauw fluweel, en de zon sparkelde op heur puntig schoeisel lijk op goud, zoo leek het. „Zoo iemand draagt zeker te drinken mee", dacht hij, en wijdbeens naderijlend, riep hij: „Vrouwe, ik heb dorst! Kunt gij geen slokske missen?" „Indien gij dorst hebt", antwoordde zij, „daar in den sloot is water!" En zij wees naar den weizoom. „Water uit 'nen sloot? Ik ben Pauwel Kaproen! Kent gij dien niet? Meent gij dat ik kikkerdril zal sloeberen? Als ik naar 't kasteel van Wijk ga of van Heusden, slaan ze voor mij, den grootsten boer van Drunen, desnoods het laatste vat nog aan. . ."

    Terwijl hij dit en meer van die dingen zei, was de vrouw naar den sloot gegaan, en kwam monkelend terug mee 'n kristallen schaal, boordevol water, waar het licht in paerelde.

    „Drink", zeide zij, „het zal uw lichaam en uw ziel verkwikken.. ." „Mijn ziel?" Kaproen keek mee groote oogen. „Wie zijt gij dan?..." Bevend klemde hij het proper kristal in zijn klei-beklonterde handen, en begon zoo gretig te slokken dat hij zijnen knevel óndersopte. Zijn blik volgde het slinken van het water. Hij dronk in éénen teug. Toen, terwijl hij mee zijn tong de lippen proefde, wierd hij zienderooge verlegen. De grootste boer van Drunen bloosde. „Dat ge bedankt zijt, vrouwe!" hakkelde hij en gaf heur de schaal weerom. Eer hij echter had gezien dat zij het klare kristal terugnam, was de vrouwe verdwenen. Hij keek onthutst van links naar rechts en draaide zijn eigen naar alle kanten henen. Hij speurde niets dan blauwte en zonlicht, niets dan versche velden en jongen groei. Een wijle peinsde hij: „Ik heb wis gedroomd!" Tot hij de druppels aan zijnen knevel voelde.

    „Heilige Maria!" riep hij, „Moeder Gods! Wat is er met Kaproen gebeurd? Hij heeft uit Uw Godsmoederlijke handen te drinken gekregen, en zei niet éénen keer: Ave Maria. . ."

    Zijn lippen begonnen te beven en zijn knieën te knikken. Hij liet zijn vlas in den steek en liep roepende den Elshout in. Hij viel midden op den weg voor den brevierenden pater op de knieën, als eene die biechten wilde, en hijgde: „Ik heb Ons Lieve Vrouw gezien! Ze schepte water uit den moddersloot op de Gaers, en 't was klaarder dan 'tgeen gij gebruikt in de Mis aan den outer!" „Als dat zoo is", zeide de pater, die in zoo'n zaken voorzichtig was, ,,dan zal Ze 't niet laten bij éénen keer."

    Pauwel Kaproen ging dien zelfden dag heel Drunen af en 's avonds zat hij midden in zijnen herd voor de zooveelste keer te vertellen aan boeren en boerinnen, aan durskes en knechten, hoe Ons Lieve Vrouw er uit zag. Sommigen durfden hem niet meer aan te raken, en keken naar hem als kwam hij uit den hemel.

    Doch ge had zijn eigen oogen moeten zien, toen hij den anderen morgen weer naar zijnen akker ging. Van wijd weg zag hij hem tusschen het lage groen der voorjaarsvelden blond-goud blinken. Hoe dikwijls hij onder het naderen zijn oogen wreef was niet te tellen, en toen hij vlak bij zijn doening stond, en mee zijn bonkige handen het slanke vlas aaide, dat in éénen nacht gegroeid was en gerijpt, begreep hij er niets meer van. Van al de hoeven en de huizen, en van de kasteelen van Haastrecht en Wijk en Heusden, zijn ze dien dag komen kijken. Ze zongen er in den nanoen gezamenlijk vele keeren het Magnificat, en de pater ging hun voor, in een helder koorkleed. Ze trokken als maar rond het rijpe vlas van Pauwel Kaproen. En toen de zon onderging, riep Kaproen, midden in den schoonen preek van den pater: „Volk van Drunen en Elshout! Ik sta mijnen akker af en bouw er een fraaie kapel, de Moeder Gods ter eere!"

    Zóó begeesterd was hij.

    Dat dit waar gebeurd is kunt ge vandaag in den Elshout nog zien. Want — gelijk de pater zei: „Ze zal 't niet laten bij éénen keer !" — schept Ze daar heel het jaar door, en meer bizonder in den tijd als het vlas wordt gezaaid, en in den bloeienden Mei, wel geen water, neen, maar wat beter is: genaden en bijstand uit de onuitputtelijke bron van den hemel…..

    De mulderknecht van Fellenoord

    O. L. VROUW VAN FELLENOORD

    Toen Ons Heer de rivieren gordelde rond de Brabantsche vlakten — blauwe slingers neven heidebloeisel en lissengroen — sierde Hij mee welige bochten de dartele Dommel en schiep eenen rijzigen canada uit het zand van de Meyerij.

    Zoo zongen de zoomen van deez' rivier het slapende zaaisel wakker en rezen op den rand de rijen geboomte, — glimlach van een stroef zandgewest.

    Tusschen het blinkende groen miek de mulder zijn molenrad en de drift van de Dommel dreef het meel uit het graan.

    De boorden van de Dommel vlokten van 't schuim door het wielgewentel der watermolens. De mulders wierden rijk en hielden knechten die trouwden mee mulderinnen. Zoo draaiden de wielen op trouwen en graan en was er het werk een dagenlust.

    Omtrent honderd jaar geleden stond ne bruin geblakerde muldersknecht tusschen het saamgedreven vuil vóór het molenrad te polsen op den Eckhart te Woensel. Temidden van stekken en groensel stiet zijn spaan op een eikenblok. Het blonk van uchtendzon en leek op het lijk van eenen mensch. Uit de kolken van de Dommel kunt ge veel verwachten, maar toen de muldersknecht het hout bekeek en zag hoe het 'n beeld was van de Moeder Gods, hoe de gesneden kleedij verweerd was en de gratie van haar gezicht was weggespoeld, hoe het Kind zijn hoofd omtrent kwijt was, zoodat het lang, wel tweehonderd jaar in 't water zou hebben gelegen, kreeg hij schrik om 't weg te gooien en liep er mee naar de muldersvrouw. Dat was een braaf mensch. Want zij wiesch het beeld zuiver mee groene zeep en zand en sierde het mee 'n oude falie en geribbelde kaarsen. En de mulder, die zwaar ziek lag, genas van het bidden tot Maria onder de falie, zoodat zij een kostbaar erfstuk wierd tot den kleinzoon toe. Maar in diens dagen goot men voor de parochie gaaf gestemde klokken en droeg het volk mildere gaven bij dan eieren en een ribbestuk. Zoo bracht de kleinzoon van den mulder de verweerde Maria, en iemand die het goed meende, streek haar glad mee veelkleurige verven.

