O. L.  VROUW VAN HANDEL


    HARE
    GESCHIEDENIS

    BIJ DE VIERING VAN HET

    ZEVENDE
    EEUWFEEST
    1220-1920

    DOOR

    P. CYRILLUS EN P. CANISIUS
    MINDERBR. KAPUCIJNEN


    UITGEVERS:
    ELECTRISCHE DRUKKERIJ FIRMA GEBR. VAN DE BURGT, HELMOND


    Aan O. L. Vrouw van Handel
    De „Troosteres der Bedrukten"
    De „Toevlucht der Zondaren".

    U

    „der Bedrukten Troost" en Toevlucht der Zondaren",
    Maria, zij dit werk met dankbaar hart gewijd,
    Nu zeven eeuwen hier Uw liefdespranken gâren,
    Met eertrofeên van dank omkroont U thans de tijd.
    Wat wondre macht, die Handel vol geloof aanschouwde,
    Waar gulden bêe steeds smeekt: o Heilige geef vrêe.
    Versmaad de bladzij niet, waar kinderhand ontvouwde.
    Wat Moederliefde deed.


    Geef ons Uw zegen mee.

    Toestand in het begin der 13e Eeuw.

    I.

    HANDEL!

    DUIZENDEN, tienduizenden kennen het stille, eenzame Handel, Handel met zijn korenvelden vooral naar Oploo's kant. En als we daar wandelen, zingen we met Van Langendonck;

    “t Is koren, alles koren, waar ik schrijd!
    'k Ben weer de zoon der' wijde, vrije velden;
    Geen wereld meer bestaat, geen ruimte of tijd,
    geen uur of grens, die perk of palen melden!
    Het blauw vervliet en 't gele goud vergaat
    al in één eeuwigheid van eindloos gloren,
    één heerlijkheid, die door àl luchten slaat
    Uit 't wonderstralend licht van 't glinstrend koren."

    Handel en zijn heide, gansch verschillend met de pracht van aangelegde parken en wandeldreven ; de heide niet door menschen- handen gemaakt, doch door God zelf verfraaid en opgesierd; de heide met de jubelende zon, teekenend nu hier, dan daar gelige plekken en grillige vlakjes, even rustend en kleurend den grauwen grond, het blinkende kiezelzand, of het dofgroene mos, of soms, heel enkel, juist een bloem, die daar staat.
    Handel, des zomers in bruidstooi, Onze Lieve Vrouwe ter eer, als de zon haar gouden stralenmantel sleept over boomen en dennen en wei en akkers en brem en eikenhout en witte zandheuvels en over huisjes door een kronkelweg als met een los lint even aan de heerbanen gebonden.
    Handel met zijn herders en kudden schapen in vrede op de stille vlakten, door de bijen drukker bezocht, dan groote wereldsteden, wanneer heur zoete hei de honingzoeksters lokt.
    Handel in vrede en eenvoud liggend in de eenzaamheid, waar we ons geluk uitjubelen, zooals het bloeit in de heerlijke zomerzon op een idyllisch eenzaam plekje waarvan onze Felix Rutten zingt:

    Hier is het vredig, waar geen menschen huizen
    En niets dan bosch zijn groene tenten spant.

    Maar Handel juichend en roemend op:

    „De schoonste der bloemen".
    „Een leli claer, scoen ende wit."
    „De peerle der joncfrouwen schoon."
    „Een suverlic lustelic dal, vol leliën al."
    „Een bloem des velts ghenoechelyc."
    De bloem uit Jesse's stam: ,
    „Maria de Onbevlekte Moeder-Maagd

    Handel hoe lief zijt ge mij met uw zuiveren geest, met uw nederig gelooven, met uwe mooie Lieve-Vrouwe historie, tegen de verwaandheid der groote, trotsche wereld, waar men lacht en spot en zich bindt aan de ketens van bijgeloof.
    Gelukkig genade-oord, hoe innig devoot knielt men neer, in rotsvast Godsvertrouwen voor de wondere beeltenis der „Lieve Vrouwe, de Troosteres der bedrukten, de Toevlucht der zondaren". Hier wordt de wijsheid der wereld beschaamd, als men luid biddend U nadert en terugkeert naar de haardstede, verzadigd, als de bijen, van den honing gepuurd bij de bloem der bloemen, de H. Maagd der maagden.
    Zoo staat Handel voor me, nu wij onder den bijstand van de Moeder des Heeren, de geschiedenis gaan beschrijven van het zeven-honderd-jarig bestaan der mirakuleuze beeltenis van Onze Lieve Vrouw van Handel.

    Handel in het begin der 13e eeuw.
    Het zal, hoop ik, den lezers niet onwelkom zijn, indien hier eene kleine beschrijving wordt ingelast over den staatkundigen en kerkelijken toestand van de Brabantsche landstreek, waarin Handel lag, toen ten jare 1220 het miraculeuze Maria-beeldje gevonden werd.
    De Duitsche keizer had voor Taxandrië, na Ansfried's dood, geen graaf meer voor dit gewest benoemd, omdat nu de hertogelijke waardigheid van Neder-Lotharingen aan de Leuvensche gravpn was opgedragen, maakten deze hertogen op Taxandrië aanspraak.
    De heeren van Breda, Heusden, Herpen en Gemert probeerden echter eene onafhankelijke positie te vestigen, doch konden op den duur den hertog van Brabant hunne leenhulde niet weigeren.
    De hertogen van Brabant resideerden meestal meer te Leuven dan te Brussel Hertog Hendrik I, gehuwd met Maria, dochter van den Franschen koning Philip Augustus en schoonvader van keizer Otto, was er op uit zijn heerschappij in Noord-Brabant te bevestigen. Met groote zorg bevorderde hij den opbloei van de steden, den handel en de industrie. Hij pn zijne nakomelingen voerden den titel: hertog van Brabant en Lotharingen.
    In de 13e eeuw bezat de landvoogd de hoogste macht (imperium).
    Ook deed Hendrik I zijn invloed als een der grootste rijksvorsten in de zaken van het keizerrijk gelden. De hertogelijke dynastie in Brabant was nationaal en zeer populair. Ze was vrij onafhankelijk tegenover den keizer.
    Bij het hertogdom behoorden nog verschillende gebieden. Over deze landstreken stonden machtige heerenf die op hunne eigen familiegoederen of in hunne leenen9 als slptvoogden of leenmannen feitelijk eene grafelijke macht bezaten in hun gebied, zooals de heeren van Breda, Bokstel en Gemert Zij konden zich echter niet geheel aan elke onderdanigheid tegenover den landheer onttrekken.
    De grootste voordeelen evenwel, welke het volk en met name onze voorouders, de Brabanders, genoten, dankten zij aan de H. Katholieke Kerk. Behalve het geloof werden hun nog vele tijdelijke gunsten geschonken.
    In den tijd vóór en na de vinding van het wonderbeeldje van O. L. Vrouw op Handel, werd de volledige uitbeelding en vorming getoond der westersche christenheid tot één grooten volkenbond, tot eene groote familie van natiën, onder opperste leiding der geestelijke macht. Deze toch riep de natiën op tot gemeenschappelijke ondernemingen.
    De algemeenheid der kerk zegevierde over de zelfzucht der afzonderlijke volkeren.
    We beleven in dezen tijd de hoogste machtsontwikkeling van het pauselijk primaat, zoo heerlijk ingezet door den grooten Gregorius VII, zoo zuiver omlijnd door den scherpzinnigen Calixtus II en zijn hoogtepunt bereikend onder de regeering van den gënialen Innocentius III. Sedert dien begint de middeleeuwsche ontwikkeling weer te dalen, traag wel is waar, doch gestadig. Wel schittert de Kerk in heerlijken glans, wel brengt zij mannen voort als St. Dominicus en St. Franciscus, St. Thomas, St. Bonaventura, St. Antonius en St. Lodewijk, koning der Franschen, maar Europa kwam innerlijk in beroering.
    En Brabant en bijzonder onze streek?
    Het Luiksche bisdom heette vroeger: „bisdom der Tongeren", wijl het eerst gevestigd was te Tongeren, de zetel van den ouden volksstam „Tungri", die zich onder anderen, ook over het land van Luik uitstrekte. Evenals Utrecht, dankt het bisdom Luik de uitbreiding zijner wereldlijke macht aan de duitsche koningen der tiende eeuw.
    Behalve de stad Luik telde het bisdom zeven aartsdiakonaten, onder anderen: het aartsdiakonaat Kempenland, dat veruit het grootste van alle was; dit aartsdiakonaat was verder verdeeld in dekanaten, waaronder het dekanaat Woensel, dat vele parochiën had, zooals Bakel, de moederkerk van Deurne en Gemert met het gehucht Mortel en Handel dat het ontstaan wel danken zal aan zijn wijd~beroemde kapel.
    Hoe was het nu gesteld met het burgerlijk leven ?
    De abt van Tongerloo, als éérste prelaat van Brabant kwam voor de rechten der bewoners op. Brabant toch had geen bisschoppen en het bisdom Luik, Utrecht en Kamerijk konden, als buiten het hertogdom Brabant gelegen, geen invloed op het burgerlijk leven aldaar uitoefenen.
    De prelaat der abdij stond aan het hoofd van 's Hertogs raad. En dit was een geluk voor het volk.
    Tot in de 13e eeuw zuchtten velen, mede als gevolg der behandeling door Romeinen, Noormannen en Germaansche horden, of in slavernij of in lijfeigenschap. Ook dit laatste bleef knellend. De lijfeigene had niet alleen het eigendom verbeurd van den akker, dien hij bebouwde, neen, ook de vruchten behoorden den meester; hij moest wonen, waar deze het aanwees en zonder zijYie toestemming mócht hij niet in het huwelijk treden. Burgerlijke rechten genoot hij volstrekt niet en de rechtspraak der baljuws en officieren van deze grondheeren liet schromelijk veel te wenschen over. Zij trokken rond en lieten zich in de open lucht onder een boom een zoogenaamde groene vierschaar spannen. Hun gedrag was zoo berispelijk, zoo baldadig, dat alle kerken en abdijen, die leengoederen bezaten, van de bevoegdheid gebruik maakten om deze officieren van hun gebied te weren.
    De lijfeigenschap was een ramp voor heel de maatschappij; zij immers sneed de welvaart, de voorspoed en de ontwikkeling in hun bronnen af. Gelukkig dat de kerk zoo groote eigendommen bezat, want op haar grondgebied tenminste werd de lijfeigene beter behandeld. Opstand gedoogde de Kerk niet, maar zij trad met nadruk op voor die ongelukkigen en hun lot werd voor haar een vraagstuk van het hoogste .gewicht. Zij begon de groote kerkrechtelijke scholen te vormen, die onvermoeid de plichten van heer en onderdaan behandelden en die ze het nauwkeurigst omschreven en het best verdedigd hebben.
    Van alle zijden namen dus de lijfeigenen de vlucht naar hare bezittingen en zij vonden in de schaduw dier godshuizen een veiliger verblijf dan rond de kasteelen der altijd strijdvoerende edelen.
    De abdij Tongerloo beurde de lijfeigenen op uit hunne vernedering. Zoodra de abt voor hen van Godfried met den Baard vrijstelling verkreeg van slavendiensten, schonk hij hun ook het recht van „oorlof", dat is het verlof om naar eigen keuze in het huwelijk te mogen treden; het vernederend en drukkend recht „der doode hand" werd gewijzigd en later afgeschaft. Het bestond hierin: was een huisvader gestorven, dan moesten zijne bloedverwanten hem de hand afhouwen en die den landsheer ten teeken van slavernij aanbieden of wel dit afkoopen ten prijze van „het beste cateel", het beste stuk vee of huisraad, naar keuze van 's heeren officier. Het was een treurig en onteerend recht, dat in de staten van Luik reeds door bisschop Alberg was opgeheven. De abt bouwde overal op zijn goederen landmanswoningen met stallingen en schuren, die voorzien waren van vee en gereedschap; deze bouwhoeven stelde hij open voor ieder, die zich onder de bescherming der abdij wilde plaatsen; en toen later de kloosterlingen zich van den akkerbouw terugtrokken, om zich meer aan de studiën te wijden, werden deze bouwhoeven in huur gegeven, hetgeen hen tot zelfstandige landbouwers maakte. En kwamen er kwade dagen, was de oogst mislukt, had de oorlog hun velden verwoest, dan schold de abt hun de huurpenningen geheel of gedeeltelijk kwijt en begiftigde ze bovendien met vee en zaai-koren om hun geluk opnieuw te beproeven.
    Door dit in~huur~geven was ook in den burgerlijken toestand der dienstlieden van Tongerloo eene volledige omkeering tot stand gekomen; feitelijk en  voor zoover het van den abt afhing waren zij er door herschapen in onafhankelijke lieden, en het burgerlijk gezag erkende dat ook; vandaar dat zij in rechten getuigenis afleggen mochten vóór en tegen vrije mannen, iets waartoe alle lijfeigenen onbevoegd waren.
    Terecht beminde de lagere volksklasse de Kerk en haar geestelijkheid, die zooveel hadden gedaan voor hare vrijmaking, en haar belangen bevorderden in den tijd, toen de edeling den poorter schier niet onder de oogen duldde, en hem toeduwde:

    Fi, ga weg, God onteere U!
    Gij zijt der wereld schand.

    Het volk had zich vrijwillig onder de bescherming van bisschop en kloosterling gesteld, teneinde beveiligd te zijn tegen wreede meesters, zoodat Karei de Groote reeds bepalingen moest vaststellen, ten einde misbruiken te voorkomen. „Onder den kromstaf was het inderdaad goed leven".
    Gelukkig voor Brabant, dat in dit gewest de abt van Tongerloo, die zooveel voor zijn eigen dienstlieden gedaan had, de eerste plaats innam in 's hèrtogsraadr Gelukkig ook, dat de wijze en grootmoedige hertog Hendrik II in zijn eigen huis zooveel dierbare herinneringen had, die hem tot zachtmoedigheid jegens de volksklasse stemmen moest, daar hij gehuwd was met de dochter der lieve heilige Elisabeth van Thuringen, die hem ongetwijfelb aangebracht had de teederheid vau geweten welke, op dit punt vooral haar moeder kenschetste.
    In 1221 had hertog Hendrik, de voorrechten door Godfried met den baard gegeven, vernieuwd en uitgebreid uiet alleen, doch ook de mansionaren en landbouwers der abdij Tongerloo, vrij verklaard van alle willekeurige schattingen tegen betaling van twee mark zilver, die de abt over, hen zou omslaan, — maar in 1247 ging hij verder: diezelfde en nog veel grootere voorechten besloot hij toe te kennen aan aile zijne onderdanen.
    Wij besluiten deze schets ontleend aan de gegevens van mijne confraters P. P. Benvenutus en Placidus en aan de „Geschiedenis der „Drie abdijen uit de 12e eeuw door J. G: A. Hezemans" met de woorden van den laatste op bladzijde 122:
    Voor het volk was een. gulden eeuw aangebroken, de schoonste tijd, die ooit de Nederlanden beleefd hadden, de grond was gelegd tot het vermogen, ook voor bijzondere personen, want daar de landman nu alleen een matige belasting te dragen had, kon hij spoedig zooveel overleggen als noodig was, om den akker aan te koopen, dien hij tot dan toe ten behoeve zijns tneesters had bebouwd.
    In dien tijd van zegen op geestelijk en tijdelijk gebied, begint de glorieuse geschiedenis van:

    ONZE LIEVE VROUW
    VAN HANDEL.


    De Kapel van Handel en hare omgeving.
    II

    AL ZEVEN EEWEN SCHONK
    UW WONDERE BEELTENIS,
    MARIA IN  ‘s LEVENS WEE
    HIER HULP EN LAFENIS.

    WANNEER de dagen van blijde feestviering naderen om de Moeder te eeren, die diep in 't hart harer kinderen haar naam vindt gegrifd, breekt door den nevel van langvervlogen tijden de herinnering harer gunsten heen, en met een dankbaar voelend hart, weten zij als om strijd dier teergeliefde Moeder te huldigen.
    Zoo staan wij bij dit Jubeljaar van O. L. Vrouw van Handel, nu een tijdsverloop van zeven volle eeuwen, rijk aan Maria-ver- eering en Maria-hulp zich voor ons oog ontsluit.
    Aan de hand der gegevens en oorkonden, vervat in de Ar- chieven der'Kapel van Handel, van Brabantia Mariana van Pater Augustinus Wichmans, Hyperdulia en andere oude documenten van onze kloosterbibliotheek, gaan wij in dit boekje voor de vrome Maria-vereerders haar geschiedenis in de eeuwen doorloopen, om alzoo O. L. Vrouw van Handel zoowel in als buiten de grenzen van Brabant meer en meer te doen kennen, en door die kennis haar des te inniger te beminnen.
    In de middeleeuwen was de vereering der mirakuleuze beelden van Maria een rijke bron van troost en zegen voor onze voorouders in het geloof.
    Toen Luther echter den strijd aanbond tegen zijne Moederkerk, bevocht hij ook het veld der Maria-vereering. De beeldstormerij met al haar door haat ontstoken driften, vernielden de beelden der Heiligen, wier aandenken de geloovigen tot kracht in hun godsdienstige overtuiging diende.
    Toch hebben die aanvallen het devote geloof uit de harten der trouwe Katholieken niet kunnen wegnemen en heeft de Maria- vereering lieflijk prijkend steeds in den lusthof der Katholieke Kerk gestaan, als „een planting der roze in Jericho”.

    Daarom heeft de geschiedenis, in het bijzonder dan ook van de Meijerij, deze verblijdende woorden kunnen opteekenen:
    Het bidden van den rozenkrans nam in ons bisdom verbazend toe, en men magK mede aan de veelvermogende voorspraak der Moeder Gods toeschrijven, dat (ie Meijerij echt katholiek bleef.
    Dagelijks steeg in die moeielijke tijden in vurige Maria-ver~ eering de wierook van gebed tot haar glorietroon omhoog, en dit niet het minst in hare genade-oorden.
    En wat onze vrome voorouders op eigen bodem niet konden vinden, zochten zij, bij tal van moeielijkheden in aangrenzende landen, zooals in Duitschland en België. Hoe krachtig, in zijn apostolischen ijver, werkte onze groote landgenoot, de zalige Petrus Canisius van Nijmegen niet mede, om de wonderbeelden van Maria in eere te houden!
    Wat hebben de verschillende kloosterorden, tegelijk met de seculiere geestelijkheid, niet gewedijverd om de bedevaarten te doen groeien en bloeien, onder den steun der machtige gilden van dien tijd!
    Welk een heerlijke Maria-bloemen danken wij niet aan den grooten en geleerden Maria-vriend, fr. Aug. Wichmans, kanunnik van den H. Norbertus, uit Tongerlo, die in dien tijd pastoor was te Mierlo en Aarts-priester van Helmond, neergelegd in zijn rijk Maria-werk: Brabantia Mariana! En hoe leert hij ons, rijk aan kennis en het hart vol. liefde, de wonderbare Maria-beelden kennen, die zoo veelvuldig in Brabant vereerd werden en nog steeds vereerd worden.
    Ja, ‘t is een voortdurende zegepraal dier woorden eens van de maagdelijke lippen der Moeder Gods gevloeid:

    Voort aen sal ik geroemt
    En saligh zijn genoemd
    Bij alle de geslagten,

    Nos cum Prole pia,
    Benedicat Vicgo Maria,
    Ons zegene met haar dierbaar kind
    de Maagd Maria.