    De Dommel dartelt door een vruchtbaar land! Want stroom open nederwaarts gaan sindsdien de menschen naar de nieuwe kapel van Fellenoord en dragen Maria’s zegen mee naar de fabriek of 't boerenhof.

    De duivelin en de meidoorn

    O. L. VROUW VAN HANDEL

    Lang eer Sint Willibrord in Bakel kwam, zwierf door deez' contrijen een duvelsmoer, die door haar eigen jongen was weggedreven uit den helleoven, teneinde vrijer beesterij te kunnen misdrijven mee de verworpen zielen, welke er dagelijks 'nen halven dag geroosterd wierden en twaalf uren in zoutpotten zaten om gedurige pijn te bewaren. Overal waar de duvelin haar heete wreven zette schroeide groeisel en grond. Op zeven meters afstand verkoolde het hart in de boomen onder haren asem. Zij slofte van 't een ven naar 't ander om haren eeuwigen dorst te laven, maar rond haar henen wolkte alle water schielijk omhoog, zoodat het ook nooit regende waar zij liep. Menschen die haar bezagen verdroogden in hun hersens, weshalve het land van Bakel sedert onheugelijke dagen wierd aangewezen voor schaars in verstand en schraal in groei. Maar in den tijd van Willibrord, toen ter plaatse de kerspelkerk wierd gebouwd, kon de duvelin haar blikken niet naar de wijdtes wenden of zij zag het torenkruis steil uitsteken boven de mastebosschen. Dan priemden haar gele oogbollen vol prikkels en haar spieren krampten samen, dat armen en beenen stonden lijk pezerikbogen. Mee 'nen goren kop wijd voorover, als ging op haren rug de heele misérie mee, zocht zij daaromtrent de vlucht naar het Noorden en om haren brand te koelen aan bevroren zielen.

    Het land achter haar lag uren breed verzand en alle masten stonden zwart en zonder naalden. Alleen, en niet wijd van Handel, bloeide nog wit en welig 'n Meidoorn-boomke. Dat had zij vergeten te beasemen. Seffens wist al 't volk van den omtrek deez' bloemen staan. Zij groeiden gedurig bij en te Kerstmis was het boomke heller wit dan de sneeuw.

    Zoo wilde jaren nadien 'ne scheeper van Gemert 'nen twijg snijden om zijnen jas te sieren — hetgeen nooit was gebeurd — daar alle bloemen zorgvuldig vergaard wierden voor de kerk van Bakel. Toen hij derhalve zijn mes tusschen het blank gebloemte zette, zag hij zienderooge uit honderd blaaikes tegaar een beeldeke groeien, Maria mee het Kind. Het bleef hangen aan den twijg, die boven beiden henen stak.

    Wat zou 'ne scheeper doen, dan mee eelthanden op zijn harde dijen slaan en groote oogen zetten en 'nen open mond?! Toen hij omkeek zaten al zijn schapen geknield. „Mirakels! Wat mirakel!" dacht hij en zat van consternatie liep hij Bakel af en Gemert en Handel, zingende van Driekoningen, omdat hij geen ander lieke wist. Maar als uit drie koninklijke dorpen ging het volk van heel den omtrek dien middag achter den scheeper mee, om te zien hoe Onze Lieve Vrouw uit blanke bloemen was komen groeien. Zij telden penningen bijeen voor een kapel, die zeven minuten dichter bij Gemert 't hendigst zou staan. Edoch de ossen, die de bouwstoffen trokken, wilden niet verder dan den doorneboom.

    Wijd in 't ronde was nergens water. Mee lastige jukbakken moesten de bouwers naar de boerenputten gaan. Maar op 'nen morgen, toen weerom de metselaars kwamen, zagen zij Onze Lieve Vrouw vlak voor 't boomke bezig mee 't wasschen van Jezus zijn kleedje. Zij liet het uitdruppen in de zon en 't werkvolk dorst niet te naderen aleer 't heel en gansch droog was. Toen vonden zij eenen klaren put van twee meters diep, wiens water eigenlijk veel te lekker was om er voegsel mee te mengen.

    Dit stichtelijk gebeuren is eeuw op eeuw door wonderlijke gunsten bewaarheid. Want van stond af aan is het volk uit vele vertes gekomen naar Onze Lieve Vrouw op het Stokske, zooals weleer gezeid wierd. Op vandaag is de Meidoorn uitgebloeid, maar malscher dan bloeisel gaan in Handel de knoppen open van milde genaden en weelderigen zegen!

    De Alderliefste van den leekenbroeder Wouter

    O. L. VROUW VAN DEN BOSCH

    Toen broeder Wouter tijdens de Goede Week van het jaar 1381 den steen van ‘s Heeren Graf, — die tijdens de Ommegangen wierd meegerold — op Witten Donderdagnoene proper geschrobd voor het Heilig Sepulchrum had gewenteld, stiet hij mee zijnen klomp een houten beeldje om, dat onder voor den outaar stond, temidden van deftig gekleede santen. Want het volk van den Bosch zette jaarlijks zijn huisheiligen te waken bij het Graf van ons Heer. Zoo had ook de timmermansknecht uit de Hinthamerstraat zijn leelijk Lieve Vrouwke, dat hij tusschen vermolmde bakken had gevonden en eerst liever verbrand had, bij het schoon gesierde graf gebracht. Maar broeder Wouter zwikte er

    bijkans zijnen enkel over, en zonder bekommeren dat het niet zijn eigendom was, schopte hij het van de treden, waar hij het nadien opraapte en ter sacristije bracht. Den komenden nacht, terwijl hij moest waken bij ons Heer, meende hij vanuit de sacristij een herhaald gesnik te beluisteren, zoo dat hij zoekende weer over het beeldje viel. ,,'t Is of 't den duivel is!" wilde hij hij zeggen, maar zijn devote ziel kreeg schielijk respijt over deez' gedachte.