    Alvorens over te gaan de genadekapel van O. L. Vrouw van Handel te beschrijven, moeten wij melden, dat de thans bekende Parochie Bakel, op ongeveer 1½ uur van Gemert gelegen als de bakermat der Sint-Willibrordus-Kapel te Gemert (thans Parochie Gemert), en het Rectoraat Handel staat opgeteekend.
    Oude oorkonden melden ons, dat onder de verschillende kerken, door den H. Willibrordus, den Apostel van Nederland, gesticht, in den aanvang der VlIIste eeuw, ook Bakel aan zijn vurigen zielenijver het Godshuis dankt.
    Destijds nog was 't hedendaagsche Gemert een gehucht tot Bakel behoorende. Door de uitbreiding van het Katholieke geloof aldaar werd de Kapel van Gemert den 18en Maart 1437 onder Theod. van Bergenhuijsen als Provinciaal en Nicolaas van der Dussen als Commandeur van Utrecht, afgescheiden van Bakenen tot parochiekerk verheven. De oude Sint-Willibrordus- Kapel lag aan de andere zijde der straat, tegenover het priesterkoor der tegenwoordige parochiekerk. Handel, eertijds ook tot Bakel behoorende, werd tevens onder het parochiaal bestuur van Gemert geplaatst.
    Handel is een klein gehucht van de gemeente Gemert, waaronder het Kapucijnenklooster ligt, in 't jaar 1851 gebouwd. Het daarnevenstaande huis „Padua", ter verpleging van krankzinnigen en  zwakzinnigen is op Boekels grondgebied opgericht.
    „Over de Kapucijnen en Broeders van den huize „Padua" in hunne betrekking tot de geschiedenis van O. L. Vrouw van Handel, zullen wij in den loop van deze geschiedenis uitvoeriger melding maken.
    Waaraan ontleent nu Handel zijn naam?
    In een perkament van 1364 wordt als scepenVermeld van het gericht der Duitsche Heeren zekere Gevert van Havel of Hanel. Daar nu de personen naar hunne woonplaats genoemd werden, is het zeer waarschijnlijk, dat deze Gevert pachter was van het goed te Hanel, later Handel genoemd. Blijkens een charter van 1421 behoorde dit goed werkelijk aan de Duitsche Orde, en was het door haar zelve ontgonnen. De oude hoeve blijkt nog ouder te zijn dan de kapel, want deze heeft daaraan haren naam ontleend* In een charter van 1434, waar de grenzen van den Peel worden aangewezen, is sprake van den pael boven der capelle boven Havelt. De kapel had alzoo nog geen eigen naam; men duidde haar aan met de woorden: de Kapel boven Handel, niet van Handel of te Handel, maar: de nog niet benaamde kapel, die, van Gemert uit gezien, boven de hoeve ligt, welke Havelt of Handel heet. 
    De kapel lag tusschen het eigenlijke Handel en het oude  Strijbos, — op dit gebied is later de oude Kluis gebouwd; het goed strekte zich uit van de Oude Kluis tot en met den grond waarop nu het Kapucijnenklooster staat — maar heeft aan het goed Handel en niet aan het goed Strijbos haar naam ontleend, ofwel omdat zij er dichterbij lag, of omdat zij beschouwd werd als behoorende bij de hoeve van Handel, die eveneens het eigendom was der Duitsche Orde. (v. d. Elsen).
    Wanneer men Gemert verlaat om de genadevolle kapel van O. L. Vrouw „de Toevlucht der zondaren en de Troosteres der bedrukten" te bezoeken, dan staat men al zeer spoedig voor een breeden weg, van weerszijde met boomen beplant, waarvan slechts hier en daar'een hofstede van nabij of op verderen afstand het eentonige breekt. Vooral bij het vallen van den avond lacht die weg den vreemdeling in deze streken, om zijn stilte en eentonigheid, niet toe. Doch hebben wij een korten tijd den weg gevolgd, dan bespeurt ons oog hoe hier het eenvoudig geloof onzer devote voorouders zoo 'stichtend tot het nageslacht heeft gesproken. Het eerste, van grijze oudheid sprekend kapelletje, ziet men aan de linkerzijde van den weg; het bevat in hout gesneden, een  oud beeldje der H. Moedermaagd. Menigmaal stort daar de een of andere pelgrim zijn gebed, alvorens hij zijn weg naar Handel vervolgt.
    Zulke Kapelletjes, doch in beter onderhouden toestand, treft ge op bepaalde afstanden aan. Daarin zijn beeldengroepen geplaatst, die de zeven Smarten van Maria weergeven. Die kleïne steenen gedenkteekenen zijn voor de bewoners der streek en de duizenden- pelgrims der processiën, die daar jaarlijks voorbij trekken, dierbare herinneringen uit lang-vervlogen dagen, voortdurende getuigen van het eenvoudig geloof hunner voorvaderen.
    Deze weg draagt daarom heden ten dage nog den naam van Keskensdijk of wel Kastjesdijk.
    Van weerszijde naast de Kapelletjes strekt een boom zijn takken ter bescherming over het eenvoudig afdak uit. Voor iedere beeltenis is een knielbankje aangebracht, en maar zeiden zal men dien weg afleggen zonder getuige te zijn, hoe in vrome vingeren den rozenkrans wordt gehouden, onder het bidden van het Wees-gegroet.
    Nader bij Handel, nauwelijks een steenworp van den weg, vindt men een grooter steenen Kapelletje, in 1890 op 't zoogenaamd „Kranereit" gebouwd. Wanneer ge de bewoners dier streek vraagt, waarom deze kapel buiten de rij der anderen geplaatst is, dan verhaalt men U van een vrome legende, alom in de streek voortlevend, dat hier oudtijds door een schaapherder uit Bakel het Lieve-Vrouwenbeeldje gevonden is, dat men hier aanvankelijk de kapel heeft willen bouwen, doch dat de ossen, die de bouwstoffen aanvoerden, voortholden tot aan de plek, waar zij nu staat. Daarom ziet ge daar binnen aangebracht: links, de schaapherder neerknielend voor het Maria-beeld in een boom, waaronder de toepasselijke woorden:  „Die mij heeft gevonden, zal het eeuwig leven bezitten”(Boek der spreuken VIII, 38), rechts daarnaast, hoe de steigerende dieren voor een wagen gespannen, om het bouwmateriaal te vervoeren voor den bouw der kapel, verder willen, ofschoon men hen dwingt stil te staan, daaronder de spreuk uit Psalm 126—1: „Indien de Heet het huis niet bouwt, arbeiden de werklieden tevergeefs”.
    De kapelletjes werden tijdens de Fransche overheersching, door de troepen van Lodewijk XIV, beschadigd of vernield; later zijn zij weer hersteld. Sinds enkele jaren echter zijn de statiën der Zeven weeën en het votief kapelletje geheel hernieuwd door Rector J. van de Laarschot, die, dpor vrome Maria-vereerders daartoe geholpen, een nieuw bewijs gaf van zijn godsvrucht tot O. L. Vrouw.
    Zoo stil en eenzaam de „Handelsche Dijk" in den guren winter, als verlaten ligt, zoo vol levensdrukte wordt hij bij het naderen der Maria-maand. De eenvoudige bewoners, zelfs uit£de verre omgeving, haasten zich met burgers en meergegoeden uit verschillende plaatsen, om de eerste lentebloemen van hulde en gebed voor Maria's beeltenis neer te leggen.
    De eentonigheid wordt verbroken door biddende of zingende pelgrims, die groepsgewijze, in processie of als particuliere bedevaartgangers tot afsmeeking van de een of andere gunst naar de kapel trekken» waar het miraculeus beeldje der Moeder Gods bewaard wordt.
    Meermalen mochten we getuigen zijn van de godsvrucht der pelgrims, als zij ons op den grintweg tegenkwamen. Mannen en jongelingen, vrouwen en jongedochters en zelfs kinderen uit een dorp of buurt togen dan ter bedevaart, om hulp voor een zieke uit de familie of kennissen. Voor dit doel wordt, ook nu nog, niet zelden een novene gehouden en zij trekken dan negen achtereenvolgende dagen naar O. L. Vrouw, die ook onder den titel van Troosteres der Bedrukten in Handel wordt aangeroepen. Voor zij de heilige plaats naderen, knielen allen in ernstige ingetogenheid op den weg neder, om bij elk kapelletje der Zeven Smarten luidop troost en opbeuring en uitkomst voor den zieke af te smeeken.
    En zoo baden hunne voorouders, zoolang O. L. Vrouw op Handel wordt vereerd, nu zevenhonderd jaren lang.
    Nog spreekt men van de zware boetplegingen op dezen weg geschied. Oude lieden hebben boetvaardige zondaren gekend, die in 't midden van den winter, door de dikke sneeuw, ongedekt en ongeschoeid, met een rozenhoedje in de hand den „keskesdijk" passeerden.
    Hoort hoe onze vaderen op dien „dijk" zongen, wanneer ze de kapelletjes voorbijtrokken, om O, L. Vrouw van Handel te bezoeken.

    Het Minnesuchtjen tot de H. Maria
    Koninginne der Martelaeren, op de
    7 Wee-en van haer: Toegepast op de
    Statiën gemaekt tot Lof der selve
    Maget op den Dijck van Handel.

    Op de wijze: Thomas eene van de twaelve, of hoort goeg Vrienden, of Echo hoort mijn, of Usez meux ô beauté, enz.

    DE EERSTE WEE.

    1. Het sweert van Simeon.

    O Maria! ach wat rouwe
    Voelt gij Moeder in U hert
    Doen van u, o weerde Vrouwe
    Uw Kindt op geoffert wert
    Als u Simeon gink spreken
    In den Tempel: o droef woort
    't Sweert zal uwe ziel doorsteken
    Ach u hert wort al doorboort.

    2. De Vlucht naar Egypten.

    O Maria! moet gij vluchten
    Naar het woest Egypten lant?
    Ach! wat angst, droefheijt en sugten
    Voelt gij in U ingewant,
    Maekt dat wij U Vlucht bepeijsen,
    En ontvlieden al het gaaet,
    Op dat wij den wegh in reijseri.
    Die recht naer den Hemel gaet.

    3. De Verliesinge haar Soons.

    O Maria uijtverkoozen!
    In wat angst soeckt gij u Kindt?
    Dat drie dagen was verloozen
    Dat gij in den Tempel vindt
    Bidt dat wij doch gaen verkiezen
    Tot ons hulp u soeste Kindt,
    En dien Jesum niet verliesen,
    Maer sy in ons hert geprint.

    4. Die ontmoetinge in het Cruys-dragen.

    O Maria! wilt nu weenen:
    Siet (eijlaes) o suijver Maegt!
    Hoe sijn glori' schijnt verdwenen
    Daer hij 't Cruijs nog selver draegt
    Bidt o Maegt, dat wij behagen,
    Uwen Soon door deze pijn,
    In ons kruijsken wel te dragen,
    En daer in tevreden zijn.

    5. De Kruijsinge Christi.


    O Maria! uwe wangen
    Zijn vol tranen doen geweest,
    Als gij uwen Soon saegt hangen.
    En saegt geven zijnen Geest;
    Door dit lijden ende strijden
    Toont ons in den laetsten strijt,
    Als ons ziel van hier sal scheijden,
    Als dat gij ons Moeder zijt.

    6. Het Af doen van het Kruijs.

    O Maria! moet gij dragen
    Uwen Soon in uwen schoot!
    Soo mishandelt en geslagen;
    En nu jammerlijk gedoodt,
    Bidt Maria door u weenen
    Als gij aensaegt ons met lust,
    Dat Godt aen ons wilt verleenen
    Naer dit leven d'eeuwige rust.

    7. De Begravinge Christi.

    O Maria! ach wat lijden
    Had u Simeon voor-seijdt,
    Moeder gij moet van hem scheijden;
    Als hij in 't Graf wiert geleijdt:
    Is 't zoo bitter hem te derven
    Voor al-sulken korten tijdt:
    Lieve Vrouw wilt ons verwerven
    Sijn aenschijn in d' Eeuwigheijt.

    Bij het binnenkomen in Handel ziet ge terstond de kapel, waar de kostbare schat, het wijdvermaarde, beroemde miraculeus Beeldje van Onze Lieve Vrouw van Handel, de Troosteres der bedrukten, de Toevlucht der zondaren op haren troon prijkt, als wil zij u aanstonds te kennen geven de hoopvolle woorden van het „Magnificat": „Hij die machtig is, heeft groote dingen aan mij gedaan/9 En we gevoelen ons gedrongen de woorden haar toe te spreken, als geweld uit 'sharten grond: „Wees gegroet, o Koningin, Moeder van Barmhartigheid, ons leven, onze zoetheid, onze hoop, wees gegroet"……
    O welke groeten zijn haar hier gebracht,.... hoeveel zuchten zijn hier geslaakt,.... hoeveel tranen zijn hier gevloeid…..  hoeveel
    beden zijn hier verhoord,.... hoeveel dank is hier gebracht,.... hoeveel voornemens hier gevormd,.... hoeveel wonderen hier gewrocht !....
    't Is stil, doodstil in deze kapel, midden in de eenzaamheid, en toch ge knielt in die stilte neer en alles spreekt, en alles wekt op, en alles dringt om hier te overwegen,… bij het wonderbeeld van de Moeder van God en bij de Moeder…. van ons! ….
    De kapel gelegen in een schaduwrijke omgeving, die hier aan de landelijke rust nog geheel iets vreedzaams toevoegt, is een zeer eenvoudig, langwerpig gebouw, dat in den loop der tijden talrijke veranderingen heeft ondergaan. Het oudste stuk der kapel was, naar luid der geschiedenis, vóór eenige jaren, de toren, die dagteekent ongetwijfeld uit de 15e eeuw. Het priesterkoor, waarvan de fundamenten reeds in 1695 gelegd waren, werd in 1708 voltooid; terwijl het schip bijna afgewerkt was, toen de rector Luijten stierf (1754).
    Het muurwerk van den vorigen toren was 14.40 M. hoog, de spits, die nog in 1802 op eene peer uitliep, is 9.25. De dikte van den toren was 3.72 vierkant en van den muur 0.53 Meters. Tegen dien toren stond weleer eene evenredige kapel, waarvan de nok slechts één meter, en het priesterkoor 2.50 m. lager was dan het muurwerk van den toren, zooals men nog zien kan aan de kalk, die op dat muurwerk en op het tegenwoordig priesterkoor is achtergebleven, alsmede aan eene schilderij, welke, omtrent 1740 vervaardigd, bij de Eerw. Broeders ten huize „Padua" bewaard wordt.
    In dien vorm moet de kapel reeds in de 15e eeuw gebouwd
    zijn, in de eeuw van welvaart en bloei, welke honderden kerken en kapellen aan Noord-Brabant schonk.
    De kapel kan niet opeens zulk een afmeting verkregen hebben ; de bedevaart moest reeds lang bestaan en vele offers moesten gebracht zijn om ze te bekostigen. Toch kan dit alles zeer'wel in de 15e eeuw hebben plaats gehad, schrijft Fr. G. v. d. Elsen in zijn artikel: Onze Lieve Vrouw van Handel opgenomen in de Dietsche Warande 1889, waaraan we deze bizonderheden ontleenen. Het is waar dat er reeds eene kapel bestond in 1434;
    deze echter kan veel kleiner geweest zijn en, al was zij ook dezelfde, een tijd van 50 jaren was in die eeuw voldoende, om zoodanige kapel te doen bouwen.
    Ofschoon het altaar volgens eene aanteekening van Strijbos, gewijd was ter eere van de H. H. Maria, Cornelius, Lambertus en Antonius, werd toch de H. Maagd alleen vereerd, en in de geheele geschiedenis wordt van de andere Heiligen geen melding meer gemaakt. Betrekkelijk den H. Antonius schrijft Strijbos nog alleen dit : „Die rector oft inservitor moet sondacht na S. Anthonis vigilie lesen ende jaergetijde hadden ende verkundigen laten van Art. Plees ende sijn ouders."
    Alleen de H. Maagd werd aangeroepen en alleen op Maria** dagen werd in de kapel de H. Mis gelezen.
    In den loop der jaren heeft men echter gemeend — en terecht — dat naast de H. Maagd, hare zuivere Bruidegom de H. Jozef moest vereerd worden. Daarom is in de kapel een zij-altaar aan den Voedstervader van Jezus toegewijd en heeft, een goede honderd jaar geleden, Pius VII aan dit altaar het voorrecht verleend van een vollen aflaat voor eene ziel in het vagevuur, voor elken dag en voor altijd. En om Maria nog meer te eeren, heeft men haar Bruidegom St. Jozef, tot „Tweeden Patroon “ der kapel uitverkoren. Dit alles staat, op een lijst in de sacristie der kapel opgeteekend.
    Het rectoraat bezat langen tijd weinig vaste inkomsten. Strijbos noemt slechts 14 roggepachtjes en 70 roeden gronds. Van de gezamelijke opbrengst: 6 mud, 10 vat rogge en 3 gl. 5 st. moesten
    wekelijks twee Missen gelezen worden. Nu nog wordt elken Vrijdag en Zaterdag eene H. Mis opgedragen „voor de overleden
    weldoeners en fundateurs der Kapel”. De buitengewone inkomsten of offers, waaruit de kapel gebouwd is, moeten dus, in de 15e eeuw reeds verbazend groot zijn geweest en de devotie vurig en zeer uitgebreid.
    Juist had rector Cillis het priesterkoor, waarvan zijn voorganger de grondslagen had gelegd, voltooid, toen 16 Sept. 1709 het dak daarvan, dat van riet schijnt te zijn geweest, met de woning des rectors en zijne heerhuizing door brand werd vernield. Alle oude geschriften en bescheiden werden een prooi der vlammen, zoodat er geen stukje papier „hetwelk men om zijnen vinger mochte wenden is overgebleven". De schade werd eenigzins vergoed volgens een belangrijken brief, welke de rector den 14en December 1709 aan de Kanzenlarij van Aldenbiezen opzond.
    Omtrent het jaar 1743 is het voorste gedeelte door een fraaien bouw vervangen, zoodat van de oude Kapel nog slechts toren met gedeelte van het schip overbleef. In 1853 is het uitwendige der Kapel aanmerkelijk verbeterd door een leien dak. En in het jaar 1902 riep Rector van Laarschot onzen grooten architect Cuijper ter hulp om de devote kapel te vergrooten. Eenvoud van gemoed, eenvoud van middelen, eenvoud van vormen spreekt uit den aanbouw der zijstukken, zoodat de kundige architect zich duidelijk heeft willen aanpassen.
    Eenige jaren later is het schip vergroot, waardoor de toren, die in het begin der 15e eeuw gebouwd werd, voor 't oog veel te klein was geworden. Ten zuiden, boven den zij-ingang, waarvan heden de deur is weggenomen, ziet men een hardsteenen plaat ingemetseld, waarop drie wapens zijn afgebeeld. Het eene is het wapen der Duitsche Orde, het andere, namelijk met de bisschoppelijken staf, is het wapen van den toenmaaligen Provinciaal-Kommandeur, van Aldenbiesen, den Kardinaal-bisschop Damianus Hugo. Het derde schijnt het wapen te zijn van baron van der Noot, die den voorgenoemden als kommandeur van Gemert opvolgde.
    Volgens eene verklaring van Jos. Habets is het middelste wapen van Von Schönborn, van wien Habets een levensbeschrijving heeft uitgegeven, den toenmalig en Land-Kommandeur Bisschop van Spiers, later Kardinaal en sinds 1709 aan het hoofd der Orde geplaatst, het linker wapen is het Kruis der Duitsche Orde, -het rechter is noch van der Noot noch van Wachtendonk, derhalve van Wesselius, aangezien deze alleen met von Schönborn geregeerd heeft.
    Wesselius stierf den 12 Maart 1719. Gautius noemt hem: Pauperum et miserorum benefactor, vir elecmosynarius, d. i. een weldoener der armen en noodlijdenden, een man die veel aalmoezen gaf. Hij schonk aan de Kerk van Gemert eene remonstrans en herstelde het altaar van het H. Kruis, dat tijdens de Staatsche overheersching vernietigd was.
    Aan de zuidzijde der Kapel bevindt zich een ander wapen in hardsteen, waarvan wij de beteekenis en herkomst niet hebben kunnen achterhalen.
    Eertijds las men boven het portiek in den voorgevel van den toren de volgende verzen.

    't Is nu achtmaal vijftig jaeren,
    Noch zoo veelmael tien daerbij,
    Dat Maria's beeld etvaeren
    Door mirakels ons maekt blij.

    Berthramus Wesselius, baron von Loë, in 1690 tot kommandeur van Gemert benoemd, knielde eens voor de tweede maal voor het wonderdadig beeldje neder en zijn godsvrucht en vertrouwen op Maria werd beloond door zijn wonderbare genezing van de jicht, die hem kwelde. In zijn dankbaarheid maakte hij dit vierregelig chronicum of tijdschrift dat weleer den toren versierde om vooral de macht van Maria te doen uitkomen.
    Uit het chronicum of jaartalvers wat daarboven was aangebracht, en dat ook nu nog aanwezig is.

    Sancta Da Pacem,
    Geef vrede, o Heilige,

    blijkt dat dit vers geplaatst is in het jaar 1700.
    Het is thans door éen ander vervangen, dat eveneens heenwijst naar hetzelfde jaar:

    Bijna achtmaal zestig jaren,
    Is thans in dit eenzaam oord
    Uit den mond der Christenscharen,
    Heilige Maagd, Uw lof gehoord!
    Zegen steeds het Huis des Heeren,
    Help hen, die er U vereeren.