    ,,Ge kunt het niet helpen, Maria" sprak hij toen „dat iemand het gewaagd heeft uit zoo'ne knokerigen knoest uw schoon gezicht te snijden. Maar voor 't Graf zijt ge toch te leelijk. Ik zal U bergen neven Sint Michiel!".

    Dierik van Loet die bovenkoster was, zei dien Paaschmorgen tegen broeder Wouter: „Alleluia, broeder Wouter, mogen de dooden spoedig verrijzen! Maar als gij dien houtblok neven Sint Michiel hebt gezet, zou ik hem seffens weghalen, want de menschen kunnen niet bidden vanwege 't schandalig gezicht!" ,,Alleluia, heer Dierik, en zooals ge zegt!" antwoordde broeder Wouter. Maar na tien minuten kwam hij

    terug: „Of 't een mirakel is, ik weet het niet, maar ik kan dat ding niet meer heffen!" Nog dien zelfden morgen kreeg Meester Jan van Vlijmen dispensatie om het beeld wat op te schilderen, doch omdat hij wist dat broeder Wouter geen geld had, kwam hij niet.

    „Gaat gij maar eens kijken!" zei hij tegen zijnen zoon. Maar broeder Wouter, die door de wonderbare zwaarte, de macht van Maria tastbaar ondervonden had, drong zoo met gewijde woorden aan, dat de zoon van Meester van Vlijmen eenige kwasten geel streek over de wangen van Onze Lieve Vrouw, waarna broeder Wouter mee een busselke uit den wijwaterskwast het gansch gezicht poogde te fatsoeneeren.

    Sedert dien besteedde hij al zijn vrije uren mee zoeken en denken, hoe hij Maria verfraaien kon en vond in de Orthensenstraat temidden van spelende kinderen 't Kindje Jezus, dat Onze Lieve Vrouw van haren arm verloren was. Tegen de Meimaand vroeg hij juffrouw Oda om van eenen reep witgebloemde stof eenen passenden mantel te knippen. Maar juffrouw Oda, die ijdel was, borduurde alleen voor het tabernakel en dingen die blonken als goud. Mee goudgaren uit eenen versleten kazuifel reeg broeder Wouter toen zelf een kleed aaneen, en zette 't beeld, dat voor hem weer licht was geworden, meer in 't gezicht neven Sint Martinus.

    Maar de menschen van den Bosch gekten ermee als mee 'n wezen uit den karnaval, en op eenen morgen teekende een burger twee houtskooloogen in 't geel gezicht, en een poorteresse riep vanaf den wijwaterbak: „Jénderres! Wat is dat beeld geel!"

    Doch toen dacht Onze Lieve Vrouw den tijd gekomen, om de zorgen van broeder Wouter openlijk te beloonen teneinde de Bosschenaars te dwingen tot een andere meening. Want den hierop komenden nacht verscheen Zij aan de poorteresse en zei: „Waarom hebt gij gezegd dat ik leelijk ben? Ik, die in de hoogte der hemelen schoon ben bij den Vader aller schoonheden! Neem tot mij uw toevlucht om uw lijden te boven te komen en het eeuwig leven te verwerven!" En ter kerke gekomen offerde de poorteresse achttien gulden en vijf en zeventig cent.

    Een andere vrouw, die dat zag, sloeg lachend op haren wijden schoot en riep: “'t Lijkt wel of Onze Lieve Vrouw de geelzucht heeft! We zullen haar zout geven”.

    Maar de macht van Maria was openlijk begonnen en van eenen schielijken val kermde zij veertien dagen in 't bed. Broeder Wouter, dit alles vernemende, wierd zoo verheugd van ziel, dat hij zeven dagen niets anders spreken kon dan „Ave Maria". Toen gebeurde de eerste genezing mee Hadewijch, die lam was, en het volk van den Bosch bad broeder Wouter na.

    Juffrouw Oda offerde zeventig gulden en iedereen tot wijd weg uit Brabant kreeg vreeze en liefde voor de Zoete Moeder, die schandelijk miskend, door de volgende eeuwen heen mee onbegrensd vertrouwen en genegenheid zou worden vereerd.

    Boom in de Kempen

    O. L. VROUW VAN MEERVELDHOVEN

    Toen God deez' aarde boetseerde tot een beeldsel van Zijnen innerlijken rijkdom, legde Hij de landen tot een snoer van schoonheden, waaraan kleine en groote parelbeiers levendig wisselen. Aan de konstige tooisels der schepping hechtte Hij de keten des Levens, zoodat zijn creatie als een wondere paternoster is, die dagelijks voortschuift tusschen Zijn eeuwige vingers, van begin naar einde. lederen dag glijdt de wereld voor Gods oogen rond, en ziet Hij de schittering en de vlekken der parelbeiers, de broederlijke samenhechting en de verwarring der levensketen.

    lederen dag is God bij Zijn schepping, gelijk Hij dat was in den eersten morgen. En waar het vruchtbaar is deez' wereld te verrijken, voegt Hij nieuwen zegen bij. Zoo blonken landen in de wisseling der tijden boven landen uit. Zoo was Brabant ooit de trots van West-Europa.

    Van de Sint Goedele tot het Steen, van de Sint Jan tot de Sterre der Zee beitelde het volk zijn welvaart tot een beeld, dat aan de kunst der volgende tijden tot rijk exempel bleef.

    Dit land is door Ons Heer gezegend. En zijn Kempen niet minder dan de Maaskant, of de weilanden in ‘t Westen en de heuvelende contrij naar Vlaanderen.

    In beeldenstorm en zielsverdwazing bewaarde dit volk in zijn hart het heiligdom waar de ex-voto's der traditie getuigen van grootheid.

    En de Maria's van Brabant, die t'allentwege wonen, blijven gehecht aan de simpele behuizing temidden van oprechte menschen. Rond Scherpenheuvel, de grootste, liggen de Mariaoorden als wakkere sterren wijd in 't ronde. En Meerveldhoven is er een der schoonsten van.

    Want bezijden in de kerk rijst een stoere eikenboom mee zilverharten voor blaarsel rontelom de Moeder des Levens, die de vrucht van Haren schoot aan iedereen te plukken biedt.

    De boeren uit de Acht Zaligheden en de boerinnen op de huifkarren, trekkend uit de zanderige Kempen, hebben nooit anders geweten of in deez' kapel zit ge dicht bij Onze Lieve Vrouw.

    Maria ter Eik heeft haren zegen geworteld in de kleinste hut tot in de diepste mastebosschen. Haar mantel is er wijd als de blauwte der zomerhemels, de zoom van Haar kleed breeder dan de heivlakten rond de schemerbosschen, en de geslachten die eeuw op eeuw tot Haren tempel togen, hebben Maria's bijstand geborduurd op 't landenkleed en den hemelman tel. Grond en hemel is in 't Kempenland aaneengegroeid door roem en lof aan Maria ter Eik.

    Iederen dag wentelt de Voorzienigheid het snoer der schepping door Haar handen, maar iederen dag legt Zij op de parelbeiers der Mariaoorden een milden lach en zekeren zegen.

    Menschen hebben hier vernield en afgebroken, stormen verwoest en neergebeukt, branden hebben gewoed en vervolgingen gemoord, maar immer terug kwamen de bewoners der Kempen, — vasthoudende menschen, — die nooit gedoogen dat de boom, waaraan zooveel zegen groeide, wordt weggehakt uit land en leven.

    De simpele scheeper

    O. L. VROUW VAN OIRSCHOT

    Daar kon Loere Janus ook niets aan doen dat hij op zijn zestigsten Pinksteren niet wijder kon tellen dan twaalf. Hij was van kleins af scheeper geweest en had zijnen Zondagschen uitgang verdiend mee het breien van wollen hozen voor de boerin van 't schaapskot. Maar bij Ons Heer stond hij in hoogen tel. Want als Janus mee zijn schapen de groote hei op ging, waar ge toen 'nen dag kont loopen zonder eenen toren te zien, hing hij eerst zijnen jas binnenste buiten aan eenen nagel en bad twaalf weesgegroeten voor de twaalf prentjes, welke hij aan de voering had genaaid. En onderwege deed hij hetzelfde in de noene en tegen den avond. Zoodat nog lang na zijnen dood het vertelsel ging, dat ge aan schaarsche masteboomen van de Oirschotsche hei kont zien, waar Loere Janus zijnen jas had gehangen die zwart waren en vermolmd was hij voorbijgegaan. In 't octaaf van zijn zestigsten Pinksteren, toen de brem geel stond en de hei begon te doppen trok Loere Janus mee zijn schapen, zoo tusschen gaan en staan, het zonneveld in. Af en toe bleef hij tegen zijn eigen staan praten over wind en droogte. Dat deez' onbegrensde hei lijk eenen purperen koningsmantel het nobele Brabant siert, was voor hem zóó vanzelfsprekend, dat hij er nooit aan gedacht had tegen iemand te zeggen hoe schoon zijn tochten waren. Hij kende de hei haar heele gedraging, in alle getemper van wolken en schemer, onder zengende zon en mildere maan; aan haar lucht kon hij zien wat Jaargetij het was en de sneeuw van die vlakte bracht haas en belevenis.

    Daarom trok Loere Janus mee zijn gezicht naar de bussels het zonneveld in en dreef zijn vee in 'nen bocht naar de Aa. Daar loopt het water maar 'nen enkel diep en drenkt hazelaars en eikenboomen. Regelmatig kwamen de scheepers van de contrij daar 's zomers in den middag tegader om 'nen slaap te doen in 't gras.

    Zoo waren ze gedrieën dien dag van 't Pinksteroctaaf en baden mee toen Loere Janus zijnen jas binnenste buiten hing. Doch toen hij was opgestaan en zijn hozen uit had om zijn voeten te verschen, trad hij mee zijnen wreef op eenen kantigen blok onder het zand. Hij schaarde hem mee zijn teenen los en greep ernaar om 'm weg te gooien. Maar bukkende zag hij dat het een beeldje was, een beeldsel van Maria mee het Jezuskind.

    En gedrieën, simpele scheepers, vergaten zij hunnen slaap en gisten tegen mekaar waar het vandaan zou komen. Tot Loere Janus eenen schoonen eik uitzocht, waarin hij het nederzette, als tusschen eenen

    sierbos van malsche blaren….. Sedert dien dag gebeurden daar wondere dingen. Devote lieden bouwden rontelom den eik een steenen kapel, die in 1649 wierd afgebroken.

    Andermaal kwamen de herders der omgeving en mieken van zoden en plaggen een schamel dak, Maria ter eer. Van den eik sneden zij Madonnabeeldekens en iemand anders maakte 'n schoon tableau van Loere Janus, die het beeldje vond. Dat tableau kunt ge op vandaag nog zien in het kerkske dat er opnieuw wierd gebouwd, en waar Maria van den heiligen eik, mee heuren schoot vol zegen zit te wachten op het volk van Brabant.

    De zilveren bruiloft van Annemieke

    O.L. VROUW VAN OISTERWIJK

    Van ouds af aan ligt Oisterwijk als eenen weligen hof mee schoon geboomte en blinkende waters tusschen den bremrand van de breed omringende hei, die 's zomers als een gouden lijst het levend tableau van Brabant's sierlijkste dorp houdt afgesloten. En was Onze Lieve Vrouw niet zelf in den fluweel beblaarden linde gekomen, dan had het volk Haar wel in Oisterwijk gebracht, want de menschen van Brabant hebben bij de klaarste bronnen en de breedste boomen overal Gods lof gezongen, en liever nog dan eenen Kruis Lieven Heer, t'allentwege de moederlijke schutse van Maria's beeltenis geplant. En in Oisterwijk woont Onze Lieve Vrouw zoo gaarne, dat Zij om Haar weldaden er den lofnaam kreeg: „Maria van Mirakelen".

    Zoo is 't gebeurd mee de tweede vrouw van Leonardus Laurensz, en mee vele anderen, maar 't mirakel rond de zilveren bruiloft van Annemieke, die tweede vrouw, werd eeuwenlang door grootmoeders oververteld.

    Toen Leonardus, zoon vanLaurens, die getrouwd was mee 'n dochter van den Langen Loer, zooals gezegd wierd, na zijn vijfde kind zijn eerste vrouw verloor, bleef hij twee jaar in den rouw en huwde toen mee Annemieke van den bakker. Acht jaar achtereen maakte Ons Heer onder de zorgen van Laurensz 'n kraakhel kinderzielke bij, zoodat ze ten leste mee vijftiene rond de aangestukte tafel zaten. „Krek 'nen heele rozenkrans, of drie rozenhoedjes!" zei Annemieke, en 's avonds baden zij tegader ieder 'n tientje voor, tot den kleinste toe, die nauwelijks praten kon. Jaren achtereen ging het goed achter de deur van Laurens, alleen de oudste zoon bleef 's Zondagsavonds geregeld te lang in Tilburg, zoodat hij den rozenkrans niet mee kon bidden, ja voor 't volk van het dorp 'ne vreemde werd. ,,'t Is mijn oudste, dacht Laurens, en daarbij iedere scheeper krijgt bijtijden 'n donker schaap!" Ze waren content gezond te kunnen tobben voor al deez' kinderen, die groot geworden, wijd buiten Oisterwijk de naam van Laurens en Annemieke zouden uitdragen als van twee menschen, die den korten dag van hun leven mee den schoonsten plicht hadden gevuld.