    Treedt ge de Kapel binnen, dan staat ge aanstond voor Maria's genadetroon, waar de meesten niet voorbij zullen gaan, zonder haar even te groeten.
    Eertijds stond het mirakeleuze beeldje in een anderen troon zooals ouder plaatwerk ons nog aantoont.
    In 1838 werd aan de kapel een fraaie troon geschonken, waarbij vier Heiligenbeelden een troon schraagden, die zich boven het wonderbeeld van Maria verhief. Doch in het jaar 1902 werd deze door milde bijdragen door den tegenwoordigen vervangen, die rijk aan goud, in kunstvol snijwerk te midden van een sierlijk hek omhoog rijst, om zijn kostbaren schat aan den geloovigen Christen te tooner*.
    Het Mariabeeldje zelf is uit hout gesneden en ongeveer 35 centimeter hoog. Het stelt de Moeder Gods voor in staande houding met haar Goddelijk Kind op den linkerarm. De rechterhand is ver uitgestrekt, maar er later bijgemaakt, om, als het beeldje in een mantel gehuld werd, een scepter te dragen. Want een der geschiedschrijvers uit het jaar 1887 beschrijft haar beeltenis aldus: De moedér Gods draagt haar kind op den linkerarm, terwijl zij in de rechterhand een scepter vasthoudt. Dit getuigt ook een oud perkamenten plaatje, in het Archief der kapel bewaard, waar Maria een scepter in de rechterhand draagt. Het Kindje Jezus houdt met beide handen een geopend boek. Volgens Dr. Xav. Smits is het beeldje bij den diefstal van 1854 erg geschonden.
    Rector van Laarschot liet in het jaar 1902 het miraculeuse Beeldje, in navolging van andere plaatsen, van zijn kostbare bekleeding ontdoen en onder leiding van Dr. Cuijpers zwaar vergulden.
    Het wonderbeeld van Handel is 't oudste van geheel het Bisdom. In het beroemde Maria-Werk van Aug. Wichmans, uitgegeven te Antwerpen in het jaar 1632 vindt men dienaangaande het volgende geschreven:
    „Ik verblijf in dezelfde streek en in het Peelland, waar een voorname plaats is, n.l. Gemert, grenzende aan het eerste, en een voortreffelijke stichting, gelijk men zegt, der Duitsche Ridders van Maria, die geheel de landstreek bestieren; maar er is eene kapel van Maria, reeds vroeger en ook nu nog door mirakelen vermaard, want R. D. Guilielmus Moraeus, een priester religieus van de Orde der Duitsche Ridders en Rector van genoemde plaats, schrijft mij, dat 't aldaar een vaste overlevering is, dat het beeld der Allerheiligste Maagd, door mirakelen vermaard, het eerst gevonden is, op de plaats zelve waar heden de Kapel gebouwd is, op eenen doren stock, het welk zeker gebeurd is reeds vóór 400 jaren".
    En W. Verbeeck in zijn heerlijk boekje:
    Hyperdulie of H. Eeredienst tót Maria, geschreven in het jaar 1699. „Dit beeld is gevonden op een doren stock, op dezelfde plaatse, al waar de capelle als nu gebaut is, klein van postuur is het selve, als wesende noch niet van de groote van een cubitus of halve erm, van hout sijnde gesneden, maar groot voorwaer in zijne krachten door Gods wille. Het Marienbeeldeken heeft haere Kindeken Jesus op haer linkererm, de moeder het Kindeken seer minnelijk aansiende, als scheijnende, om naar den mensch tespreecken, haeren Sone te believen en te versoecken voor de Godvruchtige Pelgrims troost ende genade.”
    De plaats echter, waar men het kapelletje gebouwd heeft, de vinding door den Bakelschen Schaapherder voorstellend, ligt een weinig ten zuiden van de tegenwoordige Kerk.
    Het beeldje in zijn uiterlijke vormen beschouwd, doet dan ook gelijk men beweert, aan de 13de eeuw denken, het geeft in alles de kenteekenen der 14de eeuw nog niet volledig weer.
    In een uiterst zeldzaam boekje, ons door den heer Ouwerling ter inzage gezonden: De opkomste Eer ende Vrèugt van Handel, uitgegeven in 1736, lezen wij, dat het Beeldje gevonden werd „over de vijfhondert Jaer", waaruit volgt, dat het zeker vroeger dan in 1237 gevonden werd. Geheel in overeenstemming hiermede is, wat wij in een vroegeren jaargang van „De Volks-Missionaris" betoogd vonden, dat de viering van O. L. Vrouw van Handel dagteekent van het jaar 1220; ook de geleerde oudheidkundige Pater Petrus Suau S.J. verklaart, na het Beeldje met de grootste nauwkeurigheid onderzocht te hebben, dat het dagteekent van het begin van 1200. Het is niet met juiste zekerheid te zeggen, van welken tijd de eerste wonderen dagteekenen en jammer is het, dat alle oude stukken, welke het archief der kapel uitmaakten, door brand en rampen van den oorlog zijn verloren gegaan. Natuurlijkerwijze mogen wij echter besluiten, dat de wonderen en buitengewone gunsten de aanleiding zijn geweest, om een kapel voor dit Beeldje van O. L. Vrouw op te trekken en dat deze wonderen reeds in de oudste tijden plaats vonden.
    Eertijds bevonden zich bij den troon van Maria vele ex-voto's: krukken van gebrekkigen, die bij het Beeldje van Maria waren genezen; op dit oogenblik zien we er echter slechts een tweetal binnen *t hekwerk van den genadetroon neergelegd, sprekende bewijzen nog van de weldaden van voorheen. De kostbare geschenken en ex-voto's, welke in de laatste tijden, Maria ter eere zijn geschonken, worden thans op de feestdagen van O. L. Vrouw in haren troon opgehangen.
    Drie oude votiefschilderijen, eertijds onder het zangkoor, thans door de goede zorgen van den tegenwoordigen rector van weerszijde aan den zijmuur opgehangen, zijn nog steeds bemoedigende herinneringen aan treffende mirakelen. In de Kapel zijn drie altaren opgericht, waarvan twee in 't midden der Kapel tegen een inspringenden zij-muur zijn aangebracht.
    Merkwaardig vooral is een grootdqek, waarop de ten Hemelopneming van O. L. Vr. is geschildercf en dat voorheen een waar sieraad was van het hoogaltaar, waarschijnlijk een geschenk der erven Hendrik Teunis van Hout te Boekel. Dertien doeken, hangende aan de zij-muren, verbeelden de mysteriën van den H. Rozenkrans. De schildering der Kapel is voltooid in 1898. Aan de zij-muren hangen de zware kaarsen, welke jaarlijks door verschillende processies worden geofferd. Iedere kaars draagt een schildje, waarop de naam vermeld staat van de plaats, welke de votiefkaars heeft geofferd. De volgende plaatsnamen vinden wij vermeld.
    Aan den epistelkant: Helmond, Boekel, Geldrop, Oploo, Valkenswaard, Langenboom.
    Aan den Evangeliekant: Gemert, Maria-Heide, Tilburg, Schijndel, Beek en Donk, Lieshout, Dinther.
    Ook vond de vorige Rector der Kapel, de ZeerEerw. Heer van Laarschot, bij den aanvang van zijn rectoraat, in de Sacristie der Kapel een Mariabeeldje, zeer gelijkend op het mirakuleus beeld. Dit beeld plaatste hij op een der kleine altaren aan de zuid-zijde der kapel, omdat men op een der votiefschilderijen, die het inwendige der Kapel weergeeft een dergelijk beeldje daar geteekend ziet.
    In de Archief-stukken van Düsseldorf wordt van beide beeldjes gesproken: „het mirakuleuze” en „het beeld in den not" (nood). Strijbos, die rector was van Handel 1585—1625, teekent in zijn inventaris 't volgende aan: „twe cassen, int een ons lieven vrowe, die men dregt, ind ander ons lieve vrou in der noot.
    Pater Kronenburg maakt daarom de veronderstelling, dat dit beeldje in den nood, ten tijde van vervolging heeft gediend om de vijanden van het aloude miraculeus beeldje af te trekken en hen op een dwaalspoor te brengen wanneer zij het zochten te vernietigen.
    Toen in 1649 de beroemde bedevaartplaats werd geplunderd.
    namen de heiligschenners de klokken van de Kapel mede, om daarvan kanonnen te maken. In 1692 kreeg Gemert, ten koste van de zwaarste offers zijn geroofde vrijheid terug. Toen verwekte God een man, die den eeretitel ontving van „Hersteller der devotie tot O. L. Vrouw van Handel", hij was de Rector Joannes Aldenhuijsen. Door zijne ijverige bemoeiïngen hergaf hij der vereering haren alouden luister; hij liet, een orgel in de kerk plaatsen om de plechtigheden op te luisteren; hij legde de grondslagen voor een nieuw priesterkoor en liet nieuwe klokken gieten, die bij de processiën hare welluidende tonen zouden doen hooren.
    De groote klok welke zich in den toren der Kapel bevindt en een gewicht heeft van 1I7½ kilo, geeft u het volgende te lezen:

    †  S. Maria, ora pro nobis.
    Joannes Aldenhuijsen O. T. Rector in Haendel 1682.

    Op de zuid-zijde, naar den voorgevel: Crucifix met Christus Maria en Joannes,

    Op de zijde naar de Kapel: Alexis Julien.

    Op de zijde naar 't klooster der Paters Kapucijnen: het beeld der H. Maagd met Kind en Scepter: daaronder twee slangen recht opstaande.

    Op de zijde naar Gemert: IHS

    Op de kleine klok, wegende 80½ kilo, staat het volgende :

    † S. Joseph, ora pro nobis.

    Joannes Aldenhuijsen, O. T.P Rector in Haendel 1682,

    verder alles hetzelfde evenals de andere klok, maar inplaats van de beeltenis van O. L. Vrouw het beeld van den H. Jozef met een lelie.

    Op een andere kleine klok, wegende ongeveer 50 kilo. staat te lezen:

    Sancta Anna, ora pro nobis 1682.
    Joannes Aldenhuijsen, Rector in Haendel.

    Rondom: Alexis Julien.

    Aan de noordzijde der Kapel stond weleer een houten Kapelletje, waarin bij grooten toevloed van bedevaartgangers de heilige dienst werd verricht; dit is echter ongeveer een vijftigtal jaren gesloopt.
    Eertijds bevond zich aan de voorzijde der Kapel eene muur; deze werd in 't jaar 1913 afgebroken en vervangen door het ijzeren staketsel, dat thans de voorzijde siert. Naast de Kapel staan nog altijd de eeuwenoude lindeboomen, die een lange rei van
    gebeurtenissen hebben medegemaakt, behoorende tot Handels verleden. Als trotsche herauten met hun bultigen stam getuigen zij van het heengaan der eeuwen, en passen zoo juist bij hun omgeving om den vragenden pelgrim rust en vrede aan te bieden, en tevens om als trouwe lijfwachten het heiligdom te beschermen, waar op gouden troon de Hemelkoninginne zetelt, sinds eeuwen hier zoo mateloos goed voor haar volk.
    't Is echt landelijk rondom de kapel. Onder het lommer der boomen voortwandelende, wordt u als 't ware, de weg aangewezen, door twee knielende Engelen, met een lantaarn in de hand, op hoog voetstuk gezeten.
    Wat altijd het oog trekt, is een oude doornstruik, die ten Noord-Oosten der kapel zijn takken uitspreidt. Volgens een andere legende zou het beeldje van Maria uit dezen ouden doornboom gesneden zijn. Hiernaast bevindt zich eene bron, die men de heilige put" noemt. In een oud Register van het Kerkarchief te Handel vindt men opgeteekend: existit puteus seu fons, cajus aqua pie a fidelibus adhibetur, fultis traditione antiqua. d. w. z. Er bestaat een put of bron, waarvan het water door de geloovigen godsdienstig gebruikt wordt, steunende op eene oude overlevering.
    De heilige put, of „het heilig putje" zooals het volk 't noemt, moet wel zeer oud wezen, Strijbos immers schrijft: In 1594 tusschen Paschen en Pinksteren is onser liever vrouwen put of fontein geheel van metsen, kist en de pijep verneut (van muurwerk, kist en pijp vernieuwd) ende repareert costen tsamen 8 gl."
    Waarschijnlijk hebben de geloovigen, die bij het beeld ver- trouwvol baden, toen het nog in den doornstruik stond, vele gunsten door de voorspraak van de H. Maagd verkregen, wijl het verlangen bij hun opkwam, om een waardiger woning in de nabijheid op te trekken. Hun vurige geestdrift werd dan ook al spoedig bij den bouw der Kapel, door een teeken van Maria's instemming met het werk, beloond. Spoedig begon in deze zandige streek het water te ontbreken, zoo noodig voor den bouw. En ziet, er ontwelde tot verwondering van allen eenklaps een klein fontein, waarin het water ongeveer 2 meter diep stond, dat sinds dien tijd nooit of nimmer heeft opgehouden te vloeien.
    . Dit was op zich zelf beschouwd in deze onbewoonbare zandwoestijn, gelijk Handel eertijds was, waar nauwelijks iets groeide of bloeide, een duidelijk bewijs, dat Maria zich met het werk inliet, en dat er iets bijzonders had plaats gehad, 't Was een duidelijk bewijs, dat, door de dankbare godsvrucht der geloovigen, die hier veel gunsten en weldaden ontvingen, ook van ouds overvloedige giften te samen stroomden uit de buurtschap, waaraan het bedehuis van Maria zijn wording dankte.
    De bevolking heeft dan ook, zooals de ZeerEerw. Heer v. d. Elsen schrijft, dit heiligdom met een legende vereerd. Maria zou namelijk eens haar kleed in dit putje gewasschen en op den daar naaststaanden doornstruik te drogen gehangen hebben, 't Is een lieflijke Maria-legende, die ons allerduidelijkst de kinderlijke
    beschouwingen van het volk uit het leven der Moeder Gods  weerspiegelt.
    Niemand der pelgrims, die Maria bezoekt, om een gunst te verkrijgen, zal verwaarloozen iets van het water te gebruiken of met zich huiswaarts te nemen. Hoe dikwijls toch mochten wij zien, dat de bedevaartgangers van het water uit „heilig putje” dronken, ot het in fleschjes medenamen naar huis ten einde het, vol vertrouwen op Maria's voorspraak, te gebruiken in ziekte en andere moeielijke omstandigheden. Niet weinige genezingen dan ook, kwamen in den loop der tijden het kinderlijk vertrouwen beloonen. In het jaar 1718 o. a. is een kreupele „gewasschen in de miraculeuze fontein" en genezen. Bij de wonderbare genezingen en mirakelen, welke wij in dit boekje nog zullen mededeelen, willen we dit nog nader bevestigen.
    De put is met een leien dak, in den vorm van een torentje overdekt. Op de spits daarvan stond eertijds een oud metalen Moeder Gods beeldje.
    Rondom onder het dak van dit torentje was in onduidelijk schrift, dat later wederom is bijgewerkt, een vers geschilderd, waarschijnlijk uit de vroegere overblijfselen te oordeelen, van 10 regels, waarvan het volgende, nog zichtbaar is:
    Wilt gij genezen zijn.

    (O Pelgrim, zoo gebruik)
    Maria's bad altijd;
    Dit bad is altijd goed.
    Dit bad is altijd rein,
    Dat (elkeen zich dan spoede')
    Naar dit bad, dees fontein.
    Ave Maria, U behoed. 1951

    Het putje geeft inderdaad, ofschoon het slechts twee meter waterdiepte inhoudt altijd rein en smaakvol water, terwijl het zich juist op de gistachtige landstreek bevindt, die van Boekel over Handel door Gemert zich uitstrekt en door het volk de Wijst genoemd wordt. In 1919 werd het putje geheel en al vernieuwd. Was het eertijds in het vierkant opgetrokken, nu staat het daar als een prachtig monumentje. Het bad van Bethsaïda, met zijn heilaanbrengend water voor de zieken vormt de hoofdgedachte. Een engel houdt in zijne handen jte schelp vast, welke het heldere water der fontein aanbiedt. Vier kolommen dragen een sierlijk torentje waarboven een Maria-beeldje prijkt.
    Bij deze bron staande onder de schaduw der hooge eiken, ziet ge voor u een uitgestrekt terrein, waar, op den achtergrond behoorlijke bosschage's zich verheffen. De weg daarheen voert u langs de 15 rozenkranskapelletjes, die op bepaalde afstanden aangebracht, in goed gevormde beeldengroepen, u de verschillende geheimen van den rozenkrans voor den geest brengen.
    In ‘t midden dezer Kapelletjes staat de Sacramentskapel, waarin een zandsteenen altaar is opgericht, dat ter onderbreking der
    processlën, als rustplaats dient voor den Eucharistischen Christus, en waar, aan de biddende scharen van geloovigen, den plechtigen zegen met het Allerheiligste gegeven wordt. In deze Kapel staat een levensgroote beeldengroep voorstellende, O. L. Vrouw van den H. Rozenkrans, waarvoor Sint Dominicus neerknielt. Hoe machtig is de indruk, wanneer daar in aanbidding voor het H. Sacrament, een overaroote menigte pelgrims, welke soms over de duizend telt, ligt neergeknield,om den zegen te ontvangen van Hem, Die zijne Moeder ons tot moeder heeft gegeven.
    Onmiddelijk achter deze Sacramentskapel te midden van bekoorlijk groen en bosschage ondekt de vrome pelgrim het aangrijpend tooneel van Christus ziels- en lichaamssmarten in den Olijfhof.
    Door de vaardige hand van den jeugdigen kunstenaar van Balgoy uit Nijmegen, is hier in levensgroote weergegeven den biddenden Christus in den hof van Olijven, terwijl de Engel uit den Hemel met een Kelk in de hand in zwevende houding den lijdenden God- mensch komt sterken.
    Bij den aanvang van den hof liggen de drie slapende aposte- len Petrus, Joannes en Jacobus. Grootsch meesterwerk, dat n verder den weg aangeeft langs kronkelende paden naar de 14 staties van den heiligen Kruisweg, door denzelfden kunstenaar ontworpen en uitgevoerd.
    Waarom, te midden der Maria-vereering van Handel, de nieuwe Rector al aanstonds dit verheven plan liet uitvoeren, geeft hij zelf weer in zijn inwijdingspreek in 't jaar 1917 gehouden op den feestdag van Maria Boodschap.
    „Waarom", zoo sprak Rector J. Duijnstee, „heb ik zoo gaarne gezien, dat deze beeldengroep zou verrijzen hier in Maria's genadeoord ?
    Omdat ik meen, dat deze voorstelling veel kan bijdragen om de vereering van Maria in Handel te bevorderen, van Maria, die hier bijzonder wordt aangeroepen als de Troosteres der bedrukten, en als de  Toevlucht der zondaren, gelijk wij op haar troon lezen. Wij weten welk een groot aandeel Maria, de moeder der Smarten, heeft gehad in het lijden van haar Zoon, waarom zij dan ook terecht onze Mede-Verlosseres genoemd wordt. Sedert Simeon in den tempel de profetische woorden uitsprak, dat door haar eigen ziel een zwaard zou gaan, bleef dat zwaard in haar hart trillen, stond geheel het lijden van Jezus, gelijk het reeds toen door de profeten beschreven was, haar voor den geest, en na het vreeselijk gebeuren, na Jezus dood, bleef het hare meestgeliefde bezigheid te Jerusalem de plaatsen te bezoeken door het lijden van Jezus geheiligd en wij lezen in de grijze overlevering, dat haar laatste verzoek aan Johannes was: Laat ons nog de plaatsen bezoeken waar Jezus eenmaal geleden heeft en dan sterven!
    Zal het Maria dan niet aangenaam zijn, dat zij,die aanhaar verlangen voldoen en haar in Handel komen vereeren, dat zij dan ook hierin haar voorbeeld volgen en de voorstellingen van hetgeen
    Jezus leed. godvruchtig komen bezoeken? De navolging harer voorbeelden blijft toch altijd de schoonste en beste Maria-vereering!
    Maria heeft zelve Handel uitgekozen, waar zij getoond heeft te zijn, de Troosteres der bedrukten. En duizenden en honderdduizenden hebben hier in die 7 eeuwen voor haar mirakuleuze beeltenis neergeknield, haar hunnen nood geklaagd, haar gevraagd bevrijd te worden van het kruis, dat op hunne schouders was gelegd.
    En met dankbaar hart en juichend en jubelend zullen wij het erkennen en herhalen: zij allen zijn door haar getroost en gesterkt, velen verhoord al was menigmaal een wonder noodig voor die verhooring. Maar niet slechts door die wonderbare genezingen, die door ooggetuigen zijn waargenomen, dóór Schepenen, Notaris, en Geneesheer onder eede vastgesteld en op perkament met zegel zijn bevestigd; ook niet slechts door die gebedsverhooringen, die voor openbaarmaking in aanmerking kwamen en door geschriften en lijsten in de Kapel opgehangen, zijn bekend gemaakt, maar ook door de stille ontelbare gebedsverhooringen, die niet geschikt waren voor openbaarmaking en slechts in engen kring bekend werden, of in 9t geheim in 't archief der Kerk blijven berusten, wordt getuigenis afgelegd, dat Maria hier in waarheid een Troos- teresse der bedrukten is.
    En ja, Christenen, wij zijn er dankbaar voor, dat Maria het nederige Handel uitkoos om hare moederlijke gunsten en gaven zoo milddadig uit te deelen.
    Maar zijn er onder die honderdduizenden ook niet velen, die in menschelijke kortzichtigheid hier door Maria's voorspraak trachtten te verkrijgen, wat in strijd is met de in Gods oneindige wijsheid genomen raadsbesluiten, wat God als goede Vader hun niet geven mag, wat Maria, als goede moeder voor hen niet vragen kan.
    Ook voor hen is Maria de Troosteres der bedrukten, hun gebed zal zij op een andere wijze verhooren- Voor hen zal zij de genade verwerven hun kruis met geduld en onderwerping te \ dragen.
    Thans zal die genade, bij Maria's troon verworven hen heentrekken naar deze plaats, waar aanschouwelijk is voorgesteld, hoe ook Jezus heeft geleden; geleden, met volle onderwerping aan Gods wil, al werd zijn gebed: „Vader, laat dezen Kelk van mij voorbijgaan niet verhoord, en al moest Hij den lijdenskelk tot den bodem toe ledigen. Tevens wordt hier aanschouwelijk voorgesteld, hoe het gebed met onderwerping aan Gods H. Wil troost en sterkte bracht, zoodat Jezus, na de verschijning van den Engel, opstond, zijne leerlingen wekte en welgemoed en vastberaden zijn beulen tegemoed ging.
    Door Maria's hand naar hier geleid, zal ook de meest-beproefden van het Goddelijk voorbeeld leeren de onderwerping aan Gods
    H. Wil.

    De Duitsche Orde der Ridderschap van O. L. Vrouw.
    III

    IN nauw verband met de geschiedenis van Handel in haar eerste tijdperken, staat de geschiedenis der Duitsche Orde der Ridderschap van O. L. Vrouw.
    In de eerste helft der Xlllde eeuw, het jaar 1231, kwam een nieuw kloosterorde ons vaderland ten zegen. Het was de Dietsche Ridderorde, die onder den naam van Dietsche Ridders omstreeks 1231 bij Utrecht haar eerste huis vestigde. Deze orde muntte vooral ook uit in de vereering der H. Maagd; vandaar werden zij ook wel Marianen genoemd.
    Hun gewaad bestond uit een zwarten lijfrok, waarover een witte mantel met efen zwart kruis op de linkerborst neerhing.
    Al spoedig breidde deze nieuwe stichting in ons land zich uit van Oost naar West.
    In 1207, zoo vinden wij in de geschiedenis vermeld, werd hun door een edelman uit Groningenland vele goederen in ons vaderland geschonken, o. a. te Dieren en te Schalkwijk. Verder verkregen zij al spoedig goederen of huizen te Middelburg, Leiden, Tiel, Schelluinen, Schoten, Maasland, Rhenen, Ootmarsum, Vucht» Gemert enz.
    Bij sommige huizen werden ook kloosters gesticht voor vrouwen, om de ziekenverpleging op zich te nemen.
    Deze Duitsche Ridderorde plantte dan ook met hare vestiging hier te lande, hun innige liefde tot en vereering van Maria op Hollandschen bodem over. Werd iemand in deze orde opgenomen, dan verzocht hij dit „ter wille Gods en der Allerheiligste Moeder Gods Maria”. Hierop antwoordde hem de Kommandeur, dat de ' Orde hem niets verplicht was dan brood en water en een eenvoudig kleed volgens de Statuten. „Ontvangt gij iets beters, zoo voegde hij er dan bij, dank daarvoor God, de H. Maagd en deze lofwaardige Orde".
    Na het volbrachte proefjaar werd de novice tot de professie toegelaten. Dan knielde hij in de tegenwoordigheid van het H. Sacrament, omgeven van geheel de communiteit van Ridders