    Doch in het twintigste jaar van haren trouw, toen eenige kinderen getrouwd en de anderen aan 't vrijen waren, kreeg Annemieke een gezwel rond haar oogen, dat mee de week donkerder wierd en ten slotte zwart openging. Geen dokter uit heel Brabant kon Annemieke helpen, want iedereen zei: ,,'t Is de kanker, en daarvan geneest ge niet!"

    Toen zij allerhande geprobeerd had, en te voet naar de Achelsche Kluis was gaan loopen om zalf van broeder Crispinus, toen zij na vier jaren heel en gansch blind wierd, wat wel erg zwaar viel voor Annemieke die veel kinderen te zien had, zei haar jongste dochter, die voor haar moeder een groote bewondering had: „Zouden w'eens niet probeeren bij Onze Lieve Vrouw van Mirakelen?"

    En aan den arm van haar dochter ging zij negen eerste Zaterdagen van de negen opeenvolgende maanden naar het beeld uit den lindeboom. En iederen keer bad zij: „Als 't me zalig is Maria, maar ik heb vijftien kinderen zoolang ze thuis waren, iederen avond op U hun oogen doen richten. Is 't teveel dat ik ze nog 'nen korten tijd kan zien, voordat ik sterven zal?" Den negenden Zaterdag viel precies op den vijf en twintigsten trouwdag van Laurensz mee Annemieke. t Was kwaad doen een blijdschap te vieren gelijk er gehoopt werd tegen alle hoop in.

    Maar alle vijftien de kinderen, en die getrouwd waren, mee hun vrouw, gingen dien negenden keer mee Annemieke en Laurensz naar Onze Lieve Vrouw. En toen ze zoo tegader, ouder gewoonte weer ieder een tientje voorbaden van den rozenkrans, en Annemieke haar tranen zeer deden in haar zeere oogen, slikte ze ineens haar keel toe en riep: „Maar keinder! ik zie... ik zie!"…

    Ja, zeggen de menschen van de streek, Annemieke was toch maar een doodgewoon mensch. Maar Onze Lieve Vrouw deed voor haar een mirakel. En dit is voor Maria lang niet zoo'n zwaar werk dan vijftien kinderen groot brengen in de vreeze Gods.

    De nieuwsgierige Pastoor

    O. L. VROUW VAN OMMEL

    Tegen den Vespertijd van eenen Goeden Vrijdag, den hoeveelsten sinds Ons Heeren dood staat niet beschreven, grendelde de pastoor van Ommel een oud tabernakel dicht, waarbinnen hij n beeltenis had geborgen van de Moeder Gods. Hij stopte den sleutel in zijnen beddebak, doch kroop zelf in eenen biechtstoel, nieuwsgierig of er iets gebeuren zoude.

    Want er wierd verteld, dat 'ne boer dit beeld aan het hek van zijn wei had gevonden, en hoe het, door den koster in de kerk geplaatst, weer zelf was terug gewandeld. Maar de pastoor van Ommel, die zijnen dag beleefde volgens de heilige evangeliën en zijnen nacht passeerde mee droomen over den zielenakker zijper menschen, die den aanvang van de jaargetijden zegende mee wijwater en op den preekstoel vertelde over de wijdsche museumhal van 't geluchte, waaronder het menschdom wordt ingelijst in waarheid of leugen, de pastoor van Ommel, die kunstenaar was in het geestelijke, wilde niet gelooven dat hetgeen verteld wierd, waar was, vóór hij 't had gezien mee eigen oogen. Hij wachtte van den schemer naar den donkere. Toen hij uren had gezeten zonder iets te speuren — vóór het oud tabernakel flakkerde een tientje van kaarsen — dacht hij bij zich zelve: „Hoe kan ik zoo wreed zijn en de Moeder Gods weerstreven als Zij buiten wil?!" En zuchtende trok hij de zware deuren vaneen onder den toren. Een lekkere lucht woei van buiten aan.

    „Waarom houd ik ook dat tabernakel gesloten?" sprak hij rond den twaalve en haalde uit zijnen beddebak den sleutel. Maar zoodra hij het deurke opendeed en zag hoe het mee fluweel bewande kamerke leeg was, toen hij mee bei zijn handen tastte, heel diep, en niets voelde dan bodem en hoeken, liet hij zijn kerk in den steek en liep wijdbeens de donkerte in, naar de wei waarvan de menschen vertelden.

    Halverwege zag hij eenen boom staan als in den zomerdag, mee blâren en fluitende vogels. En onder tusschen boterbloemen en gras zat het klein Lieve Vrouwke uit te rusten van den hobbeligen weg. Mee haren vinger deed zij teeken haar te volgen, en op zijn knieën kroop de pastoor achter Maria aan tot het hek van de wei.

    Jan van der Haven, de koopvaardijer, die mee ijzer voer naar de Leverzee, heeft omtrent 1400 dit gebeuren geaffirmeerd. Want toen hij eens te water was en dagen dobberde zonder wind, zoodat hij den hongerdood zou sterven, droomde hij van de Madonna van Ommel, waarvan hij nog nooit had gehoord. En iemand zei: „De Wind zal waaien, wanneer ge mij vereeren gaat!" Jan van der Haven had niet beter kunnen droomen. Want zijn schip ging mee met den Zuiderwind. Eu toen hij Ommel had gevonden, had hij goud medegebracht om de beeltenis kostbaar te vergulden. Maar Ons Lieve Vrouwke wilde daarvan niet weten, en van geenen verf en niets. ... Haar gezicht is veel schooner dan goud en zachter dan kleursel. Daarom was het goud en de verf iederen morgen verdwenen en besloot de koopvaardijer zijnen dank te bewijzen in den bouw van een heiligdom. Want het arme volk had niets kunnen bekostigen dan het onderhoud van t houten kastje tegen 't hek van de wei, door den pastoor daar gehangen sedert den nacht dat hij de eerste beevaart deed op kruipenden knie.