    voor den Kommandeur neder en sprak op de volgende wijze zijne heilige professie uit:
    „Ik N. doe professie en beloof kuischheid des lichaams, en zonder eigen bezit te zijn, en gehoorzaamheid aan God en de H. Maria en aan U broeder N, meester der Orde van het Dietsche huis en uwe opvolgers, volgens de regelen en de instellingen en de gewoonten der Orde en ik wil gehoorzaam wezen tot aan mijnen dood".
    Groot waren de verplichtingen, welke uit deze professie voor hen voortvloeiden, en vooral blijkt daaruit hun oprechte liefde tot Maria. Gelijk Kerstmis, Paschen en Pinksteren in de Kerk gevierd werden, zoo vierden zij daarbij al de feesten van Maria, destijds in gebruik: Maria’s Geboorte en Ontvangenis, Maria Boodschap, O. L. Vrouw Lichtmis, en Maria Hemelvaart. Op verschillende vigilie's dier feesten moesten ze vasten. Bijna alle dagen des jaars baden ze gezamenlijk de Getijden der H. Maagd. Velen voerden de beeltenis van Maria in hun wapen. Hierop komen, in het laatst der 15de eeuw, vier kruiselings geplaatste scepters met leliën aan de punt voor, evenals de scepters der Oude Lievevrouwen- beelden, die meestal een lelie als scepter in de hand droegen. Deze leliën, die zich te samen strengelden tot scepter, schijnen een huldebetoon te beteekenen, aan de Moeder Gods gebracht. De ordelingen waren niet slechts kloosterlingen, maar tevens ridders, die dapper streden in den tijd der Kruistochten tegen de Turken en Saracenen en andere vijanden van Kerk en geloof.
    Wonderbare macht van de Moeder des Heeren, die zoovele honderden ridders aldus in eene orde aan zich wist te verbinden, # dat zij ter liefde van Jezus en haar de genoegens der wereld vaarwel zegden, om in de eenzaamheid des kloosters zich geheel aan haar en den dienst van haren Goddelijken Zoon te verbinden door de drie geloften van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid.
    De orde was nauwelijks 30 jaren oud, toen zij zich in ons vaderland vestigde. Mechtildes, Abdis van Munster-Bilsen, schonk haar eene kapel te Biesen, om haar, in haar liefdewerken te steunen.
    Dit werd de hoofdzetel van de Zuid-Nederlandsche Provincie en tevens de woonplaats van den Land-Kommandeur. Onder de twaalf Commanderieën, welke aan de Provincie Aldenbiezen onderworpen waren, verdient vooral die van Gemert onze aandacht.
    In het jaar 1249 bezat deze Orde reeds zooveel goederen te Gemert, dat er een rentmeester was aangesteld n.1. Arnoldus, Provisor van het Huis der Duitsche Ridders te Gemert. In 1270 behoorde haar de helft der heerlijkheid en in 1366 verkreeg zij het leenheerschap der andere helft, gelijk J. C. A. Hezenmans ons zegt. Reeds in 1261 wordt ons melding gemaakt van een Kommandeur te Gemert, Hendrik van Ruysschenberg. De Kapel van den H. Willibrordus, die waarschijnlijk in de 13de eeuw was gebouwd, werd in 1437 van de moederkerk Bakel gescheiden en tot Parochiekerk verheven.
    De eerste pastoor was Joannes van Attendoren, een priester der Duitsche Orde, van wien de jaarboeken zeggen, dat hij van zijne erfgoederen en van de gelden, dié bij het mirakuleuze kruis, geofferd werden, een nieuwe Kerk te Gemert bouwde, die werd toegewijd aan zijn Patroon, den H. Joannes Baptist. Deze Duitsche Ridders hebben zoowel het geestelijke als tijdelijke beheer van Gemert tot aan de Fransche Revolutie in handen gehad en hebben er veel goeds tot stand gebracht: geloof en goede zeden hebben zij er bewaard en ontelbare andere weldaden op stoffelijk gebied aan de inwonende bevolking verzekerd. Ook de stichting der nog steeds bloeiende Latijnsche School was een dezer weldaden ; het was het werk van den grooten Land-Kommandeur Hendrik van Ruijsschenberg. Ook Handel behoorde aan de Ridders der Duitsche Orde, die de Heerlijkheid van Gemert bewoonden. Met een bijzondere voorliefde werkten zij, tijdens hun verblijf te Gemert, om het mirakuleuze beeld van Handel in eere te houden. Met ijver en vlijt bedienden zij de Kapel, om den eere- dienst van Maria zooveel mogelijk onder het volk te verspreiden.
    Wanneer zij het Kommandeurschap aanvaardden, werd een plechtige optocht georganiseerd en trokken zij naar de kapel om Maria op Handel te huldigen, de Beschermster hunner roemrijke Orde. Dit heiligdom was hun dierbaar; zij hadden het versierd en vergroot en daar de kapel op den grond en in de heerlijkheid der Orde was opgericht» bezat zij ook het patronaat daarover.
    Behalve de zielzorg dus voor Gemert en eenige parochies uit de omstreken, die door de Kommanderij van Gemert waren gesticht, zooals b.v. Geldrop ; behoorde dus de bedevaartplaats Handel onder hét geestelijk bestuur der „Duitsche Ridders”.
    Tijdens de opstand der geuzen, toen Gemert veel te lijden had van de verschrikkingen,4 die een doortocht van overwinnende of teruggeslagen huurtroepen met zich brengt, nam het Kasteel de rijkdommen van Handel's kapel onder zijne hoede om ze aan de roofgierigheid der bende te ontrukken. Dit geschiedde in het laatst der zestiende eeuw. Nog droeviger werd de toestand in 't midden der 17e eeuw toen de Kommandeur Ulrich van Hoensbroek van het geloof afviel en de heerlijkheid Gemert aan de Staten overleverde. Zijn opvolger Ambrosius de Lerod-Virmundt echter stelde alles in het werk om de Orde in Gemert te herstellen. In 1662 slaagden zijn pogingen, na het teekenen van zware voorwaarden. De Kommandetij werd echter aan de ridders teruggeven en twee en twintig jaren lang ondervond Handel en de omliggende gemeenten den weldadigen invloed onder het zegenrijk bestuur van den rechtschapen en edelen Virmundt.
    Tot onderhoud der Handelsche Kapel bouwde deze Komman- deur in de nabijheid der kerk een boerderij welke nu nog uit piëteit jegens den edelen stichter op haren zijgevel den naam draagt: Virmundtsche hoeve.
    Deze vijftiende Kommandeur Ambrosius, baron van Virmundt, was wel een uitnemend man, zooals wij uit zijn grafschrift, ons door Coppens meegedeeld kunnen lezen. De tekst van den zerk
    luidt in het Hollandsch vertaald: „Den Allerbesten en Allergrootsten God.
    Sta wandelaar; geeft er acht op, wat deze marmersteen wil zeggen. Ambrosius, baron van Virmundt, Duitsch—Ordens—Kommandeur te Gemert, ligt hier: door zachtaardigheid van zijn woord, door reinheid van lichaam, door afkomst, voorzichtigheid en Deugd doorluchtigst; verdediger van den Katholieken Godsdienst en hersteller daarvan te Gemert; den armen vader en der weezen voogd; hij maakte zijn leven vruchtbaar voor de aarde, zijn geloof voor de hemelen.”
    Het daarbijgevoegde latijnsche jaarschrift luidt in onze taal:

    Hij was voor 't dorp een licht, een levend beeld van deugd,
    Zoo won de held Virmundt, zicht 't recht op ware vreugd.

    Kommandeur Bertram Wessel, baron van Loë vond er behagen in ook op Handel het voetspoor van zijn voorgangers te volgen. Hij bezocht herhaaldelijk' de plaats en Handel genoot meermalen van zijne milde giften- Hij liet nieuwe vensterramen vervaardigen ter versiering van de kapel; bij een andere gelegenheid werd een hoeve geschonken, waarvan de huur bijdroeg om de inkomsten te vergrooten; later kwam hetorgel als bewijs zijner mildheid.
    Handel bleef hun heiligdom, zooals de H. Maagd hun Moeder was. Waren zij niet de zonen van O. L. Vrouw der Teutonen? Op alle deuren der kapel prijken dan ook hun wapens.
    Loë had evenwel meer dan eenig ander Kommandeur verplichtingen tegenover de H. Maagd- Nauwelijks had hij zijn benoeming voor het kasteel van Gemert ontvangen, of hij ging zich neerwerpen aan de voeten van O. L, Vrouw van Handel om hare machtige voorspraak in te roepen tot herstel zijnér gezondheid. Hij leed, zeker ten gevolge der ontberingen op zijn vroegere krijgstochten, hevige jichtpijnen. En, als wilde Maria toonen, dat hare liefde voor de Duitsche Orde niet verminderd was, — toen de Kommandeur ten tweede male onder de verschrikkelijkste pijnen te Handel bad, werd hij eensklaps ter plaatse zelve genezen. Wij kunnen begrijpen dat hij later dikwijls uit dank het hem zoo dierbaar Handels heiligdom kwam bezoeken, zooais we lezen in de opdracht van Verbeeck's werkje: Hyperdulie of heiligen eerdienst tot Maria. In zijn groote dankbaarheid liet hij op ae groote deuren der kapel een vierregelig versje plaatsen, wat wij reeds in de beschrijving van de kapel hebben opgenomen. Hij zorgde ook voor de ruime verspreiding van bovengenoemd boekje door Verbeeck opgesteld, dat de glorie en de geschiedenis van O. L. Vrouw vermeldde en hem als Kommandeur door den schrijver was opgedragen.
    Bertram Wesselius droeg met zijn overste den Landkommandeur veel bij tot het bóuwen van het nieuwe koor, waarvan de eerste steen reeds onder rector Aldenhuijzen gelegd was; zoo beval hij, in 1708, toen eenige landlieden weigerden „met hare karren te gaen haelen naer Bekerstaeij de materialen tot den opbouw van de capelle alhier tot Handel", op boete van zes gulden de taak te vervullen, welke hun de Landkommandeur had opgelegd. Vandaar prijkt nog in den muur van de sacristie het wapen van den Landkommandeur H. van Wassenaer tot Warmondt.
    Kardinaal van Schoenborn, die provinciaal der Ridders was bij den brand van 16 September 1709, aarzelde niet om de gelden, die voor de restauratie van het kasteel waren voorbehouden, allereerst te besteden voor het heiligdom van Handel. Zoo dikwijls hij in Gemert kwam, ging hij zich aan de voeten der H. Maagd op Handel werpen en bracht haar zijn persoonlijke hulde en die zijner provincie.
    Zijn opvolger, Baron van Sickingen deed niet minder. In 1715 schonk hij het altaar, een zeer mooien gouden kelk, fijn drijfwerk, die nog heden tot de schatten der kerk behoort.
    Omstreeks 1766 schonk de Kommandeur van Belderbusch op zijn beurt aan de kapel van Handel een missaal uit de drukkerij van Plantijn uit Antwerpen, dat bekleed was met Utrechts fluweel en voorzien van massief zilveren ornamenten. Daar dit missaal in den loop der tijden onbruikbaar was geworden, heeft men dit kostbaar bekleedsel en dezelfde ornamenten op een nieuw misboek aangebracht. De degelijkheid van deze versierselen blijkt wel hieruit, dat dit missaal nog op hooge feestdagen wordt gebruikt. Verders voltooien biechtstoelen en een gebeeldhouwd eiken orgel het rijke geschenk van dezen Kommandeur.
    Eindelijk den 15en Juli 1786 deed een nieuwe Landskommandeur Jan Fidelius van Reisschag, die de laatste provinciaal zou zijn van Aldenbiesen, waartoe Gemert's kasteel behoorde, in laatstgenoemde plaats zijn plechtigen intocht. Reeds den volgenden dag maakte hij met al de Heeren van het kasteel een „beeweg" naar Handel. Bij de eerste hoeve en nabij het huis van den rector waren eerebogen opgericht, en alle huizen prijkten met slingers en jaarschriften. Hij stapte af aan het rectoraat, dat evenals de kapel van binnen en buiten met kransen en jaarschiften behangen was. Daarna toog hij door de groote deur van den toren in de kapel, knielde neder voor het wonderbeeldje, dat de hulde van zooveel edellieden ontvangen had, aanschouwde den opgesierdén boog tusschen de kleine altaren, de communiebank en het hoogaltaar, keerde zich toen weer om en maakte eene wandeling door het bosch achter de kapel in den Hanecamp. (Tijdschrift van Aug. Sassen).
    Maar wat beteekenen deze getuigenissen, vergeleken bij de ontelbare en minstens even verdienstvolle eerbewijzen die Maria op Handel gedurende het zeshonderdjarig verblijf der Teutonen van de eenvoudige ridders ontvangen heeft ? Zelfs in den vreemde vergaten de ridders van Onze Lieve Vrouw der Teutonen hun dierbaar Handel niet. In 1627 stichtte in Leuven de overste van het Teutonen-College aldaar in Handel een beurs.
    De grootste hulde evenwel en de beste diensten, welke zij Maria bewezen, was hun waakzaamheid over de zuiverheid en onkreukbare trouw aan het geloof bij de priesters, die met de heilige bediening belast waren. Vanaf den tachtigjarigen oorlog 1569—1648 liep het zielenleven groot gevaar. De katholieke traditie was verbroken. De publieke eeredienst genoot niet meer de vrijheden, die de wet nog wel altijd toeliet in die plaatsen, waar de ketterij nooit overheerschend was geweest. Toen de protestanten het kasteel verlaten hadden, hadden zij zich geenszins uit de omgeving teruggetrokken. De Kommandeur moest blijven zorgen voor het onderhoud van een dominee, die de oude kapel der Domini- kanen voor zijne kudde in gebruik hield.
    Iedere nieuwe rector moest bij zijne benoeming op Handel den eed afleggen, dat hij elk jaar aan zijn overste, den provinciaal rekening en verantwoording zou doen en dat hij alleen onderricht zou geven in de zuivere leer der katholieke Kerk. En dat was iets meer dan een bloote vorm: de provincialen hielden op hunne geestelijken nauwlettend toezicht. Zelfs den ijverigen bevorderaar van de vereering der O. L. Vrouw van Handel, Wilhelmus Moraeus 1626 werd de jaarlijksche verantwoording opgelegd. Tevens beloofde hij een onberispelijken levenswandel te zullen leiden volgens de leer der katholieke Kerk, te Handel te zullen prediken, inden godsdienst onderricht geven en andere bedieningen met ijver te vervullen, welke de overheid der Orde hem zou opleggen. Al was dit nu niet noodig voor Moraeus, toch wilde de Duitsche Orde het afleggen van zulke verklaringen aan hare priesters voorschrijven, omdat de katholieke godsdienst ook toen overal geweldig werd bestreden. Uit de archieven blijkt ook nog, met welke gestrenge nauwkeurigheid kardinaal Schoenborn b. v. bij gelegenheid van zijn bezoek in 1745 de gebouwen en de boeken naziet en zich van alles rekenschap laat geven; de opvolger van rector Cilles te Handel moet in een uitvoerig verslag alles meedeelen, wat er gedurende drie jaren in zijn parochie gebeurd is en wat voor het heil der zielen wordt geëischt; eerst dan zal hij de gewone en vaste benoeming van zijn rectoraatschap op Handel krijgen. De waakzaamheid van den provinciaal, die volgens wijs beleid, onafhankelijk van den bisschop, benoemde, installeerde, terugriep of verplaatste, strekte zich over alles uit, wat met den godsdienst in betrekking stond, zooals men in de archieven kan lezen.


    De Vereering van O- L. Vrouw van Handel.
    IV.