    Jan van der Haven heeft eenen voortreffelijken stoet geopend. Want op het zand van Brabant leven de luiden op schaarschen zegen. Maar ook op het zand van Brabant is de droom gekomen, de wensch van Ons Heer: „De wind — haar zegen — zal waaien, wanneer gij Haar vereeren gaat!"

    Winus Monkels

    O.L. VROUW VAN TILBURG

    Diep onder den zompigen grond van De Hasselt staat mee de armen in de hoogte en krom als van eenen gebochelde, het geraamte van Winus Monkels, en boven zijnen schedel drukken de fundamenten van de Lieve Vrouwe kapel. Want vierhonderd jaar geleden, toen 't er allemaal moer was en wildernis, kroop Winus Monkels iederen uchtend in zijn donkere hut, en kwam er niet uit voor den avond hem in de duisternis verborg. Dan hurkte hij achter brembosschen of vlierenhout en maakte mee zijnen spitsen dolk tooverteekens over de vlakte, tot er menschen neven kwamen, die hij door hun ribben stak om hun beurs te rooven. Zoo is 't ook gebeurd mee 'nen edelman, die  over de aardsche wegen ging aan de hand van Onze Lieve Vrouw. Want toen Winus Monkels dezen braven mensch bij de keel greep, stuurde zij in de gedaante van struische mannen, twee aartsengelen om den edelman te bevrijden; zoodat de struikroover van De Hasselt uit consternatie mee zijn armen omhoog in het moer vluchtte, en vier meter diep verzonk. Sedert dien dag steeg uit het ven een benauwende lucht, en op de plaats waar Winus was verzonken bleef geenen kikvorsch in leven. Doch de edelman, die maanden nadien van zijn verre reis weerom kwam, mee vijfhonderd gouden ducaten, gaarde van wijd in t ronde de boeren bijeen, en liet hen zand varen van de Oirschotsche hei om de Wijers te dempen, en steenen te bakken voor den bouw van een sierlijke kapel. En Winus Monkels, die vier meter diep in zijn naakt geraamte stond, waartusschen zijn ziel in gedaante van eenen vetten wurm tot den laatsten werelddag moet blijven dolen, kreeg op zijnen schedel den last te torschen van een kapel, die meestentijds vol zou zijn van devote menschen.

    Had hij kunnen bewegen, de fundamenten waren in eenen dag vernield. Maar omdat van sjagrijn de tanden uit zijn doodshoofd vielen stookte hij den duvel op niet te gedogen dat die Mariakapel boven zijnen kop zou blijven staan. En daarom is 't gebeurd dat zij in 1743 gedeeltelijk ineenviel. Doch als ge verdoemd zijt hebt ge ook den duvel niet tot vriend. Zijn helsche influistering deed de kettersche regeering de kapel verbouwen tot 'n weverswoning, waar Lauw Jonckers uit Oisterwijk in 't jaar 1754 aan 't getouwe ging. Veertien dagen na zijnen intrek liet hij boven den deurpost verven: ,,In de groote misérie". Want veertien dagen had hij van schemer tot schemer geweven zonder een half el stof te speuren. En als Winus Monkels nog een tong had gehad, zöu hij gezegd hebben: „Lauw Jonckers weeft zijn eigen ongeluk.... Ga weg, Lauw Jonckers!" Want bij elk schot van de spoel rilde Winus zijnen ruggegraat, zoodat heel 't gebinte daarboven kraakte en de muren bewogen. Van vrees en armoe heeft Lauw Jonckers zijn getouw in den steek gelaten, 't Was de beste wever in den omtrek, maar tegen Onze Lieve Vrouw, die 't zoo beschikte, kan ook 'nen wever niets, 't Moet voor Monkels een zwaar temptatie zijn geweest toen de Kalvinisten in 1794 boven zijnen kop begonnen te dansen en van de weverij een biertaveerne mieken. Voor marteling mocht zijnen geest daar 'savonds heimelijk dolen. Joris Borre, die den vedel speelde, hield geen snaar heel op ieder instrument en de schalmei van Peer Grynt zwierf den eersten avond, vanuit zijn handen langs het plafond naar buiten. Het bier smaakte lijk zeepwater mee zout, en de schoon meiskens kregen als ze den rechterkant uitkeken een klap, zoodat ze iederen avond mee hun vrijers vechtens naar huis keven.

    Niemand wist dat het de geest was van Winus Monkels, maar langer dan een octaaf heeft de toeloop naar de taveerne niet geduurd.

    “'t Is er behekst!" schreeuwden de Kalvinisten.

    Doch het katholiek landsvolk wist beter, en wachtte tot de Franschen kwamen, die in 1795 het onteerde heiligdom in eere herstelden. Sedert dat jaar is Winus Monkels zijn geraamte nog krommer gebogen, zeker als hij was niets te kunnen beginnen tegen de vasthoudende devotie der geslachten, die zich boven zijn hoofd voorbereiden tot de eeuwige zaligheid.

    Het blinde dochterke van Dirck Dirck

    O. L. VROUW VAN UDEN

    Rond Ravenstein riekt de zomer naar lindebloei en haakt de herfst strakke nevels aan het hout, die uitwaaien boven de polderige Peel, waar Dirck Dirck vandaan was mee zijn twaalf jongens en durskes.

    Hij huisde onder plaggen halverwege den grond en stak overdag zwaren leem. 's Avonds blonk zijnen knevel van een stukske spek en 's nachts had hij veel te stellen mee zijn jongste wicht, dat ieder jaar mee 'n ander wisselde. Toen het vijfde tusschen de schaapswol in den aardappeltimmes lag, stierf zijn vrouw aan miserie en pleuris.

    Anderhalf jaar lang stak hij leem mee zijn gezicht naar den toren van Uden, bezijden het kerkhof, tot hij ‘nen dag in 't vroegjaar de weduwe Hannemie zag sjouwen mee haar vier durskes op den kruiwagen.

    „Dirck, riep ze, ik zou er nog wel vijf bij kunnen varen!" . „Dat zullen we samen tegen den pastoor zeggen!" dacht de weduwman ; en als hij ordentelijk weer getrouwd was, wierd de aardappeltimmes nog drie keeren gevuld mee wol.

    Toen de plaggenhut van Dirck Dirck lijk eenen biekorf gonsde van het leven, gebeulde het dat Hannemie een gezicht te kort kwam om op de gedragingen te letten van den trossel kinderen. Zoo kreeg 't Marijke in haar vijfde jaar iets aan haar oogen, waardoor ze van eenen kant niets meer zien kon, terwijl haar ander oog overal door schemer keek.