    EEN ramp voor Handel's geschiedenis was het jaar 1709.
    „Handel", zoo schrijft Gautius (kerkregister folio 243) is in ‘t jaar 1709 op Gemerts mercktdagh in September afgebrandt. Op dien dagh branden het huijs van den rector met de meubelen en schriften en documenten....
    O konden we nog putten uit die „schriften en documenten !” Wat zouden we u kunnen verhalen over de devotie der pelgrims! Wel weten we uit een geschrift van Ywan von Cortenbach, anno 1420, in het Staatsarchief van Düsseldorf berustend, dat Handel in het begin der l5e eeuw groot en beroemd is geworden, doch wij moeten ons daarmede tevreden stellen en slechts putten uit bronnen van latere datum's, om gesticht te zijn over de godsvrucht der bedevaartgangers naar Handel, over hun „pelgrimage varen, gaen of doen", hun „bedevaart varen, tien of reisen gelijk onze vaderen het noemden, als ze biddend optrokken naar het miraculeuse beeld van Maria, de Moeder des Heeren.
    Dat „groot worden" van Handel bestond niet in het aantal huizen op deze buurtschap, men had er alleen het hofgoed Handel en Strijbos (thans oude Kluis genoemd) misschien ook een bouwhoeve op De Locht, een buurt van het aangrenzende Boekel, maar in den grooten toeloop van afzonderlijke personen of groepen en enkele processies.
    Van niet weinig belang is het, de inkomsten der kapel te kennen, zegt P. v. d. Elsen, in een handschrift, waaraan wij dit dankbaar ontleenen. Dewijl toch alle uit liefdegiften voortkomen, kan men daaraan de vurigheid en algemeenheid der devotie tot O. L. Vrouw van Handel afmeten. Men moet echter wel in het oog houden, dat behalve de stichtingen nog liefdegaven uit de hand geofferd werden. De eerste waren in de 15e en 16e eeuw betrekkelijk gering, maar de tweede, oblata genoemd, waren zooveel te aanzienlijker. Strijbos zegt het uitdrukkelijk, dat deze den Pastoor van Gemert, G. Meeuws, naar Handel lokten, en de kerkmeubelen, welke in zijnen tijd nog over waren, zijn er de sprekende bewijzen van.
    De Kapel is buiten alle tegenspraak met verlof der Duitsche Orde en op haren grond gebouwd. Dat zij echter veel tot den bouw heeft bijgedragen, is minder aannemelijk. Noch de Orde, noch de Heerlijkheid had behoefte aan eene kapel op eene zoo ver afgelegen plaats. Alleen de godsvrucht der geloovigen heeft haar tot stand gebracht.
    De eerste stichting bestaat in twee wekelijksche H.H. Missen. Strijbos schreef dat zij moeten gelezen worden Zaterdags en op alle Heiligendagen. Hoe dit moet verstaan worden, leeren wij uit de aanstellingsoorkonde van Moraeus d.d. 1626: „Dagegen soll vorschreven Herr Wilhelm Moraeus wochentlich zwee und sunsten uff unser 1. frawen, heilige und der andere patronen festdagen celebriren".
    Deze twee wekelijksche H.H. Missen moesten gelezen worden ex antiqua fundatione, volgens een oude stichting, voor welke eenige renten waren vastgelegd, die door verschillende inwoners van Gemert moeten betaald- worden, schreef Moraeus.
    Welke nu die renten zijn, kan men nazien in het register van Strijbos. De geheele som daarvan was in zijnen tijd 6 mud, 10 vat rogge, 3 gl en 5 st. Bij den brand van 1709 gingen de bewijsstukken dier renten verloren, maar zij werden opnieuw opgespoord en beschreven, zooals men uit het „nieuwe gemaeckt register d.d. 16 Maart 1712 zien kan. Men vindt ze nog vermeld op de rekening van 1793 opgemaakt door Dullens.
    Uit liefde tot O. L. Vrouw werd nog eene andere stichting gefundeerd, nml. die van Arr, van Plees, door Strijbos aldus beschreven: „Die rector oft inservitor moet sondaghs na S, Anthonis vigilie lezen ende jaergetijde halden ende verkundigen laten van Art. van Plees ende sijn ouders". Van deze stichting wordt later nergens meer melding gemaakt. Misschien is zij na de reformatie, evenals de anderen gereduceerd en wel tot een officium Defunctorum, dominica ante festum S. Antonii simpliciter" d. i. een officie der overledenen, op Zondag voor het feest van S. Antonius. Dezen last althans vind ik op de lijst van Luijten en ik weet er geen oorsprong voor aan te wijzen. Het is echter waarschijnlijker dat deze stichting tegelijk met vier andere Missen tot twee wekelijksche is gereduceerd. Ook vermeldt Strijbos, dat er vóór zijn tijd nog een ander vast inkomen geweest is, nml. „Anno 1536 had die capel 46 scaepen”.... Die schapen waren waarschijnlijk gekocht uit de oblata der kapel en komen dus niet onder de stichtingen.
    De vereering der Moedermaagd nam vooral in deze tijden toe en groote godsvrucht onzer vaderen kenmerkte dit tijdvak.
    Dan, daar komen donkere wolken: een storm zal losbarsten tegen den Roomschen Godsdienst, zoo onstuimig, zoo verwoestend, hagelslagen zoo zwaar, zoo verpletterend dat op onze dagen, de droevige gevolgen daarvan nog bitter worden gevoeld. Wel zal de slag het hevigst ontbranden midden in de 17e eeuw, maar hoort, de voorposten-gevechten beginnen reeds.
    2 Dec. 1581 vaardigt Willem van Oranje, als hooge overheid het plakkaat uit, waarbij de uitoefening van den katholieken godsdienst verboden werd,
    De Calvinisten zouden zegepralen over de Katholieke Kerk!
    In het vrije Gemert, waartoe Handel behoorde, kon de uitoefening van onzen godsdienst niet verboden worden. Maar de opstand der beeldstormers in 1585 bracht toch den godsdienst groote schade toe. Meer dan Vucht heeft Gemert er door geleden. 't Werd zelfs zoo erg, dat de Magistraat uit 's Bosch, die geen kans zag tegenstand te bieden, hulp ging vragen bij den hertog van Parma.
    Men vreesde, dat de verwoesting algemeen zou worden. Parma zond troepen onder bevel van ridder Cigoigne; Gemert moest gevrijwaard en ontheven blijven van elke belasting, omdat het dorp en de kommanderij reeds soldaten onderhielden, ter bescherming van den godsdienst.
    Vanaf Dec. 1585 tot Juni 1586 bezetten de Spanjaarden de omliggende plaatsen. Maar prins Maurits herkreeg spoedig de overhand. Farnese zag zich genoodzaakt Gemert te ontruimen en de ketters verwoestten gedurende het jaar 1596 geheel Brabant, waar zij twee en twintig steden en dorpen in brand staken.
    De onstuimige predikant Maarten Schenk trok met zijn troep Gemert binnen. Het kasteel hield stand. Het garnizoen, dat te zwak was om een uitval te wagen, trachtte vanaf de borstweringen den toegang tot de kerk te verdedigen. Maar de protestanten, die door een bres aan de noordzijde der muur gemaakt, konden binnendringen, verwoestten alles.
    De hertog van Parma slaagde er eindelijk weer in de troepen van Maurits te verjagen; hij ontruimde Gemert, maar helaas wat was er intusschen op Handel voorgevallen!
    Uit Keulen verjaagd, kwam Schenk in 1588 naar Gemert, om daar geld af té persen, te plunderen en zich te wreken op de Duitsche Orde, welke hem in Keulen vervolgd had.
    Handel bediend door de Duitsche Orde zou het ook ontgelden.
    Voordat wij eerst eenige kostbare geschenken der kapel opnoemen, moeten we opmerken dat de inventaris door Strijbos opgesteld, en waaruit wij putten, geschreven is in een tijd van groote armoede en ellende, van plundering en krijgsbedrijven. Veel was gestolen of vernietigd of uit armoede verkocht, want de jaren waren zoo slecht, de belastingen en oorlogschattingen zoo verschrikkelijk, dat velen van gebrek omkwamen en dat geheele dorpen uitstierven of ledig liepen (v. d. Elsen).
    Op dien inventaris dan vinden wij onderanderen kerkmeubelen en huisraad:
    „Eenen royen damasten rock met tryp gebort, die Heer Lybrecht duytsheer gegeven had, een clein swart flawelen mentelken met wit romenisch gebort, drie lang loverdoeken (doeken voor het Lof), twe slechte (eenvoudige) hullekens, twe cleen kandelers van metael, eenen warte lap met allerley gelt ende clynodien behangen".
    Vooral werden aan O. L. V. vele paternosters of rozenkransen ten geschenke aangeboden, want Strijbos vervolgt:
    Noch eenen halsband vergult, een gulden rien, XI roy coralle pater noster clein ende grot met appendices [een is genomen van Scencken](1) XI swarte gette pater noster clein nnde grot. XVIII andere pater noster grot ende clein, twe bene pater noster, een roet lintgen met roy dopkens, een wit lint dar men dat beelt met bind op die baer, een corporael doec, een alde witte caste met alba ende stola mer dese is genomen van den staten Scenckenrot vier slechte dwalen, seven pelle lakens, twe syn genomen van Scenck ende een van den leger van die Graef, een alba sonder humeraal met swarte lappen, een alde alba sonder lappen is genomen van Scencken acht gebeelde dwelen, etliche quaede [syn genomen van Scencken,] enz. enz.
    En alles roofde Schenk en zijn ruw krijgsvolk.
    En nóg was het den heiligschenner niet genoeg. De vensters geen - enkele uitgezonderd - werden stukgeslagen en daar men het lood nog kon gebruiken werd ook dit uit de goten weggebroken.
    Nu trokken de roovers weg met de kostbare meubelen en sieraden der kapel, die daar, deerlijk gehavend stond te treuren als een bruid in rouwgewaad.
    In welk een jammerlijken toestand zij de kapel achterlieten, vinden wij in de volgende inventaris opgeteekend.
    Noch ick in der capelle funden een cloc sonder seel (touw), een scelle sonder cord [5 sell genomen anno 1602] een ysern luchter met veel pypen op den altar, den altar seer gebroken sonder vuerhang, die glasen altemael gebroken ende vuytgeslagen ende vaneen getreden om ‘t loots wil van den sotelers uut die itat Graef (om den wille van het lood door de soldeniers uit de stad Grave), geen gordijnen, heel dat doec ontstelt, geen duer- schloet (deurslot).
    Noch fonden twe grote metale luchter, daervan een gebroken, een thienen luchter, een metale luchterken is van Scenken genomen, een grote croen ende een cleen opt belt (op het beeld van O.L.V.). een comp (kom) zonder schloten, een geltstock, sonder schlot,een copere reliquie monstrantie, een hangende ysern croen, en burie(?) twe cassen, int een ons lieven vrowe, die men om dregt, ind ander ons lieve vrou in der noot een crucifix met s. Jan ende Maria...» een clein bosetgen (doosje) om hostien in te doen, 2 quade casulen (een is van Scenken genomen) 2 grote ampullen een slechte missale.
    „Nota desen inventaris is gesciet anno 1585 7 Nov. vur getuygen Jan die Becker, Leonart Lenarts ende Jan Cluytmans alias Reyneri Custer, ut patet in chartula welcke si ondertekent."
    Doch de godsvrucht tot O. L. Vrouw van Handel hadden de roovers niet kunnen stelen uit de harten van hare dienaren.
    In den winter van 1588 stond de leege kapel te treuren, maar met de lente van het volgend jaar, toen de medelijdende Parma, die Schenk had overwonnen en verdreven, Gemert vrijdom van belasting toestond, bloeide ook de kapel van Handel weer op.
    Met welken eerbied denken wij aan de roomschen van die dagen, die zulk een verwoesting niet konden aanzien en met nieuwe geschenken O. L. Vrouw vereerden.
    Een kleine gift had toen een groote beteekenis, althans in Brabant. Holland was rijk, tallooze hollandsche schepen vaarden vracht voor half Europa. Was er hongersnood, niet in het oosten, maar in Holland vond men de korenschuren, die in aller nood voorzagen. De stapel van het zout en van de Fransche en Spaansche wijnen was in Holland. De Engelsche lakens ontving Europa voor Hollandsche, omdat zij eerst in Holland waren geverfd en toebereid.
    Maar in het voorheen zoo bloeiende Vlaanderen en Brabant met Limburg! 't Was Brabant maar! het roomsche Brabant! Daar was doodsche stilte en armoede; alle lust tot handel, nijverheid en landbouw was verloren. Het gebrek, door de verwoesting van den oorlog of door misgewas veroorzaakt en door geen toevoer van buiten gelenigd, steeg meermalen tot hongersnood. Vooral in 1587 woedde de hongersnood en pest; de groote steden waren ontvolkt; dorpen van twee- en driehonderd huizen waren als uitgestorven. Hongerige wolven zwierven door het land; legerden zich in de verlaten woningen, verscheurden het vee en vielen zelfs menschen aan,... Die toestand was een noodzakelijk gevolg van den oorlog en van de zucht der Noord-Nederlanders om handel en verkeer van het Zuiden zooveel mogelijk te belemmeren.
    Brabant was roomsch, en de Staten koesterden de hoop het oude geloof te zien uitsterven. Wel maakten de gereformeerden in 1587 niet meer dan één tiende der bevolking uit, wel vormden de roomschen het rijkste en deftigste gedeelte der natie in Holland, zooals Oldenbarnevelt in 1618 getuigde, maar de regeering trachtte de roomsche gezindheid geheel te vernietigen en door het verbannen der geestelijken beroofde men de leeken van opzicht en gemeenschap ; door het verhinderen van den kerkdienst deed men dien in onbruik geraken; door het verbieden van het katholiek onderwijs bracht men de kerkleer in vergetelheid. De opleiding van het aankomend geslacht, viel in protestantsche handen en de bevoegdheid tot staatsambten werd verbonden aan het belijden van het protestantsche geloof. (J. A. Buil en J, Bergmans: Geschiedenis des Vaderlands Utrecht 1908).
    Maar hoe was het mogelijk, dat verreweg de groote meer- derheid eens volks zich door een minderheid zoo kan laten onderdrukken in alles, wat het dierbaarst en heiligst is ? Daarop antwoordt onze Nuyens : De geschiedenis der revolutiën leert ons echter, dat een minderheid, die zich eenmaal in het bezit heeft gesteld van het roer des staats, die meester is van de hooge regeering, van gewestelijke- en gemeentebesturen, die de rechtbanken, de politie, de militaire macht ten haren dienste heeft, die belastingen kan lichten desnoods door geweld, die door verbeurdverklaringen zich eene, wel is waar reeds uitgeputte, doch dikwijls weder gevulde, goudmijn maakt, bij machte is, de massa des volks te knevelen en te onderdrukken. En wat leeren ons de revolutiën in den aller laatsten tijd?....
    Eere zij onze Brabantsche voorouders, dat zij, in hunne uitputting en armoede om des geloofs wille, ons die schat, die rijkdom hebben nagelaten: het heilig, roomsch geloof.
    Zelfs de protestantsche hoogleeraar Fruin roept uit: „Hoe is het mogelijk, mag men vragen, dat in weerwil van zooveel bedreiging en verleiding, de roomsche Kerk toch zoo weinig afbreuk geleden heeft.”
    Met opzet hebben wij hier een uitvoeriger beschrijving van den toestand in deze gewesten gegeven. Onze eerbied voor de godsvrucht der Brabantsche Mariavereerders stijgt er des te hooger om. Elke gift in dit tijdperk heeft nog meer waarde dan anders, en daarom zegenen wij onze Brabantsche voorvaderen, van wie wij hebben mogen leeren ons geloof hoog te houden en voor den bloei daarvan gaarne onze offers, klein en groot te brengen.
    Ziehier een lijstje der giften, dat pleit, vooral in die droevige tijdsomstandigheden voor de godsvrucht der Mariavereerders; bijzonder van de aanzienlijksten uit Gemert en den ijver van den pastoor Alb. Strijbos, eerste rector van de latijnsche school van Handel. Deze rector nu schrijft:
    Nota. Mijnheer Comptur Aer een glas int chor gegeven van 8 gl. (van Aer was Kommandeur van Gemert tot het jaar 1600).
    Heer Schaloen een half ende Hoefnagel pastor (van Gemert) een van 8 gl,
    Joncker Lancvelt de jonge Goert een glas van 8 gl.
    Onser liever vrouwen broederschap van Gemert een glas van 8 gl.
    Lenaert Gibes van Strijbos mijn vader een glas int middelchor van vijf gl. met Meriken mijn moder ende Jenneken mijn styfmoder, Lucia van Haendel mijn nicht een half glas ende Peter Joesten mijn neef een van vijf gl.
    Peter Joesten van allerleij te furneren als die doyster aen die middeldeur etc. 3 gld. 3 blanchen enz.
    Summa in drye jaren aen de kapel uytgegeven 54 gl. 6 st. 1 ort.
    Noch anno 88, 89, 90 alle jar aen heer Maximiliaen gegeven van den dienst te doen, als ic nae den Aldenbresen ginc wonen 10 gl* is 30 gl. (Deze Maximiliaan van Beeck werd zijn plaatsvervanger ook op Handel, toen de ijvervolle en geleerde Gemert' sche priester Strijbos naar Aldenbiezen werd geroepen om den Landkommandeur, die niet vóór Oct. 1689 te Gemert kwam, bi) zijne beschikkingen omtrent het stichten der school in Gemert van dienst te zijn. (Gesch. v. d. latijnsche School te Gemert door G. v. d. Elsen, Ord. Praem.)
    Noch den glaesmaker van ediche wapenen in de onderste glasen te setten 19 st. een van Gieles Strijbos ende Aelken van Bleec, vaders auders, ende dander van Aelbert van Handel ende Jenneken sys Huysvrouw, muders auders.
    Anno 92 van een glas te maken ende veel ruyten, welc die wint uytgeslagen had ad lensen gegeven in Aprili 32 st.
    Anno 93 den 29 April Corn. Leydekers met sijn broder gegeven 7 gl, van den thorn van Handel te repareren, welc die doekers (woekers? onleesbaar) overlaet geheel verdorven hadden anno 90 in mijn absentie.
    Noch anno 94 inter pascha et pentecosten (tusschen paschen en pinksteren) onser liever vrouwen put of fontein geheel van metsen, kist ende pyep verneut ende repareert costen tsamen 8 gl.
    Anno 97 O. L. V. een neuwen doec.
    Jan op Haendel ende Willem van Gemert een neuw glas gegeven van 7 gl.
    Anno 98 te pynxten ic eenen groten stoel om te staen preken die man verdragen can binnen of buyten die Capel. Cost aen Willem Smolders 19 st. (Deze preekstoel, een nieuw bewijs voor den grooten toeloop, is later gestolen, zooals door den opvolger van Strijbos is aangeteekend.)
    Niet alleen door stoffelijke geschenken werd O. L. Vrouw op het eind der 16e eeuw vereerd, doch vooral de eeredienst aan Maria die uit 's harten grond opwelt, stortte zich uit in groote vereering voor het miraculeuse beeldje van Handel.
    Volgens de oudste stichting geschiedde twee H. Missen, die des Zaterdags, een Maria-dag, en op heiligendagen moesten gelezen worden. Zoo schrijft Strijbosch in zijn register: Wert dese Ordens cappelle de Kapel stond onder de Orde van de Duitsche ridders te Gemert sonder eenige presentatie ende institutie van den Eerw. Hern Lantcompthur als een officium gegeven met den last van twe missen, Saterdachs, ende alle heilighdagen, noch extraordinaire die lunae post Pent, alst dedicatie, (maandag na Pinksteren, kerkwijding.)
    Daar op Handel maar twee huizen stonden, was in de kapel, door de Duitsche Orde te Gemert bediend, geen Zondagsche Mis noodig. Deze werd uitsluitend gebruikt voor de devotie tot Maria. Doch hoewel aan de kapel geen priester was verbonden, evenals nu nog aan de Ensdonksche kapel onder Gemert gelegen, was de Zaterdag een Maria-dag als de Zondag van Handel. De tweede Pinksterdag echter was de grootste feestdag, de gedachtenis van de kapelwijding, de kermis van Handel. Dan werd reeds onder Strijbos op het einde der 16e eeuw, eene H. Mis gezongen, sermoen en processie gehouden met het Allerheiligste.
    Het beeldje werd in plechtigen optocht naar Gemert gedragen en twee dagen daarna even feestelijk teruggebracht. Ook op den tweeden Paaschdag werd een H. Mis gezongen en in de eerste helft der 17e eeuw processie gehouden. Hebben de Duitsche Heeren vraagt v. d. Elsen, wier hoofdzetel zich te Maastricht bevond, dit gebruik uit die stad overgebracht? Daar toch nam de plechtige openbare vereering van O. L. Vr. op Paaschdag een aanvang.
    Hoeveel bedevaartgangers trokken in die troebele dagen van ons vaderland naar Handel!
    En met welk een devote stemming! Immers „bevaert behoeft nuchteren te gescien", zooals gewoonte was in dien tijd. Wanneer we lezen dat op den tweeden Pinksterdag een groot aantal biechtvaders noodig waren; dat paters van heinde en ver ontboden werden, dan geeft dit een beeld van den ontzaggelijken toeloop naar Handels bevoorrecht genadeoord. Wij vernemen dit uit eene aanteekening van Strijbos, door Gautius overgeschreven:
    Dit syn die statiën van de 4 biddende Ordens te Gemert, (wij geven de aanteekening in het hollandsch).
    Op den le Zondag van de vasten de Dominikanen uit 's Hertogenbosch; den 2en Zondag de Karmelieten van Schoonhoven; den 3n de Franciskanen; den 4n Zondag van de vasten of op den 7n Zondag voor Paschen de Augustijnen van Hasselt. Op Goeden-Vrijdag de Franciskanen, ende hebben van de Kerkmeesters van de passie (te preeken) twee gulden; op ‘s Heeren Hemelvaart de Dominikanen; op Pinksteren de Karmelieten; op 2en Pinksterdag Franciscanen in Handel; op Allerheiligen Dominikanen; op Allerzielen Karmelieten; op St. Willebrord Augustijnen; op St. Jan, Geboorte en Onthoofding Franciskanen. De Paters Kapucijnen hebben een statie op Kruisvinding. (')
    Eene statie bestond hierin, dat de paters der bedelorden op een bepaalden dag predikten, biecht hoorden en vervolgens hun termijn hielden in het dorp. Men had ze in elke Parochie, (P. v. d. Elzen: Dietsche Warande).
    Een tweede strijd breekt voor Handel aan. Een tweede onweer barst los, wel korter maar heviger, nog meer verwoed en verwoestend dan voorheen,
    De opstand der geuzen had bijna de geheele Zuidelijke Nederlanden in vuur en vlam gezet. Ofschoon nu Gemert een vrij grondgebied was, had het toch veel te lijden van de verschrikkingen, die een doortocht van overwinnende of teruggeslagen huurtroepen met zich brengt. In October 1599 kwam het woeste soldatenvolk weder opdagen en ontheiligde de kapel. Niet tevreden met verwoestingen aan te richten veranderden zij het heiligdom in een stal, en brachten daarin de beesten, die zij hier en daar gestolen hadden om zich daarmede te onderhouden. Nu kwam de waarnemende rector Jan Hanssen Scheffer met den Spaanschen luitenant Dom Ambrosii te Handel, laadde alle glasramen, behalve twee, die stuk geslagen waren, op een kar en bracht ze met de twee O. L. Vr. beeldjes en andere meubelen op het kasteel van Gemert in veiligheid.
    Geven wij Hanssen het woord, hoewel zijn geschrift moeilijk te lezen is.
    Folgt wass ich Johannes Hanssen D. O. P. an die capell van
    Handell verteget ende uitgegeven anno 1599 den 20 (?) October.
    Anfancklich als eyn lange weyll dat leeger tott Resenn (Reess ?) geleegen ende den soldaeten diesess ort rouffden und in die obge- nannte capell des taghs ende nachts sich mit den gestoele beesten thetten erhalten (de kapel was dus eeh stal geworden van gestolen beesten) ouch den capell anfingen tho destrueren ende prophan- eren, (ben ik) met Dom Ambrosii lutenant, so eyn Hooypen (Haultepenne ?) ruyter bey sich hatt op Handell gereyst, maer twe glaess werde alle den fïnsten so noch alda stonden (wovan drey ganss en tzwey ende weegh) uitgenommen, ende mit eyn kar op Gemert gebracht; den luydfcs gegeben thoe theringh 15 st.
    Damals mitgebracht den twee bilden unser liever Vrouwen.... ende sunst ander cleyn beeltgens; den voirman geschenckt 3 st
    Item dabevoren als datt rumoer gekommen dat dass leegersvolk op Gemmert wolde komen steelen..*. (onleesbaar) sommo mane op Handell gesandt ende laeten haelen den ornamenta ende twee groete koperen luchten; pro salario 4 st.
    Item als dath leeger Verheyen (?) op Handell geweest ende den capelle laeten reynigen ende schoen maken; pro salario 4 st. Anno 1600. Noch 3 ellen breydt wittlint tott eyn schoen bendell (vaandel?)
    Item hebben goedter persoene geschenckt einliche (?) witte stoff umb unser 1. frouwe eynen rock te maekenv daertoe Frans Jaspers geschenckt ein herlich bordt van roede armesynsche syde gesteken, ego dat foer doech (enz.)
    Han (Hatt!) Fransen die organesta (waarschijnlijk de organist van Gemert) gegeben der capell van Handell twe stukken swart sattyn umb vors. 1. vrouwe eynen rock darvon te maeken (enz.)
    Hatt (?) yen besteghen geschenkt dess commenthurs seliger (de Kommandeur G. van Aer stierf in 1600) wten (?).... der capelle van Handell tot unss 1. Vrouwe rock.
    Item Lysken Jacobs Unser 1. frouwe geschenckt eyn... schoen croen ende den kindeken ouch eijn."
    Deze Jan Hanssen, - een Duitscher van afkomst, — zijn schrift is noch Duitsch nog Hollandsch — heeft zijn aanteekeningen tot 1602 aangehouden. Nu was er voor Handel een droevige tijd voorbij. Het lijden was de voorbode der vreugde. Een halve eeuw lang, gaan thans de Brabanders op naar O. L. Vrouw van Handel, dat, in de vrijheerlijkheid Gemert gelegen, te midden van oorlogsrampen en vervolgingen der geuzen, telkens meerdere pelgrims trekt ondanks het reizen zoo moeilijk en gevaarvol was.
    Drie wonderen grepen te Handel plaats.
    In 1603 genas Arnoldus van Goch een vierjarig kind uit '$ Hertogenbofich, aan een ongeneeslijke ziekte, klemmond geheeten.
    In 1610 wordt Angela, Arnolds zuster van lamheid in de voeten bevrijd.
    In 1626 geneest hare hand waarméde zij niets kon verrichten. Deze Angela was de zuster van den zooeven genoemden Arnoldus van Goch. (Zie Verbeeck Hyperdulie bl. 75 en Wick- mans Brab. Mar. blzt 410.
    Of dit een machtigen en blijden indruk gaf op Handel in Brabant, in Nederland juist in de jaren, waarin de katholieke Kerk vervolgd werd en de geloovigen bespot om hunne eeredienst aan Maria bewezen! De bedevaart nam steeds toe en rector Wilhelmus Moraeus werd zelfs „beschuldigd”, dat hij zich het recht aanmatigde om met het Allerheiligste processie te houden. Bij den grooten toeloop van bedevaartgangers werd de kapel ook met offers der geloovigen verrijkt. Zoo schonk een lid der Duitsche Orde, Laurentius Keyzers, eerste president van het Duitsche College te Leuven, en geboortig uit Gemert, een kapitaal van duizend gulden aan de Kapel van Handel, met den last om daarvoor wekelijks twee H. Missen te lezen. Bovendien stichtte de Kommandeur É. Huyn van Amstenrade uit de renten van A. Córtenbach vier H. Missen, welke met diaken en subdiaken jaarlijks op de quatertemperdagen moesten gezongen worden en waarbij telkens brood aan de armen moest worden uitgedeeld. Hij besteedde daarvoor zooveel renten, zegt Moraeus, als noodig was om den rector een fatsoenlijk bestaan te verschaffen.
    Een veel hoogere glorie werd echter aan O. L. Vrouw van Handel gebracht.
    Bij zijn aanstelling in 1627, onderzocht Moraeus nauwkeurig de verkregen gunsten en stelde de uitkomst daarvan den bisschop van Hertogenbosch in kennis. Op dien stoel zetelde de beroemde Dominikaan Michael Ophovius. Teneinde de godsvrucht tot O. L. Vr. te Handel te bevorderen, gaf de bisschop, den 6en Augustus 1627, last aan den geleerden kanunnik van 's-Bosch, Henricus van den Leemputte, later Vicarius Capitularis des bisdoms, om een onderzoek in te stellen naar de miraculeuze genezingen, in de Kapel van Handel verkregen. Deze geleerde en voorzichtige priester volbracht vol nauwgezetheid zijn taak en de uitslag van dit onderzoek was verblijdend.
    De drie bovengenoemde wonderbare genezingen werden door den prins der Kerk als echt erkend. Door de bisschoppelijke goedkeuring nam de devotie tot het miraculeus beeldje nog meer toe; en we staan verstomd hoe duizenden naar Handel trokken en duizenden aan de groote processie deelnamen.
    Voordat wij dit nader beschrijven, willen wij de aandacht van den welwillenden lezer op iets anders vestigen.
    Een eigenaardig gebruik, waarover reeds Gregorius van Tours in de zesde eeuw schrijft, was ook, vele eeuwen geleden, hier te lande in zwang, namelijk het wegen der kinderen, dat niet zelden „voer (voor) onse lieve Vrouw geschiedde. De kinderen werden dan op een weegschaal gelegd en gewogen, en hun gewicht werd door de ouders in tarwe, vlas, was of andere zaken aan de H. Maagd geofferd. Reeds in de 12e eeuw wordt daarvan in ons land melding gemaakt.
    Op zulk eene wijze offeren geschiedde bij de Zoete Lieve Vrouwe van 's Hertogenbosch, in de Lieve Vrouwekapel der St. Jacobskerk te Utrecht, voor het beeld der H. Maagd in de Buurkerk te Utrecht bij het beroemde wonderbeeld der H. Moeder Gods in de St. Stephanuskerk te Nijmegen zooals daar nog in 1585 plaats greep, en bij O.L. Vrouw op Handel.
    De godgeleerden in de Middeleeuwen beschouwden dit wegen als een godsdienstige daad. En terecht. „De beteekenis dezer gewoonte”, zegt een Duitsch geleerde, dien P. Kronenburg aanhaalt in zijn werk Maria's Heerlijkheid in Nederland IV 247, „was ten eenen male onschuldig, de bedoeling, die er aan ten gronde lag, niet alleen goed, maar ook diep godsdienstig en treffend. Het gebruik komt geheel en al met het eenvoudig geloof en de kinderlijk vrome zienswijze onzer voorouders overeen. Men wilde voor de genade, die men door de voorspraak eens Heiligen van God had ontvangen of verhoopte, zijne dankbaarheid toonen dooreen votiefgeschenk te offeren of te beloven, dat eenigszins als evenredig aan de ontvangene of gewenschte gunst kon en moet gelden.
    Men had de gezondheid, en daarmede het volle gebruik van zijn lichaam, ja, in zekeren zin, dit laatste zelf herkregen, en nu, zoo meende men, was het een plicht van dankbaarheid, tot eere van God en tot lof des Heiligen, aan wiens voorspraak men zijne verhooring toeschreef, edelmoedig het gewicht dér offergave naar dat des lichaams af te meten, of wel zich zeiven in was weg te schenken. Ouders vertrouwden, dat op de voorbede eens Heilige hun kind van zijne ziekte zou herstellen. Zij schonken of beloofden daarom een votiefgift, die het kind in gewicht gelijk was, en aldus eeniger- mate als een opoffering van het kind kon dienen.”
    Ook volwassenen lieten zich bij krankheid of ander euvel aldus wegen, niet alleen bij een beeld der H. Maagd, maar ook ter eere van andere Heiligen.
    Deze wijze van offergaven vond op Handel meermalen plaats. Immers in de nabijheid van het miraculeus Beeldje had men een weegschaal geplaatst ten gebruike van de pelgrims. Daarvan geeft ons N. Verbeeck in zijn boekje Hyperdulie op blz. 68 een voorbeeld. In 't jaar 1603 leed Arnoldus van Goch uit 's Hertogenbosch nog een kind, vijf weken en twee dagen aan klemmonden van de Medecijn-meester gedespereert sijnde, bleef ‘t ongeneesen en verlaten. De Moeye des Kindts, wesende de Suster van het Kindts Moeder met naeme Johanna Arnoldi, gheboortigh van Gemert, doet beloften van het Kindt naer de Capelle van Haendel te brengen, en het selve aldaer te recommanderen in de voorspraecke van Maria: met belofte daer-en-boven van het Kindt in eenen wagen (weegschaal) te leggen, ende aldus van den anderen kant sooveel Vlas, Wasch (was) Silver ende Goudt te stellen, als de swaerte was van het lighaem des Kindts, ende deese gifteaen de Moeder Godts op te offeren voor de gesontheydt van het Kindt: ende siet eene selsaeme saecke, dien selven dagh als de Moeye des Kindts deese belofte doet, wordt het Kindt subytelijck genesen, zoodat het eeten eyscht en nutticht.
    Nochthans blijft het Kindt bij een seeckere dobbelheydt of onvolmaeckte maniere in het spreecken, tot den tijdt toe dat deese
    Moeye met dit Kindt haere belofte voltrocken heeft het jaer daer naer, op den dagh van onse lieve Vrouwe-Hemelvaert, als wanneer het kint aldaer gewogen sijnde ende de beloofde offerhanden valdaen wesende, soo is het selve van alle sijne onvolmaeckte spraecke oock geheel genesen en verlost gebleve, en dus geheel genesen sijnde, heeft Godt gelooft en sijne Heylige Moeder in haar beelt op Haendel bedanckt.
    Behalve op den tweeden Pinksterdag, de dag van kerkwijding der kapel, werd Handel bizonder bezocht op de dagen, welke de H. Kerk aan de vereering van O. L. Vrouw toewijdt, op de Zaterdagen van de vasten en op den feestdag van de H.H. Apostelen Petrus en Paulus.
    Wij spraken zooeven van de groote processie op Handel. Toen bisschop Ophovius den 2en Juli 1626 de drie wonderen als echt herkend had, zag men reeds het jaar daarna, op den tweeden Pinksterdag, het Hoogfeest van O. L. Vrouw van Handel, den dag der kerkwijding van hare kapel, meer dan vierduizend pelgrims aan de groote processie deelnemen niettegenstaande de Kapel, zooals Wichmans opmerkt, midden in een afgelegen hei lag, in staat om iemand vrees aan te jagen'9 en in die dagen vooral het reizen, wegens de oorlogsrampen, zoo moeilijk en gevaarvol was,
    Kom, godvruchtige lezer, ga even in den geest naar Handel op dezen dag.
    De ijverige rector Maraeus heeft voor alles gezorgd. Nu is het de dag van Handel. Ziet ge dat „groot aantal priesters ?” Deze zijn de biechtvaders, die nu vooral noodig zijn. Zonen van St. Franciscus zijn daarbij, die op dezen dag een vaste statie op Handel hebben. Zie daar staan de biechtstoelen opgeslagen, ten Zuiden van de Kapel, tegen de oude lindeboomen en tegen een schutsmuur ten Noorden van het heiligdom. De preekstoel is naar buiten gebracht, want de duizende bedevaatgangers verlangen den lof te hooren verkondigen van hunne Moeder, en onmogelijk kan het kerkje hen binnen zijne ruimte toelaten. ‘t Is stil onder die duizenden als Maria's lof verkondigd wordt, vol aandacht luisteren zij, wanneer de priester hen opwekt het geloof te bewaren in deze tijden, nu ook in Brabant de Kerk zoo vervolgd wordt....
    En uit duizende monden klonk het over Handel's heide :