    Te voet, neven haren vader toog ze naar den Bosch tot een zeer geleerden oculist, die bevond hoe het een oog misschien te verbeteren was, doch het ander verloren bleek. Doch hopende ging de vader naar Alheer van Gestel in Rooy. „Ik kan U wel een ducaton of drie uit den zak lokken", sprak deze, „doch uw kind is niet te helpen!” En Joannes Verschuijl, pastoor in Best, die als zevende zoon zijner ouders, volgens de meening dier dagen onfeilbare remedie's kende tegen alle kwalen, legde de negendaagsche boetgebeden op, welke echter in geenen deele het gezicht van Maryke verbeterden.

    Toen dacht Hannemie aan de mirakels van Uden en hetgeen verteld wierd over O. L. Vrouw, wier beeltenis eeuwen geleden gevonden wierd aan eenen breeden lindeboom.

    Op den 21 sten Augustus 1695, zeggen de akten, 's Zondags na Onze Lieve Vrouwe Hemelvaart, woonde zij mee Marijke de Vespers bij in de Mariakapel en beloofde dat zij het tegen iedereen in de Peel zou gaan vertellen als Marijke haar gezicht terugkreeg. Hannemie kon niets voor den offerblok missen, maar zei tegen Ons Heer dat ze haar eigen heel en gansch afstond aan twaalf jongens en durskes, en aan haren Dirck die in den leemkuil stond. Ze zei zoo van allerhande, en dat ze altijd content zou blijven in alle misérie, als 't Marijke maar genezen mocht.

    Ai, ziet! .… toen ze mee droomoogen vandaan opstond en tegen haar durske zei: „Kom jonk, ga de mee. ..toen ze dacht: „het zal ons niet zalig zijn!" en het beeld groette, mee: „Ge kunt al wat ge wilt, waarom doe de 't nie?" …..            ai!, toen riep Marijke: „Moeder, de zon schijnt in mijn oogen!"

    Hannemie viel vlak voorover en begon zoo hard te bidden, dat de kapel vol menschen liep..... Veertig jaren later droegen zeven Kruisheeren Hannemie en Dirck Dirck tesamen naar het kerkhof. De een was gestorven, omdat zij den andere zag doodgaan. Achter de zeven Kruisheeren, de zeven zonen van den leemsteker, liep Marijke mee haar vier gezusters. Zij was getrouwd mee 'nen kosterszoon. In 't gezicht van 't graf hebben ze allegaar beloofd Maria's mildheid tot hunnen dood toe te belijden tegen iedereen en in al hun gedragingen.

    Hoe de Kruisheeren, deez' belofte hebben gehouden kunt ge zien aan de schoon kapel nog op den dag van vandaag; en wat Marijke heeft versproken zegt in het land van Ravenstein voor Maria's beeltenis het heele volk na: „Ai ziet, de zon schijnt in onz' oogen!"

    De kranke Kalvinist

    O.L. VROUW VAN ZEGGE

    Eenigen tijd voordat de Geuzen den beeldenstorm bedreven, toen Hadrianus van Hilvarenbeek, die later in den Briel wierd opgehangen vanwege zijn standvastigheid in 't heilig geloof, in de Mariakapel te Zegge, te preken stond over de hemelsche geneesmiddelen, en de uitdeelster van dezelven, de Moeder Gods Maria, zat temidden der toehoorders een zieke Kalvinist. Hij was daar gekomen om volgens zijn zeggen „naar het bijgeloof te luisteren van de Papen", en om 't beeldeke der Roomsche Maria, na den dienst heimelijk weg te stelen en op eenen kruisbalk te onthoofden.

    Hadrianus vertelde aan 't volk een zelfgemaakte parabel over de Oirschotsche hei. „Gelijk gij in den heeteri zomer de zon ziet blaken tusschên de heibussels", zoo sprak hij, „en er op heel de vlakte geen spierke te vinden is, dat niet — zelfs tegen wil en dank — aan 't doppen gaat, schoon purper mee klokskes, zoolang 't staan blijft onder de keerende zon, zoo is er nievers ter wereld een mensch, hij zij goed of slecht, die van binnen uit niet beter wordt, wanneer hij blijft blootgesteld aan de mildheid van Maria."

    „Gelijk de ezels eender balken, zeeveren de Papen eeuwig 't zelfde!" gromde de Kalvinist, en spuugde in 't paternosterzakske van zijnen ingeslapen gebuur. Doch zoodra de predikant zijn woorden mee exempelen uit de historie ging staven, wierd de Kalvinist zoodanig vertoornd, dat hij schreeuwkeels mee scheldwoorden begon te razen en haastig herhaalde: “'t Zijn verzinsels!" En ware het niet dat struische boeren hem de armen hielden, hij zoude opgevlogen zijn tegen het preekgestoelte, om Hadrianus, uit wiens keel de gezalfde klanken kwamen, openlijk te wurgen. Maar de Priester Gods, die zeker was van Maria's gedurigen Bijstand, bleef onbewogen, en de geloovigen manend tot kalmte, zei hij mee zekere stem: ,,Vriend, zoo gij ons niet gelooven wilt, verandert dat in geenen deele de waarheid. Hetgeen wij bewijzen, kunt gij echter niet weerleggen."

    „Gij bewijst mee verzinsels!" schreeuwde de Kalvinist. „Ik zal het U toonen mee feiten, hetgeen uw Roomsche Maria vermag. Zie...!" En bij die woorden rukte hij zijnen stadschen boezeroen van zijn bovenborst, zoodat alle menschen zagen, dat zij aan den linkerkant boven het hart zwart was en bloedend van een groote kankerplek. Ieder deed den mond open van verbazing en rekte zijnen hals. „Zie..... ik daag uw Maria uit", riep de Kalvinist wijder, ,,en als het waar is wat gij zegt, dat zij kreupelen heeft genezen, en blinden heeft doen zien en stommen doen spreken, dan zal zij mij" — en hij begon spottend te lachen — „versche ribben geven!" Maar hij had nog niet den tijd om zijn hoofd van de menigte naar zijn borst te richten, of hij voelde de pijn uit zijn zij wegvliegen als iets dat vleugels had, en alle luiden in de kapel zagen zijn linkerzij overtrokken mee nieuw vleesch, en rose als van een pasgeboren kind. Als maar tastend over de gaaf geworden plek bleef de Kalvinist mee staroogen naar het beeld van Maria staren, terwijl het volk processiegewijs mee Hadrianus aan 't hoofd, het dorp introk onder 't zingen van den Litanie en het verkondigen van het groot mirakel. Doch er zijn menschen, die niet gelooven willen. Toen de Kalvinist was weggevlucht uit Zegge liep hij benoorden den Moerdijk weer mee anderen de kerken in om beelden kapot te slaan. Den dag dat hij voor het eerst weer een Moeder-Godsbeeld vond en het mee een knots onthoofde, kreeg hij in erger mate nog de kanker weer. En, wonderbare loop der dingen, toen Hadrianus in den Briel moest worden gehangen, was de kranke Kalvinist de aangestelde beul. Voor Hadrianus was dat een genade ter aanmoediging en voor den beul een gratie, een allerlaatste, en een herdenkenis aan Maria's macht. Maar de beul heeft niet gebogen. Ook in zijn ziel was de kanker te ver.