    „Die voor duyvelsch tanden
    Menschen! zijt bcnouwt
    Komt naer Handels Zanden
    Op Maria bouwt
    Roept Maria aen ! sy sal u gaede slaen
    Sy doet plagen, duyvels slagen van u gaen
    In Marias handen
    In Marias macht
    Stelt Godt alle Landen
    En ook Satans kracht
    O! het helsch Serpent Maria magt bekent.
    Wij haer voeten blijven groeten sonder end.

    Nu werd de groote processie opgesteld. Daar komen de gilde- broeders in vol ornaat. De trommel slaat, de muziek speelt. Met ontplooide vaandels in volle muziek gaan de gilden voorop.
    Dan volgt de ontzaggelijk groote schare in zang en gebed. En daartusschen loopen vier twaalfjarige maagdekens. Zij vormen de levende troon van de Maagd der Maagden; want it dragen het miraculeus Beeld, uitgedost als een koninginne in een rijk versierden statiemantel gekleed, Onze goede Brabanders gaan uit in triumph met hunne hemelsche koningin en zingen en bidden haar ter eer:

    „Maria, weest gegroet
    Fonteyn van alle goet
    Gij zijt ons soetigheyt
    Ons' vreugt, ons saligheyt
    In u, Maria, is de hoop van al.
    Ik u Maria altijt eeren sal:
    Want die u eert en u, bemint:
    Wort ook bemint van Jezus U soet kint: .
    En krijgt door u al wat hij van Godt tragt.
    Want sonder u en wort geen goet verwagt.

    Met zulk een praal werd het hoogvereerde beeldje op den grooten feestdag naar Gemert gedragen en werd het ter openbare vereering in de parochiekerk aldaar tentoongesteld. Gemert was alsdan één huisgezin, waar „Moeder" enkele dagen kwam verblijven. Des Woensdags werd de schat weder naar Handel teruggebracht.
    Geven wij hier even het woord aan den pastoor van Aarle- Rixtel N. Verbeeck. Hij heeft het ons in zijn boekje Hyperdulie medegedeeld.
    In het jaer 1628(al-hoe-wel de landen door oorlogh seer verwoest wierden) sijn ter selver tijdt over de vier duysent men getelt geweest, dewelcke van alle gewesten naer Haendel quaemen om Maria aldaer te eeren: en dese jaerlijcksche devotie, op den tweeden Pinxteren dagh wort noch ten daeghe van heden seer solemneelijck geviert op Haendel, komende van alle kanten, de Godtvruchtige Pelgroms, met veele duysende haer devotie aldaer plegen, en het Heyligh mirakeleus Marien beeld geeert hebbende, vergeselschappen oock het selve in eene Godtvruchtige Processie, door dewelcke dit mirakeleus beeldt op dien dagh naer de parochiale Kercke van Gemert wordt gedragen, door vier jonge Maegdekens blijvende het selve beelt inde parochiale Kercke ten thoone, en eerbiedinge tot Woensdagh naer Pinxteren dagh, als wanneer het selve met de selve Godtvruchtigheyt als vooren, wederom door vier maeghdekens naer haere Capelle op Haendel word gedraghen.
    Ook aangaande deze processie leeft nog steeds eene vrome Maria-legende onder het volk dezer streek voort: toen het slechte weder op den bepaalden dag den luistervollen terugtocht naar Handel belette, is „Ons Lieve Vrouwke" van zelf den volgenden nacht over den „Beverdijk" en de „Lieve-Vrouwesteeg” naar Handel teruggegaan.
    De devotie tot O. L. Vrouw bleef in de eerste helft der zeventiende eeuw op deze wijze voortduren. Hoe innig werd Maria hier aangeroepen, juist in die jaren. Zij werd hier immers vereerd als de Troosteres der bedrukten. En het hart der roomschen scheurde van smart, als zij de verwoesting zagen in katholiek Brabant aangericht. Immers voor den godsdienst in ons bisdom begon, als het ware, de eerste eeuw der Kerk, de afschuwelijkheden des heidendoms daargelaten, daar de echte plakkatentijd een hartvochtige en sluw overlegde godsdienstvervolging beraamde.
    Voor geld was aan de papisten „de exercitie hunner religie" wel veroorloofd.... ook om geld te verdienen verkregen de kooplieden der hollandsche compagnie in 1641 den alleenhandel met een factorij op het eilandje Desima in de haven van Nagasaki (Japan) nadat ze eerst het kruisbeeld hadden vertreden.
    De vervolging woedde het felst in de nabijheid van Den Bosch.... Gemert evenwel verheugde zich nog in zijne vrijheid en achtte zich gelukkig aan vervolgde bisschoppen, abten, priesters en religieusen een schuilplaats te kunnen bieden. Nooit zouden de Staatschen de handen aan dat heiligdom geslagen hebben, waarvan zij de onzijdigheid zelve hadden erkend, wanneer het niet door verraad ware overgeleverd.
    En de storm brak los. En nu beginnen de jaren van rouw. En nu wordt de toekomst zoo donker. En het wordt nacht in deze roomsche plaats.
    De Kommandeur Hoensbroek, eertijds een achtenswaardig man, een vereerder en weldoener zelfs van O. L. Vrouw van Handel, ging een Judas-rol spelen. Hij geraakte in twist met zijn overste den Landkommandeur Godefridus Graaf van Huyn en toen hij deswege voor het Provinciaal Kapittel van Aldenbiezen gedaagd werd, verscheen hij niet. Uit hoofde van deze ongehoorzaamheid werd hij volgens de statuten der Orde uit de Kommanderie van Gemert ontzet. Hij begaf zich naar Den Haag, leverde Gemert aan een vreemde Macht over, en verzocht den Staaten om hem in het bezit der Kommanderie te herstellen. Als ondergeschikte overste had hij geen macht om over de bezittingen der Orde te onderhandelen, veel minder om ze over te leveren. De ware bezitters protesteerden, doch het baatte hun niet, want aanstonds maakte men zich met geweld van Gemert meester.
    Zoo bracht ook hier de hoogmoed dien mensch ten diepen val.
    Den 18 Oct. 1648 kwam Johan Wichelhuizen als eerste dominee te Gemert op het kasteel onder de hoede van den trouweloozen Kommandeur. De kerk werd geplunderd de pastoor met den prior der Dominikanen, gevankelijk naar 's Bosch gevoerd en later onder borgtocht voor veel geld losgelaten, moesten de wijk nemen. Veel zouden wij hier kunnen mededeelen over de onbezweken trouw van Gemert's herder en kapelaan, van de paters en de geloovigen, doch wij moeten onze oogen gericht houden naar Handelen zijn heiligdom.
    De kapel van Handel werd eveneens den katholieken
    ontnomen. Daarover schrijft kapelaan J. Quix, die zijn pastoor zag weggevoerd: Int jaar 1648, den 24 July zijn wij door verraet, factie ebde Conspiratie van Hoensbroek, Kom mandeur tot Gemert uit onze parochiekerke, Capelle van Haendel ende schoolen gejaegt ende hij heeft die Geusen overal ingeplant.
    Was dit voor de geloovigen een harde slag, zoo werd toch echter de ijverige rector van Handel Moraeus wel in het diepste der ziel getroffen, toen hij zijn heiligdom moest vaarwel zeggen. Twintig jaren lang was hij de trouwe wachter geweest der kapel, zooveel troost had zijn vroom priesterhart daar ondervonden en nu opeens weggerukt van dat genadeoord. Wel kon hij als pastoor van de parochiekerk Bakel, waarover de Duitsche Orde het begevingsrecht meende te bezitten, voor het heil der zielen werken, doch zijn Handel bestond voor hem niet meer en alleen de toren in de verte wees hem nog de plaats aan, waar hij nu zelf den voet niet meer mocht zetten.
    Handel! Hoe treurt ge nu veertien, veertien lange jaren lang!

    Uw beeldje is weg!
    Uw godslamp is uit!
    Uwe deuren zijn dicht!

    En veertien jaren lang, staat gij als een Koningin zonder troon en treurt. En niemand komt hier Maria eeren.... Handel nu eerst zijt ge eenzaam en verlaten....
    Gelukkig had men het Beeldje een veilige schuilplaats kunnen geven. Wat er echter van de kapel gestolen is. heb ik nergens kunnen lezen. Alleen schreef later rector Cillis, „is ten tijde van die Geuzen, te Handel seker kapitaal van zevenhonderd gulden, waarin twee Missen bestonden, verloren gegaan. Verders lezen we, wat ons „Officiëel Kerkbericht" van Gemert in deze woorden mededeelt. Handel en de omliggende plaatsen ondergingen hetzelfde lot als Gemert. De beroemde bedevaartplaats werd geplunderd en beroofd van zijn schat van ex-voto's en kerksieraden. Het miraculeus beeld was zorgvuldig verborgen, maar de klokken werden meegenomen en voor het maken van kanonnen gebruikt."
    En de geloovigen? De Geuzen konden welsteenen gebouwen sluiten, maar de tempels van den H. Geest, onze voorvaderen bleven in den Roomschen Godsdienst ongeschonden in den strijd.

    O, eed'le vaad'ren in ‘t geloof.
    Het nakroost mag bezingen
    Uw onbezweken trouw en moed;
    Al vloeide niet uw heldenbloed,
    U siert de krans der helden.
    Wie zal uw roem vermelden?
    God zelf vlocht U een eerekroon!
    O mochten wij als paarlen schoon
    Uw diadeem omringen.
    Wij, kinderen, van uw roomach Geloof!

    Tot 1662 zuchtten de geloovigen onder dezen treurigen toestand.
    Dan, de 28e Juni van dit jaar is aangebroken. Voor 't laatst waren de geloovigen naar hunne geestelijken gegaan in de schuurkerk op het gehucht Esdonk in den Mutshoek te Boekel. Daar dankten zij God, dat zij het geloof bewaard hadden.
    Ook hier bleef Brabant roomsch, hoewel „dat het meermalen gebeurt is dat godvruchtige predikanten van de Meierije, wanneer die elkander bezocht hadden, midden in de heide nederknielden, om den Heere te bidden voor zich zelfs en voor de Ingezetene der Meierije, dat God zich over deselve ontfermen wilde, opdat het woord des Evangeliums zijnen loop hebbe. Die heide, welke onder hertelijke gebeden met zulker tranen besproeit en nat gemaakt is geworden, kanniet onvruchtbaer blijven.” (Corn. de Witt).
    Ambrosius Virmundt Kommandeur der Duitsche Ridders slaagde in zijn pogingen, om Gemert en daarmede ook Handel vrij te maken en zijne Orde te herstellen, dank zij den Groot Meester Leopold Aartshertog van Oostenrijk.
    Wel waren de voorwaarden, waarop de souvereiniteit der Duitsche Orde werd erkend ,of liever teruggegeven, uiterst zwaar en moest zij onder andere voor 50.000 gulden borgspreken, — het geheele dorp had nauwelijks zooveel waarde — maar men begreep, dat het heil van duizende zielen op het spel stond, men streed voor den godsdienst, voor het geloof, voor „den schat, waarvoor men 't al met winst verliest", (v. d. Elsen Gesch. der L. S. te Gemert).
    Nauw was op de vigilie van de H. Apostelen Petrus en Paulus de verklaring afgelezen van de herstelling der Orde in Gemert of daar was „sulcke vreught”  schrijft Gautius, „onder het volck, dat de doghters certatim (om strijd) het water droegen naer de kercke en keirden (veegden), ende de mans de steenen uuijtdroegen van den ingevallen oven des verwulfsels, ende dat men de kercke claer maekte om 's anderdaeghs het heyligh sacrificie wederom op te offeren...”.
    Ook de deuren van Handels kapel gaan open. De godslamp brandt weer tot altijddurende vereering van Jezus-Christus in Zijn aanbiddelijk Sacrament, als een teeken van Zijne tegenwoordigheid, als een opwekking tot eerbied, dank en liefde. En het wonderbeeldje wordt in triomf teruggebracht.
    Daar staat O. L. Vrouw van Handel weder op haar troon. Daar staat zij weder, de „draagster", maar hoog, met kracht heft zij het Goddelijk Kind op, als fier op zulk een Zoon, dien zij, haar geluk uitjubelend, aan heur vereerders toont.
    Met welke dankbaarheid en heilige aandoening knielde hier' de nieuwe rector voor Maria neder! Hij toch werd door zijn pastoor van Gemert genoemd „de hersteller der devotie op Handel”. Deze rector, genaamd Joannes Aldenhuijzen, tevens Pastoor van Geldrop, was juist de man om de bedevaartplaats uit haar diep verval op te beuren. Dit immers blijkt uit den toeloop der bedevaartgangers welke weldra grooter werd dan ooit te voren. Daar was, — als ik mij zoo mag uitdrukken — een wedijver tusschen O. L. Vrouw en hare vereerders. Terwijl op zoovele plaatsen sinds den Munsterschen vrede een felle oorlogsbrand uitbrak tegen de Brabantsche katholieken, die door de geünieerde Provinciën van Holland, als door een dwingeland in naam der Vrijheid, werden vervolgd, vooral door „School-" en „Echt-Reglement", baden zij luide in de kapel hun rozenkrans, welke de „Paepsche kinderen nog niet eens in de schoole mochten brengen op straffe van uit de schole geset te worden". Dan dankten zij daar God voor het behoud des geloofs en Maria toonde weer hare goedheid, en allen jubelden weer om het nieuwe wonder, dat God op hare voorspraak wrochtte.
    Noch vier andere mirakelen grepen plaats onder Aldenhuijzen's tijd. In groote schare gingen de geloovigen naar de oudste bedevaart- plaats in 't bisdom Maria toegewijd! Geldrop trok telken jare op en mocht op Handel weer woorden van troost en opbeuring hooren van hun pastoor, den rector van Handel, hun herder, die wegens de vervolging niet onder zijne schapen te Geldrop kon verblijven. (2) Ook Grave's inwoners trokken onder leiding der Kapucijnen, hunne zielzorgers, naar Handel om kracht in hun geloof te midden der vervolging af te smeeken van haar, die de Kerk noemt: „Mulier fortis" „De sterke Vrouw".
    Hoe zeer pleit het voor de piëteit dier geloovigen, dat in dezen tijd van vervolging en armoede de kapel van Handel spoedig prijkte in haar ouden luister, toen zij begiftigd werd met kerkmeubelen en sieraden van zilver en goud.
    O, hoe heerlijk voor het roomsch gevoel, toen na dien nacht van koude, die veertien jaren op de kapel was blijven drukken als een zwaar donker kleed, de kerk weer in bruidstooi stond en het prachtig orgel van Meester Joannes van Dijk, zijn blijde stemmen het godsgebouw deed daveren van vreugde en de gebeden der bezoekers opstegen naar de Koningin van hemel en aarde. Hoe aandoenlijk als de drie nieuwe klokken luidden, door de zorgen van den rector aan Maria's heiligdom gegeven; groote en kleine, zware en lichte over .de ontzaggelijke dennenbosschen en onmetelijke peelvlakte. Uren en uren verklonk het dof gebrom der zware klokken en klepte in vroolijke klank de kleinere klok met helder geluid de pelgrims naar het kleine blijde Handel. Dan knielden
    de Brabanders neer.... De trouwen!... Want ze mochten door de
    geuzen in slavernij geraken, in armoede gedompeld en met smaad
    overladen worden, — het mocht hun verboden wezen een kristelijk huwelijk te sluiten voor „de Roomsche Geestelyckheyt" op
    straf van verbanning der priesters….. 
    De kerken mochten hun ontnomen zijn en alles gestolen, verwoest of uiteengerukt: Brabant bleef trouw en ze kwamen uit de
    omstreken op naar Handel en O. L. Vrouw bleef hare gunsten
    uitdeelen en God smeeken om weldaden voor haar volk.
    Daarvan getuigt de opvolger van rector Aldenhuijzen, als hij schrijft, dat in de zeventiende eeuw bij de honderd mirakelen zijn
    geschied, waarvan gewis een derde onder het bestuur van zijn
    voorganger. Daarvan getuigt N. Verbeeck, waar hij als bewijs
    aanhaalt, dat in de kapel zooveel krucken, banden, silvere en
    wassche handen (van was) voeten, hoofden, af-beeldsels in schilderijen zijn, dewelcke haer dienen als waere teeckenen enaenwijsingen, dat Maria op Haendel sonderlinge is eenen toevlucht der sondaers, en een Troosteresse der bedruckte: soo als Sy oock op eène sonderlinge maniere tot Haendel onder dusdanighe tijtels en privilegien besocht wordt.
    Daarvan getuigen nog heden tweevotiefschilderijen, welke de muren van Handels heiligdom sieren.
    De eerste vermeldt eene genezing, welke in het jaar 1669 voorviel.
    Anno 1669 Margareta Peter Jan Otten van Schijndel is
    tot Haendel subijt genesen van een langh-jarige blindheit den
    8 September, aut wesende 27 jahren.
    Aan de evangeliezijde, tegen den dichtgemetselden vroegeren
    zij-ingang, hangt een votief-schilderstuk, waarop het volgende, in
    dankbare herinnering, is vermeld.
    Hendrik Antonij Peeters te Helmond Geboore kreupel
    zijnde Aan beide Voete, Is den 8 September 1698 fe Handel
    subiet genesen. Oud zijnde 8 jare.
    „Om eene Christelijke danckbaarheid te toonen over de wel-
    daden van Godt door Maria aen haere Geloovige gedaen, en om
    aldus oock de waere Geloovige in haere Godtvruchtige aendach-
    tigheden, en eerdiensten tot Maria en haer Heijligh beeldt te ver-
    stereken: in haer gemoederen en memorie indruckende de Godt-
    vruchtighe voorgangen haerder Voor-ouderen in deese gevallen,
    ende bij de selve oock de genootene weldaden Godts ende Maria,
    tot haer exempel en betrachtinge voor oogen te stellen; maar
    sonderlinge door de heerlijckheijdt der Miraeckelen selve, „werdt
    de Zeereerw. Heer N. Verbeeck bewogen om een boekje uit te
    geven onder den titel: Hyperdulie of heiligen eer-dienst tot Maria
    de Moeder Godts. (')
    1) De schrijver van dit boekje, schijnt dezelfde te zijn als de Zeereerw, Heer Joannes Nicolaas'
    kanunnik van Diest en pastoor van Aarle Rixtel. overleden 23 Dec. 1700. De volledige titel van het werkje luidt:  Hyperdulie of Heiligen Eer-dienst tot Maria de Moeder Godts. Waer in betoont
    word de vermeerdertnge van Godts Naeme, in het aenroepen van de H. Maria, door het eeren haerder Beelden, bouwen der Kercken. oprechten der Autaeren, Beneficien, Missen etc. onderden Mei van haere Naeme, Alles niet hinderlijck aen Godes eere.
    (Zie vervolg van deze noot op pag. 52).
    Goedgekeurd te Leuven den 14 Oct. 1699.