    Onze Lieve Vrouw van Brabant

    Zoo is Brabant gelijk aan een purper groen tapijt, door de handen van Gods Moeder geweven tot een schoon stuk der schepping, omdat Zij Haren zegen overal heeft doen dauwen over de menschen, die er lijk eenen bussel bloemen prijken onder de Zon van 't heilig Geloof.

    Zoo loopt doorheen dit heele tapijt de guldene draad der fonkelende Mariadevotie, en hangt dit gansche weefsel van land en volk om de schouders der Moeder Gods, die de eeuwen door Brabant gedragen heeft over rechte wegen en waarheid. Zoo blinken op dezen mantel de heiligdommen als ridderlijke eereteekenen, waaromheen de wondere vertelsels gloeien lijk wisselende stralen, duizenderlei.

    Ieder geslacht verrijkt Haren tooi mee de vorstelijke gave zijner zielen, die als van licht-wemelend brokaat Maria's Brabantschen mantel omsieren.

    Van de ridderlijke eereteekenen heeft Onze Lieve Vrouw 'n heel schoon verloren!

    Toen de luisterrijke heerlijkheid van Breda, waar Mark en Weerijs wedijveren om den sierlijksten bocht rond burchten en ranke beukeboomen, om ter felst door de Spanjaarden tegen de Oranjes en den koenen Maurits wierd begeerd, was zij tegelijkertijd een liefderijk omstreden bezit tusschen de Moeder van ons Heer en Barbara de Heilige.

    Want Barbara, die van eenen heidenschen vader, tot de heilige waarheid was bekeerd en onder Maximus in 't jaar 306 den smartvollen marteldood gestorven was, had van Ons Heer de vrijheid gekregen om gevangenen en soldaten mee hemelsche versterkingen bij te staan. De Moeder Gods, die tot den allerlaatsten mensch van deez' wereld Middelaresse wil blijven tusschen den rechtvaardigen God en de zwakke zielen, en die ook Breda binnen in Haren veiligen mantel als een kleinood had gehangen, zoodat de menschen de warmte gewaarden van Haren Bijstand, droeg daaromtrent eenen hemelschen naijver tegen Sinte Barbara, die gedurig waakte boven Mark en Weerijs.

    Barbara wist van de perikelen die komen zouden over deez' heerlijkheid, van de duizenden soldaten tot op den dag van vandaag, en van de moordpartijen onder het Spaansch Bewind. Maar beiden zegenden om ter mildst de menschen der gansche heerlijkheid, zoodat velen niet wisten wie Patronesse der stad mocht heeten, en de lieden in 't verloop der tijden den bouw voltrokken van de twee voortreffelijke kerken, die nog altijd wijd uitsteken boven de Baronie, de Lieve Vrouwe en de kathedraal aan de haven, waar de roem werd bezongen van Barbara de heilige.

    Doch tusschen de tijden van 1568- 1637 toen in negen en zestig jaren de stad Breda drie keeren in handen der Spaanschen viel en drie maal daaruit wierd verlost, toen er langs de boorden van de Mark veel menschenbloed in 't water sijpelde, terwijl binnen de stad de Geuzen tegen de Roomschen vochten, moest de Moeder Gods Haren onbeperkten zegen berouwen. Want velen van de stad wierden trouweloos in hun geloof en hingen de ketterschen aan. Haar goddelijk Moederschap wierd er geloochend, zoodat de haar gewijde kerk in handen kwam der Hervormers.

    Er is een stichtelijke legende, die zegt, hoe Maria op dien dag tegen Sin te Barbara klaagde: „Als ze mij noodig hebben, kunt ge mij roepen, want ik zou gaarne blijven in deez' voortreffelijke stad, maar als patronesse zijt gij nu beter. Want gij zijt groot gebracht onder de heidenen en de barbaren, Zoodat ge de roerselen van zoo'n menschengemoederen degelijk kent. Daarbij, uw naam past schoon, Barbara. Misschien krijg ik mijn heiligdom binnen korten tijd weer terug….

    En van haren Brabantschen mantel viel een der schoonste parels, gelijk er nadien nog velen verloren gingen in donkere tijden. Maar de meesten fonkelen even hel als eeuwen geleden. Temidden van de duistere wereld moet dat een schoon gezicht zijn voor Haren Goddelijken Zoon, die Brabant daarom mee genegenheid beschouwt.

    Vele landen weefden Maria ieder eenen kostelijken mantel van volksvereering, maar voor den Brabander is Maria het schoonst als de hemelsche Hertogin van dit oud ridderlijk gewest.

    Colophone

    MET DE, VERHALEN, LEGENDEN EN AFBEELDINGEN WERD EEN BEGIN GEMAAKT IN 1931. HET WERD VOLEINDIGD IN 1940.

    DE TEEKENINGEN ZIJN VAN JAN HUL MAASTRICHT, PRIX DE ROME 1934, DE VERHALEN EN LEGENDEN VAN JEHAN KUYPERS.

    1000 EXEMPLAREN WERDEN GEDRUKT OP ROMANDRUK VAN GELDER.

    100 EXEMPLAREN OP WIT ESPARTO VAN GELDER EN GENUMMERD VAN l—100.

    HET WERD GEZET IN DE 12 PUNTS CHELTENHAM MET SIERLETTERS VAN DE LEGENDE EN GEDRUKT OP DE PLANETAPERSEN DOOR ERNEST VAN AELST, MAASTRICHT.

    LAUS DEO.

     

    Copyright © 2019 Onze Lieve Vrouw van Handel.
    All Rights Reserved.