    Naar ik meen is dit werkje de eerste beschrijving der geschiedenis van O. L. Vrouw van Handel, dat afzonderlijk is uitgegeven.
    Het werd geschreven in een tijd, dat de devotie op Handel meer en meer toenam, niet alleen door het bezoek van menschen uit de naaste omgeving, doch ook zooals Verbeeck schrijft „door veele duijsende Pelgroms, dewelcke oock uijt verre gelegene landen komen", vooral op de feestdagen van de H. Maagd, waarop „insoijderheijdt op Haendel, seer schoone kerckelijke diensten en sermoonen gedaen worden, als wanneer aldaer, soo als de geheele octaven de Feest-daghen volgende, tot gerief der Pelgroms, die sich naar Haendel begeven, of met vergaderingen van Processien, of andersins worden gevonden veele Biecht-Vaders soo uyt de wereltlijcke klergye, alsuyt verscheidene orders Priesters. Wij willen hier bijvoegen een Godtvruchtige gewoonte der geloovigen, door dewelcke dat sy Godt looven en Maria eeren in het vieren en eeren van den Saturdagh, dewelcke oock sonderling in swangh en gebruyck is op Haendel: op welcken dagh verscheydene van alle soorten van Menschen komen haere devotie plegen tot Maria op deese plaetse van Haendel, en welcken dagh het geheele jaer oock met sonderlinge dienst tot Maria aldaer geoeffent wordt, door Sermoonen, Missen, H* Biechten en Communiën, en dier- gelijcke, streckkende tot Godes glorie en lof van Maria.”
    Wat de assistentie der priesters betreft, lezen we in de alleszins merkwaardige memorie over de inkomsten en uitgaven der kapel opgesteld door rector Cillis en medegedeeld door P. v. d. Elsen, dat op Handel vier paters Minderbroeders uit Venray kwamen op drie principale feestdagen en twee paters voor drie mindere feestdagen en twee octaven; twee paters uit Megen voor zes feestdagen en twee octaven; paters Karmelieten uit Boxmeer voor zés feestdagen en twee octaven; voor twee Minderbroeders Kapucijnen uit Velp drie feestdagen; een pater Dominikaan drie feestdagen, bovendien kwamen zooveel naburige priesters als men verkrijgen kon, zoodat er soms 18, soms 20, ja 27 biechtvaders waren". Met Pinksteren bleven deze gewoonlijk vier dagen, met O. L- Vr, Hemelvaart en Geboorte negen dagen, 8 Dec., 2 Febr, en 2 Juli drie dagen, terwijl op alle Zaterdagen door het jaar en de meeste heiligendagen in den zomer vier of vijf vreemde priesters op Handel hunne hulp verleenden.

    Het tweede deel draagt den titel: Het tweede deel vau den Eer-dienst tot Maria in het eeren haerder Beelden, etc. En namentlijck van het Miraeckeleus Beeldt van onse Lieve Vrouwe van Haendel. Onder de vrije Rijcks-heerlifckheijdt van Qemert.
    Van dit zeldzaam boekje bestaan twee uitgaven. In de eerste leest men op de ommezijde van bldz. 24: Gegeven binnen Gemert den 25 Martii des jubiljaers 1700, terwijl in de 2e uitgave, dat berust ia de bibliotheek der Minderbroeders Kapucijnen te Handel, aan de opdracht veel veranderd en de geschiadeais der familie van Berthramus Wesselius Baron van Loe, Duyts-Ordens Ridder ent., aan wien het werkje is opgedragen, veel ingekort is. Alleea bet eerste vel vaa 24 bladzijden is opaieuw gedruckt. met eeae verbetering vaa zetfouten. Het schijnt gedrukt te zijn, zegt P. v. d. Elsea op koste vaa den Commandeur B. Wesselius vaa Loe, omdat het aaa hem is opgedragea en zija geheele familie ia eea lange voorrede beschrevea wordt. Eea afbeeldiag vaa O. L. Vrouw vaa Handel staat er tweemaal, telkeas tta vóór ieder gedeelte, ia afgedrukt ea komt eea weinig overeen met het oude wonder beeldje. De plooien der kleeding gelijken op die van het beeldje, terwijl het kindje, naar het schijnt met een boek in de hand, zijn blikken vestigt op de Moeder, die het wederkecrig aanziet en met de rechterhand zijn voetjes vasthoudt
    In deze tweede uitgave, welke ik in dit werkje benut heb, is de geschiedenis veel verbeterd.

    Jammer moest rector Cillis getuige zijn van eene nieuwe verstoring der bedevaarten en dubbel jammer was het ongetwijfeld dat dit droevig voorval niet van ongeloovigen of protestanten, maar van katholieken zeiven kwam. Den 25en Maart, op het feest van Maria-Boodschaps, des jaars 1700, waren naar gewoonte vele pelgrims naar het heiligdom getrokken. Eensklaps zien zij van den kant van Gemert een woeste troep jongens en meiden aanrukken; de jongens zwaaiden en kerfden met messen, de meiden wierpen met steenen en slijk. Door drank beneveld vielen zij op de weerlooze pelgrims aan, die zooveel mogelijk alle twist en krakeel wilden vermijden. Maar vergeefs. Woedend sloegen de ruwe booswichten om zich henen, een der pelgrims, die nog dien morgen tot de H. Communie was genaderd en vreedzaam rondliep sloegen zij dood; anderen verwondden zij dermate, dat er langen tijd voor hun leven gevreesd werd.
    Gelukkig mogen wij bij het vermelden van dit treurig feit aanstippen, dat dergelijke uitspattingen van het beschonken gemeen in de geschiedenis der bedevaartplaatsen slechts een hoogst enkelen keer voorkomen. Zij werden ook niet bedreven door het vreedzaam volk, dat in de schaduw van Maria's heiligdom woonde, noch door de bedevaartgangers, maar door personen uit omliggende gemeenten, die zich aan drank te buiten gingen. (3)
    Een ramp voor Handel en zijne kapel was de brand die den 16en Sept. 1709 uitbrak en het dak van het nieuwe priesterkoor met de woning van den rector vernielde.
    Maar toch diende dat ongeluk slechts om den naam en den roem der kapel te vergrooten. Het heiligdom van Handel was den geloovigen te dierbaar dan dat ze de verwoesting daarvan lijdelijk konden aanschouwen; de dankbaarheid voor verkregen weldaden op Handel was te innig dan dat zij de kapel zouden vergeten, die nu juist om hulp riep. De geloovigen, zegt v. d. Elsen beijverden zich om de schade te herstellen en de inventaris van den volgenden rector toont aan, dat de kapel weldra rijker was dan ooit te voren. Meer dan vroeger werd zij bezocht, rijke giften vloeiden toe, onder anderen van priester Vercamp en de armenmeesters van Gemert en O. L. Vrouw vergold de weldaden van het godvruchtig volk door verschillende mirakelen, welke de opvolgende rector heeft doen onderzoeken.
    Wat dit alles beteekenen wil kunnen wij besluiten uit het slot van rector Cillis merkwaardige memorie van 14 Dec. 1709.
    „Wat de devotie van O. L. Vrouw van Handel betreft, heb ik gelezen, dat zij omtrent vijfhonderd jaren bestaat, en thans zoo uitgebreid is, dat er op den laatsten Pinksterdag over de 4500 menschen tot de H. Tafel zijn genaderd. Wat de mirakelen aangaat, gelijk aldaar van tijd tot tijd zijn voorgevallen, daarvan heb ik geen oudere stukken gevonden dan van de jaren 1603, 1610 en 1626, welke in 1627 zijn goedgekeurd met al de plechtigheid welke behoort; en sinds dien tijd zijn er minstens negentig of honderd geschied, waarvan de behoorlijke akten zoowel van degenezenen als van de getuigen, zoowel ten tijde van mijn voorzaat als van mij zijn bewaard geweest (maar helaas! door den brand vernield). Zoo zijn er in 1705 onder het octaaf van O.L. Vrouw ten hemel Opneming vijf bijzonder groote mirakelen geschied, waarvan twee in het gezicht van vele duizenden menschen".
    Dit stuk uit het Staatsarchief te Dusseldorf geeft een heerlijk beeld uit deze jaren der geschiedenis van Handel, welke zoo schitterden door den glans der mirakelen, en welke zooveel duizenden onzer voorvaderen zag opgaan naar Maria's beroemde en wijdvermaarde heiligdom op het eenzame Handel.
    En nóg werd Handel grooter: de kapel werd steeds versierd, de devotie algemeener, het wonderbeeldje beroemder.
    Den 12en Maart 1718 werd rector Bartholomaeus Luijten aangesteld en reeds den 23en daaraanvolgende beschrijft hij den toestand van de bevoorrechte kapel. Ze was een museum geworden van kunstschatten, kostbaar uit hunnen aard en nog kostbaarder door de bedoelingen der vrome gevers.
    Jaarlijks vermeerderden die schatten, door den ijver van den nieuwen rector. Onder de talrijke giften, door zijne bemiddeling aan de kapel geschonken, noemen wij een nieuwe remonstrans van den Eerw. Heer J. Jochems; een koorkap van 82 gl: een Kasuifel; „de bovenste schilderie in den hoogen en nieuwen Altaer", een vergulden kelk van den Landkommandeur F. D. Baron van Sickingen tot Ebrenburg, zooals naast diens wapen op den voet van den kelk te lezen staat; een stuk grond in de Mortel onder Gemert; het huis Keijzersbosch of de Pöort van Mich. Donkers en Maria zijne huisvrouw, tot onderhoud van een kapelaan op Handel en een groote som geld „tot onderstant van den nieuwen bouw van de kerk van Handel. „Dit nieuwe schip der kapel begon hij in 1747 te bouwen en zijn opvolger voltooide het.
    Door zijn inventaris zijn we in staat gesteld ons eene voorstelling te maken van Handels' grootsten schat na het H. Sacrament: Het miraculeuse Beeld ten troon in plechtgewaad, „het miraculeus beelt van onse Lieve Vrouwe met het Kinneke Jesus met twee silvere croonkens en een silvére scepter, met een silvere hartie voor op het-tabaertie vast gemaect, becleet met een gebloemten mantelke, staende in een tabernakelke op eene offercast, staende daerop twee metale kandelaers en een copere offer treeschen".
    Het was den trouwen dienaar van Maria een ware vreugde in zijn dagboek de pogingen door hem aangewend te beschrijven, teneinde de vereering van de H. Maagd te bevorderen, ja zelfs van dag tot dag aan te teekenen, wat er merkwaardigs in de kapel voorviel. Hoe moet dan het hart van dezen Maria-vereerder vervuld zijn van vreugde, toen hij tijdens zijn rectoraat talrijke wonderbare genezingen van pelgrims door Maria's tusschenkomst verkregen, tot vreugde dezqr bevoorrechten en tot meerdere opwekking der getuigen mocht vermelden.
    Wanneer gij de kapel van Handel binnentreedt, dan ziet ge onder het koor aan den epistelkant een geteekende lijst hangen. Tot altijddurende dankbaarheid en glorie der H. Maagd, staan onder het opschrift: Wonderbare Genezingen, getrokken uit het archief der Kapel en uit geloofwaardige Geschiedschrijvers dertig namen vermeld van personen, die aan de voorspraak van O. L. Vrouw van Handel hunne genezing te danken hebben. Onder deze dertig genezingen nu, zijn er tijdens het rectoraat van Luijten, zeventien voorgevallen.
    Twee Schijndelsche families, die elk een tweetal harer leden genezen zagen door de hulp van O. L. Vrouw van Handel, hebben deze blijde voorvallen willen vereeuwigen door een votief schilderstuk, dat nu nog een der gloriën uitmaakt van Handel's bevoorrechte kapel. Het getuigt in woord en beeld:
    Franciscus Schrijvers van Schijndel geboren met een buikwond en Joannes deszelfs broeder hebbende eenen zwaren breuk zijn den 9 September 1726 genezen.
    en:
    De gebroeders Willem en Joannis van Herpen van Schijndel beide blind aan de regter oog zijn te Haandel den 10 en 24 Augustus 1726 genezen.
    Zoovele gunsten, zoovele pelgrims, zooveel godsvrucht op Handel! O het stemde den ijverigen rector tot hooge vreugde. Hoe dankbaar knielde hij dan in jubel neder voor zijne hemelsche Moeder! Hij, hare trouwe en vurige dienaar, spaarde zich geene moeite, om hare eer te bevorderen. En nu is hij de gelukkige getuige van zoovele gebedsverhooringen en nu ziet hij de pelgrims in zoo groote getale met hunne geestelijkheid naar Handel trekken en nu hoort hij in luide gebeden en gezangen den dank Maria gebracht! En ook zijn hart is vervuld van lof en dank en jubel.
    Of is het geen sprekend bewijs daarvoor, dat de rector zooals de geschiedenis meldt, machtiging vroeg, om wegens de groote drukte, biechtvaders van welk bisdom ook te hulp te roepen. De Minderbroeders, de Predikheeren, Karmelieten, Minderbroeders Kapucijnen en andere paters hadden een biechtstoel in de kapel. Zooveel pelgrims bezochten Handel, dat in 1718 den tweeden Pinksterdag ruim dertig biechtvaders onophoudelijk biecht hoorden, dat onder het octaaf van Onze Lieve Vrouw Hemelvaart van het volgend jaar meer dan negenduizend H. Communiën werden uitgereikt. De kapel kon dan natuurlijk al die duizenden niet omvatten, vandaar dat er buiten een „houteren autaar werd opgerecht onder de linde, aan de Noordzijde van het heiligdom" en daarop het H. Misoffer werd opgedragen.
    Wij hebben reeds uitvoerig gesproken over de gelofte om zooveel was of koren of zilver te offeren als het kind zwaar was,
    wiens genezing men vroeg, ook over het vervaardigen van eene afbeelding van de verkregen gunst of tenminste een zinspeling daarop als herinnering te geven. Op paneel of doek werd de wonderbare gebeurtenis afgebeeld, voorzien van een duidelijk opschrift ; ditystuk werd in het genadeoord tegen den muur opgehangen. Dat dit in de beroemde Mariakapel op Handel plaats vond bewijzen de stukken uit lahg vervlogen jaren, die nu nog het heiligdom sieren.
    Hier moeten wij nog van een ander gebruik melding maken.
    Gedurende de Middeleeuwen zien we op de bedevaartplaatsen, in de hollandsche provincies meer bijzonder in Heilo, Wils veen, Eikenduinen, eene eigenaardige manier van boetend smeeken of danken. Daar liepen, zooals wij bij J. A. F. Kronenburg lezen, rondom het genadeoord twee paden: een grooter en een kleiner, waarop de pelgrims zich biddend voortbewogen; eenigen liepen, anderen kropen vooruit op hunne knieën, anderen op handen en kniën tegelijk. Dat smeekend kruipen geschiedde nog te Handel in het begin der 18e eeuw, zooals we uit een officiëel relaas eener genezing aldaar kunnen lezen.
    In het Procesverbaal eener buitengewone genezing, volgens het authentieke stuk in het Kerkarchief te Handel lezen we daarover..., dat zij (de moeder) met het kind en sijne krucken op den 11 Sept. 1717 naer Haendel is gevaeren en onder eenen grooten toeloop van volck gecomen sijn in de Capelle aldaer gaende sitten op haer knien gecropen en 't kind op zijne krucxkens gevolgt is rQndom het beeld staende in de voors.r, Capelle, dat sij voor de tweede Reyse om 't Beeld al biddende heeft gecropen, nemende het kind aen haere hand en leijdende 't selve alsoo om het Beeld sonder de krucxkens te gebruijcken, dat sij met seer grooten ijver, en op goet en vast betrouwen der hulpe en voorspraecke van de Aller- saligste Maghet bij haeren Soone Jesu Christo aenroepende; het Beeld voor de derde reyse omgecropen is de krucxkens van het kind nederleggende op vast betrouwen het kind haer om het beeld cruypende heeft doen volgen, sonder stock of krucken, en is haer oock alsoo sonder stocxkens of crucxkens gevolght....
    Men kan begrijpen hoe in breeder kringen de devotie tot O. L. Vrouw van Handel werd verbreid, nog meer geschiedde dit door de uitgave van een Liederenboek alleen bestemd voor hen die ter bedevaart togen naar het wondere Beeld van Handel. Dit boekje, waarvan naar ik vernomen heb een eenig exemplaar bestaat, dat mij, het zij hier dankbaar vermeld —, ter inzage werd gezonden door den eigenaar H.N. Ouwerling, draagt tot titel: De Opkomste Eer ende Vreugt van Handel, Gelegen onder de Vrije-Neutrale Rijks Heerlijkheyt Gemert, Geschiet door het vermaert en de Mirakuleus Beeldt van de Aldergenadigste Maget en Moeder Godts Maria, op eenen Doren stock gevonden over de vijf hondert Jaer, op welke plaatse tot haerder eere de Capelle getimmert is: Ende nu met nieuwe Liedekens ververst, en verkiert, tot meerder verweckinge van Godtvruchtigheyt tot de selve Maget, in het Jaer 1736. Door D. V. E. P. — Men vindse te Koop, bij de Broeders tot Handel.
    De ijverige rector zag ze van nabij en van verre komen, de trouwe katholieken, om voor het Wonderbeeld te bidden voor tijdelijke gunsten maar ook tot behoud van het ware Geloof in die tijden, waarin de Staat zich te veel liet voorstaan met de rechten der Kerk en het Jansenisme als een kanker wilde vreten aan de gezonde leer van Haren Goddelijken Stichter.
    Dan lagen ze voor het Beeld, door de reis lichamelijk vermoeid, de schapen met hun herder, maar levend het volle frissche Roomsche leven en zongen het:
    Toevlugt-Liedt der Vremdelingen tot de Alder-heylighste Moeder Godts Maria, oft haer mirakeleus Beeldt rustende binnen Handel Stemme: Bell Iris, of Stroycken ende Koltje-Vier.

    1
    Laet ons ras naer Handel gaen
    Laet ons daer Mariam groeten
    Die ons droefheyt kan versoeten
    En ons all' weet bij te staen.
    Laet ons vierige gebeden
    Storten voor die suivre Maegt
    Die uyt Moederlycke leden
    Ons gebedt bij Godt op-draeght.

    2.

    Niemant wort van haer veracht
    In haer Moederlijcke ermen
    Wilt sy allen Mensch beschermen.
    Haeren Soon, geeft haer de macht
    Jesus heeft aen haer gegeven
    (Mensch dan tot Mariam vlucht)
    Dat gy door haer hulp sult leven
    Als gy quelt of als gy sucht.

    3

    Daerom gaen wij nu gelijk
    Haer soet Beeldt tot Handel eeren.
    Op dat sy van ons wilt keeren
    Dat ons Ziel is schadelijk.
    Door haer Beeldt zal ons geschieden
    't Gene dikmaels is geschiet:
    Want veel droeve sieke lieden,
    Komen daer uijt hun verdriet.

    4

    Het behaegt aen Godt den Heer
    En aen ]esusf onsen Broeder,
    Dat Maria zijne Moeder
    t'Handel wort bewesen Eer
    Godt laet dit genoegsaem merken
    Dat Marias eer is goet
    Door die Wonderbare werken,
    Die hij door Mariam doet.

    5

    Wat en heeft Godt niet gedaen
    Binnen Handel aen veel menschen ?
    Die Mariam eer toe wenschen,
    En voor haeren Autaer staen ?
    Koortsen, siekten, swarigheden,
    Die ons herten quellen seer,
    Heeft Maria afgebeden,
    En noch veele smerten meer.

    6

    Blintheyt, doofneyt, kreupelheyt Binnen Handel zijn verdreven, Door Maria wordt gegeven,
    Van Godt alle lustig heyt. Hierom willen wij gaen vieren Binnen Handel den Autaer,
    En Marias Beeldt verderen
    Ons versoeken doen door haer.

    Met B. Luyten stierf een der ijverigste en der meest gevierde rectoren, welke ooit over het roemruchtig wonderbeeldjege waakt en de devotie tot O. L. Vrouw van Handel hebben verspreid.
    Hoewel van het rectoraat van zijn opvolger Thomas Bresser 1754—1783 weinig is bekend, lijdt het toch geen twijfel, dat de Maria-vereering zich onder de geloovigen staande hield en door aanzienlijke mannen werd bevorderd. Wanneer wij lezen, dat in het jaar 1785 meer dan achttien duizend pelgrims Handel hebben bezocht en in 1792 omtrent zeventien duizend, dan getuigen toch deze hooge cijfers, hoe dierbaar de godsvrucht tot O. L. Vrouw van Handel in de harten der geloovigen bloeide. Handel bleef bekend en bemind en het wonder, dat op deze bevoorrechte plaats in 1792 plaats greep vermeerde het vertrouwen der geloovigen op Maria, die in Handel wil vereerd worden als de Troosteresse der bedrukten. De pelgrims kwamen uit de Meierij, uit het Land van Ravensteijn, uit Opper-Gelderland, het Kleefsland, het Westen van Brabant, uit Holland met name uit Rotterdam, Schiedam en Delft „zoovele togen nog ter bedevaart dat S. Hanewinkel, predikant te Aarle-Rixtel in zijn „Reize door de Majory van VHertogenbosch in den jaare 1798" een onverdachte getuige! deze woorden schreef: „Haandel is eene buurtschap van Gemert, en het Mariabeeld aldaar is weinig minder beroemd dan dat van Kevelaar of Scherpenheuvel....,,
    (4) Eenige jaren later getuigde deze schrijver in zijn Geschied- en Aardrijkskundige beschrijving der Stad en Meijerij van VBosch, dat er weer „een grote menigte uit alle oorden  te samen vloeide, echter is de toeloop op ver na niet 200 sterk, als hij plagt te wezen". Hoewel, schrijft dezelfde „de Roomsche Godsdient nergens met meer pracht placht uitgeoefend te worden dan hier (te Gemert) is thans wegens de franschen dit geheel veranderd; geen Godsdienst mag er meer op straat worden uitgeoefend, of eenige plechtigheid vertoond, die daarop betrekking heeft."
    De processies mochten dus niet meer trekken. Het miraculeus Beeldje werd dus des te minder bezocht, en toen de revolutie voorbij was, zijn er vele teruggebleven, die vroeger op hare reis naar Kevelaar O. L. Vrouw van Handel nooit voorbijgingen, wijl zij ter oorzake van de spoorwegen een anderen weg moeten nemen. Alleen de Tilburgsche voetprocessie naar Kevelaar neemt haar weg over Handel om daar O. L. Vrouw, met veel godsvrucht te eeren.
    Doch in de laatste helft der vorige eeuw is daarin eene groote verandering gekomen. Vele processies gaan weer op ter bedevaart naar het geliefde Handel en duizenden komen afzonderlijk naar haar beeld. Dat was eene vreugde voor den grooten Maria-ver- eerder, rector van de Laarschot, die, zooals we nog zullen verhalen zoo ontzaggelijk veel heeft gedaan om de devotie op Handel op te richten uit haar verval.
    En nu?
    Zelf mochten wij het uit den mond van pelgrims vernemen: „Wat is Handel mooi geworden." Ja, we hopen dat God hem nog tal van jaren mag sparen, den nieuwen rector, den ZeerEerw. heer J. Duijnstee. Zooveel heeft hij reeds opgericht, zoo gaarne trekken de pelgrims naar den „Hof van Olijven" achter in de dennen, als een grootsch monument geplaatst om langs de veertien nieuwe staties, ware kunststukken, door Maria-vereerders en processies geschonken, de kruiswegoefening te verrichten.
    In de korte jaren, dat wij op deze bedevaartplaats mocht wonen, waren we getuigen, dat het aantal pelgrims en bedevaarten steeds toenam en we meenen niet te overdrijven als we het getal personen, dat jaarlijks Handel bezoekt op een twintig-duizendtal mogen schatten.
    En wat nog meer de menschen doet spreken en de devotie tot O. L. Vrouw doet toenemen, zijn de gunsten door Maria's voorspraak op Handel verkregen. Als werd het overal heen getelegrafeerd, klonk de uitroep: „Op Handel heeft een gebedsverhooring plaats gehad". „Er is een mirakel gebeurt op Handel..” De Kerk zal uitspraak doen, doch dat willen wij U wel zeggen:
    De jongeling kwam genezen naar Handel om O. L. Vrouw te bedanken. Hij was door een professor op een onzer universiteiten opgegeven. Tot in de ziel toe geroerd stonden we daar met mannen en vrouwen, — de Schijndelsche H. Familie, mannen- afdeeling, was juist ter bedevaart — en den genezen jongeling met zijn gelukkigen vader vóór het Wonderbeeldje. Luide baden wij daar om O. L. Vrouw te danken en tranen vloeiden uit ons aller oogen, toen we ons aanbevalen in het gebed van dit bevoorrecht kind van onze hemelsche Moeder.
    Zoo blijft Maria ons beschermen. Maar ook zóó komen steeds meerdere naar dit bevoorrecht oord, om hier te ondervinden, waarvan zoovele eeuwen getuigen:

    Maria kan ons helpen.
    Maria wil ons helpen.
    Maria zal ons helpen.

    Onze Lieve Vrouw van Handel, Toevlucht der zondaren, Troosteres der Bedrukten bid voor Ons, die onze toevlucht tot U nemen.

     

    De Broeders van de „Kluis" en de
    Minderbroeders Kapucijnen op Handel.


    V
    DAAR leefde in het jaar 1701 een eenvoudige, brave jongeling, Daniël de Brouwer genaamd. Deze Derde Ordeling muntte uit als vurige vereerder van de H. Maagd en aanvaardde het kosterschap in hare kapel van Meerveldhoven. Met zijn twee volgelingen Petrus Teurlings en Petrus Moescops woonde hij te Zeelst nabij de kapel en leidde daar onder bescherming van hun H. Vader Franciscus een religieus leven.
    In hunne teedere godsvrucht tot de Moeder Gods, die zij zoo gaarne ook hunne Moeder noemden, deden de drie gezellen gezamenlijk elk jaar eene bedevaart naar O. L. Vrouw van Handel. Daar maakten zij kennis met den toenmaligen rector der kapel, den bekenden en ijvervollen heer Bartholomeus Luijten, Duitsch Orde-priester. De rector die in de vereeniging der drie godvruchtige bedevaartgangers al spoedig iets groots voor de toekomst meende te zien, noodigde Daniël de Brouwer uit om zich met zijne gezellen in het „vrije” Handel te komen vestigen en de kosterij der kapel op zich te nemen.
    Daar vooral na de Munstersche vrede in 1648 een droevige tijd voor de Katholieken was aangebroken, werd gretig op dit voorstel ingegaan, omdat men in het onzijdige Gemert alle Gods- diensvrijheid kon genieten. Het drietal nam nu in het jaar 1722 te Handel zijn intrek in een vervallen huisje met bijgelegen tuintje, De Hanenkamp genaamd. Zij sloten een contract met den rector, krachtens welk zij het ambt van koster zouden waarnemen, voor misdienaars zouden zorgen en al wat de Kapel en de H.H. Diensten aanging, zorgvuldig zouden behartigen, waarvoor zij jaarlijks twintig gulden zouden ontvangen en op de dagen, dat zij dienst deden, bij den rector zouden eten en drinken. Geschiedenis der Congregatie van de Broeders Penitenten van den H. Franciscus van Assisië, gevestigd in Huize Padua" te Boekel. Uit het kloosterarchief verzameld door W. F. Becx R. K. Priester aan „Huize Assisië” te Udenhout Bussum 1919.
    „Het was hun echter niet alleen te doen om zich zelven als

    kluizenaars een afgezonderd en godvruchtig leven te leiden; neen, naar het voorbeeld der oude kloosterlingen sloegen zij aanstonds hunne forsche handen aan het werk en herschiepen den ondankbaren grond in vruchtbare landerijen. De dorre en verlaten streek en de barre heide, waarbij drie kluizenaars hun eremitage openden, maakten op den eenzamen reiziger een treurigen indruk; doch nauwelijks waren er eenige jaren verloopen, of men zag er wei- bebouwde akkers, goede weilanden, heerlijke moestuinen en aangelegde lanen van eiken- en lindeboomen, die een schilderachtig gezicht opleverden."  (Schutjes).
    Daar het onderdrukken van het katholiek onderwijs en de protestantsche propaganda der hervormde schoolmeesters aan de katholieke ouders grootenlast en uiterste waakzaamheid veroorzaakten, werd het voor allen een zegen, dat de nieuwe bewoners van Handel een school oprichtten, waarin de jeugd uit den omtrek en kinderen uit de Meijerij en zelfs uit Holland aan de leiding der Broeders werden toevertrouwd.
    Maar het gebed bleef hoofdzaak voor de Kluizenaars, zooals het volk hen noemde. Terwijl zij langzamerhand in aantal toenamen, brachten die bewakers van Maria's heiligdom uren in den morgen en des avonds in aanbidding bij Jezus in het H. Sacrament door. Daar vooral wisten zij door de voorspraak hunner Moeder en als loon reeds voor hun zorg, dien geest van eenvoud en zelfopoffering te verkrijgen, waardoor ze bij God, bij de geestelijkheid en de leeken in den omtrek waren geacht en dien zij moesten bewaren en overbrengen aan het nageslacht: den geest van hun H. Vader Franciscus.
    Ten dienste ook van de kapel op Handel, legden zij zich ook op handenarbeid toe. Zij richtten een klein gebouw op tot het vervaardigen van waskaarsen voor het heiligdom. Ook goten zij van was verschillende ex-voto's als hoofden, armen, beenen, koeien, schapen enz. welke zij op bedevaartsdagen verkochten.
    Zoo bleven de Broeders op Handel tot de helft der 18e eeuw. Daar echter in die tijden van vervolging en bemoeilijking zelfs te Gemert, geheel het Land van Ravestein, waaronder Boekel behoorde, vrij was in het uitoefenen van den R. K. Godsdienst, kochten zij van de gemeente Boekel een stuk heidegrond, maar toch zoo dicht mogelijk bij hun vroegere woonplaats, om hun kosterschap in de kapel van Handel te kunnen voortzetten. De tijdelijke rector van Handel bleef ook een hunner „inspecteurs".
    Eene groote beproeving moesten de goede Broeders ondervinden, toen de Congregatie in 1813 nog slechts twee kloosterlingen telde. Iedereen meende, dat het einde van het werk, door Br. Daniël de Brouwer begonnen, nabij was, maar God en de Allerheiligste Maagd waakten over hen. Gelijk Maria waakte over haar heiligdom: de kapel van Handel, zoo waakte zij ook over de haar toegewijde kudde: de Congregatie, die in de schaduw van het genadebeeld in aantal en kracht toegenomen en als de wacht rondom het heiligdom gevormd was, doch nu door menschenhand verminderd, den ondergang nabij scheen. Het getal nam toe en ze gaven weer onderricht op verzoek van de bewoners van Handel en de Logt (het aangrenzende gedeelte van Boekel) totdat in 1822 Handel een eigen school met onderwijzer kreeg.
    Zij hielden zich nu uitsluitend bezig met gebed en land- en tuinbouw. Ook bleven zij de kapel van Handel verzorgen, waarin zij het ambt van koster voortzetten, totdat in het jaar 1833 rector Coppens die bediening opdroeg aan zijn huisknecht.
    Naarmate het getal Broeders, kostheeren en patiënten toenam, gevoelde men meer de behoefte aan eene betere inrichting, die, om den verren afstand van de parochiekerk en zelfs van de kapel van Handel (althans voor de verpleegden), een eigen heiligdom met dienstdoenden geestelijke zou hebben.
    Zoo overwonnen de Broeders in hunnen eenvoud en hun vertrouwen op Maria, met geduld en moed den grootsten tegenspoed en durfden hun nieuwe onderneming aan, die tot op onze dagen aan alle eischen voldoet. (W. F. Becx).
    Hoewel de Broeders op Boekel wonen, blijven zij toch immer aan de Kapel en hare belangen gehecht. Dit ondervond de tegenwoordige rector van Handel, toen hij zijn grootsch plan uitvoerde: den aanleg van een nieuw terrein en de beplanting daarvan, waar nu een prachtige kruisweg is opgericht.
    Moge O. L. Vrouw van Handel de Congregatie van deze Broeders blijven beschermen, tot vermeerdering van het aantal harer leden en tot bloei van hun werken voor het heil der verpleegden.
    Wanneer wij hier in 't kort vermeldden, wat de Broeders Penitenten van „Huize Padua" ter eere van O. L. Vrouw van Handel sinds hunne vestiging aldaar hebben verricht, dan mogen wij ook niet onvermeld laten, welke diensten de Minderbroeders Kapucijnen hebben bewezen aan de vèreering van Maria op deze bevoorrechte plaats.
    Beiden èn de Broeders èn de Kapucijnen zijn kinderen van St. Franciscus.
    De Broeders leden der Derde Orde hebben altijd getracht O. L. Vrouw van Handel te eeren, door hare kapel te verzorgen en verders alles te doen, wat op stoffelijke wijze den eeredienst van Maria kon bevorderen.
    De Kapucijnen, kinderen der Eerste Orde, steunden in hunne priesterlijke bediening de vereering van Maria in haar heiligdom op Handel, door biecht te hooren, te prediken, processies te begeleiden en alles wat den openbaren luister der bedevaart mocht verhoogen.
    Beiden stelden in hunne werkzaamheden op Handel eene glorie. Immers de vereering van Maria is hun als een erfdeel van den H. Vader Franciscus nagelaten.
    Gautius, die in 1684 kapelaan was te Gemert en later aldaar pastoor, 1692—1736, vulde de aanteekening van Strijbos in, waarin deze de biechtvaders opnoemt en vermeldt dat de Kapucijnen eene
    statie hadden op Kruisvinding. Dan predikten zij en hoorden biecht. Onder Cillis, die in 1695 als rector werd aangesteld, kwamen op drie feestdagen, twee paters uit het kapucijnenklooster van Velp te Handel prediken. Met andere religieusen hadden zij hun vasten biechtstoel op deze bedevaartplaats. Dit gebruik bestond nog in de eerste helft der 18e eeuw. Later zullen wij nog beschrijven hoe, reeds vóór 1690 de bedevaart uit Grave uittrok naar Handel onder leiding van den pastoor en geestelijkheid dezer stad, allen Kapucijn-missionaris uit het nabij gelegen , klooster te Velp. Dan gingen de paters en broeders van Velp zoöveel mogelijk mede en zij deden het gaarne ter eere van O. L. Vrouw,
    Steeds zijn de Kapucijnen innig verbonden geweest met de beroemde bedevaartplaats.
    De Bergen-op-Zoomsche en Breda' sche voetprocessie naar Handel was onder hunne geleide. Nog gaat ieder jaar de Tilburgsche te voet naar Keveiaer over Handel en verblijft op deze laatste plaats twee nachten op de heen- en terugreis. Deze processie, welke wij meermalen mochten begeleiden, is waarlijk een boetetocht en de pelgrims geven groote stichting door hun godsvrucht.
    De kapucijn, pater Petrus van Oirschot, die sinds 1848 „Huize Padua" als rector bestuurde, bouwde daarnaast in 1851 een klooster voor zijn Orde. „Met nooit bezweken moed", zegt p. v. d. Elsen, „en ongelooflijk vele opofferingen bracht hij die stichting tot stand en met niet minder ijver werkte hij voor den bloei der devotie van O. L. Vr. van Handel".
    Dien ijver van den stichter van Handels klooster hebben de latere bewoners van het klooster steeds blijven toonen.
    Zij komen ofwel met de processie's te Handel aan, of staan voor elke processie, voor elke assistentie gereed. Zij prediken voor de pelgrims, zij dragen voor hen het plechtig H. Sacrificie der Mis op, zoo dikwijls de rector hen vraagt. De biechtstoelen in hun kerk zijn druk bezet, reeds zeer vroeg, door de bedevaartgangers van heinde en ver. Ze gaan met de pelgrims ter kruisweg, achter de kapel gelegen.
    Dit doen de paters sinds tientallen van jaren na hunne vestiging op Handel.
    En de Broeders Penitenten van „Huize Padua" en de Paters Kapucijnen danken O. L. Vrouw van Handel voor den zegen van God, dien zij door hare tusschenkomst van den Hemel ruimschoots hebben ontvangen.

    Bedevaarten en Processiën

    VI


    NAARMATE de vrome Christen, geleid door het godsdienstig gevoel, opgaat in de beschouwing van Haar, die onder alle heiligen de verhevenste is, wijl God Haar tot de hoogste waardigheid heeft verheven, n.l. tot Moeder van zijn Eenigen Zoon, zal ook zijn bewondering stijgen niet alleen, maar ook de liefde meer en meer ingang in zijn hart vinden. Door vrome gebeden en oefeningen zal die liefde des harten ook meer tot uiting komen.
    Evenals de rozenknop, door den aanvoer der sappen meer
    en meer zwelt, en eindelijk, door den drang der natuur gedreven,
    weelderig zijn bladeren uitspreidt, om zich voor 't oog van den
    voorbijganger in volle schoonheid van kleuren te toonen, zoo kan
    ook het godsdienstig gevoel zich niet bij een bloot beschouwen
    bepalen, noch zich in ft binnenste des harten verborgen houden,
    maar natuurlijkerwijze zich door daden van uiterlijken godsdienstzin openbaren. Dat gevoel nu van aanhankelijkheid, eerbied en liefde tot Maria openbaarde zich alle tijden, naast zoovele andere devotiën, door plechtige Processiën en bedevaarten, Maria ter eere gehouden, naar hare genade~oorden, niet het minst ook naar O. L. V. van Handel.
    Hoevele genezenen toch bezochten de Kapel te Handel, om daar
    Maria te eeren, die door de Kerk het „behoud der Kranken”
    genoemd wordt en aan wier voorspraak zij het herstel hunner
    gezondheid te danken hadden. Dat God inderdaad op deze plaats
    den geloovigen Zijne genaden en gunsten door de voorspraak van
    Maria mededeelt, hunne gebeden dikwijls op eene zichtbare wijze
    verhoort, getuigen de ontelbare pelgrims, die in den loop der
    jaren deze plaats bezochten en voor het mirakuleus beeld van
    Maria neerknielden. Wat toch trok hen derwaarts? Zij waren
    verhoord geworden en daarom kwamen zij terug en weder terug;
    zij hadden anderen, die zij als ziek en ongelukkig gekend, en met
    een medelijdend oog aanschouwd hadden, plotseling gezond en
    gelukkig zien huiswaarts keeren, en daarom haastten ook zij zich,
    om aan dezelfde bron troost en heil te gaan putten. De wonderbare genezingen, die op voornoemde bedevaartplaats geschiedden,
    zijn eene door God zeiven aan de geheele wereld blootgelegde
    bevestigingsoorkonde, dat Hij dáár zijne Moeder wil vereerd zien,
    dat de bedevaart naar die plaats Hem welgevallig en den mensch voordeelig is. Zonder twijfel is het geloof aan het verhaal dier wonderbare genezingen niet noodzakelijk, noch tot een gebod gemaakt; maar ook niet onverstandig noch ongeoorloofd, wijl de feiten op de meest voldoende wijze door getuigen zijn bevestigd. Zulke getuigen waren soms geheele processiën, bijna altijd de geheele gemeente der genezenen; de feiten werden niet alleen door de geestelijkheid, maar ook meestal door den wereldlijken rechter zelfs door andersdenkende geneesheeren onderzocht en bevestigd. Tegenover zulk eene menigte van getuigen, de feiten in twijfel te trekken of ze te loochenen, is wonderbaarder dan hetgeen men betwijfelt of loochent. En al wie in het gewone leven met zulke ongeloovigheid en twijfelzucht te werk gaat, zal als een onhandelbaar persoon vermeden worden en met zich zelven in tegenspraak geraken.
    O. L. Vrouw van Handel was dan ook op het einde der 15de eeuw reeds door geheel Brabant bekend. Het schijnt, dat oudtijds vele processiën zich te Gemert opstelden, om vandaar langs den Keskensdijk naar Handel te trekken. Men spreekt nog van zware boetplegingen op dezen weg geschied. Oude lieden hebben boetvaardige zondaren gekend, die in 't midden van den winter door de dikke sneeuw, ongedekt en ongeschoeid, met een rozenhoedje in de hand „den Keskensdijk" passeerden. Wij willen hier mededeelen wat een ooggetuige, Ds. S. Hanewinkel, Predikant te Aarle-Rixtel van 1791 — 1798 in zijn reize door de Majorij van 's~Bosch (bid. 93—95) daarvan in 1798 schreef. „Nergens, plagt de Roomsche Godsdienst met meer pracht.... uitgeoefend te worden dan hier (te Gemert), doch thans is dit wegens de Franschen geheel veranderd; geen Godsdienst mag er meer op straat worden uitgeoefend, of eenige plechtigheid vertoond, die daarop betrekking heeft. Laat ik U hier eens eene schets geven, hoe het hier met den Roomschen Godsdienst gelegen was: Overal zag men langs de straaten een beeld van eenen zoogenoemden Heiligen of een Kruis staan. De priesters gingen hier altijd in hunne miskleederen (Dominee bedoeld zeker koorhemd en stool) over straat, als zij naar de Kerk of naar eenen zieken gingen, met het Venerabile in de hand, alles knielde voor dezelve. Op sommige dagen geschieden herwaards, of eigenlijk naar de Lieve Vrouw van Haandel (Haandel is eene buurtschap van Gemert, en het Maria-beeld aldaar is weinig minder beroemd dan dat van Kevelaar of Scherpenheuvel) bedevaarten uit alle Dorpen van de Majorij, het Land van Ravenstein, Opper-Gelderland, Kleefsland enz. Er vloeiden dan eenige duizende menschen naar toe; zelfs heb ik er, toen ik voor eenige jaren een gedeelte der Majorij en ook Gemert zag, eene geheele bedevaart van Rotterdammers en ook andere Hollanders gevonden.

    Men hield er dan plegtige omgangen of processiën.... Ziehier de wijze, hoe zich dezelve toedroegen. Een man, die een kruis in de hand droeg, ging vooraf, onder het roepen van eenige woorden, die ik niet verstond, doch denkelijk om de komst der processie aan te kondigen, de klokken wierden geluid, en ieder die in huis was begaf zich op straat. Dan volgde de geheele trein, bestaande uit een groote menigte van mannen, vrouwen en kinderen, welke alle zongen of baden ter eere van Maria.
    Eenige meisjes droegen een mand met bloemen, strooiende dezelve over de straat voor de processie heen. Hierop kwam een man bekleed met een purper kleed en eene doorne kroon, wiens gezigt, handen en beenen (hij ging barrevoets) met een roode verw, als bloed, bestreeken waren; hij had een groot rood houten Kruis op zijnen schouder, en sleepte hetzelve in eene houding van iemand, die zeer krom gaat en geduurig onder den last dreigt te bezwijken, van Haandel tot naar Gemert in de Kerk. Hij verbeelde den persoon van Jesus; eenige anderen gewapend met snaphaanen en sabels, waren de krijgsknechten, en hadden hem aan een touw om zijn midden gebonden, vast, trokken hem dan hier dan daar over de straat, sloegen met sabel op het houten Kruis, hetgeen een doffen doch akeligen klank, wijl het hol is, veroorzaakte en schreeuwden geduurig: voord! voord !! Op sommige plaatsen viel hij neder, alsof hij bezweek, en men liep dan uit een nabuurig huis met eenigen drank, om onzen Heer (dus drukte men zich uit) te laaven; als hij nederviel knielden duizenden van menschen voor hem neder. Achter den Kruissleper volgde de Priester in zijn Misgewaad met de Ciborie.... gaande onder een verhemelte, dat door vier personen gedragen word, en dan volgden andere Geestelijken ook in hunne staatsie-kleederen".
    Wat de predikant van de kruisdraging verhaalt, heeft me{ de processie van Handel niets uit te staan; het geschiedde op Goeden Vrijdag en was een overblijfsel der Middeleeuwsche mysteriespelen. Wat echter de processie aangaat, Gemert had de oudste processie, en deze werd reeds onder Strijbos op den tweeden Pinksterdag gehouden. Het was de dag der kapelwijding, de Handelsche Kermis:
    Dan werd een plechtige H. Mis gezongen, een predikatie gehouden en het beeld van O. L. Vrouw in plechtigen optocht naar de Kerk van Gemert gedragen. Twee dagen later werd wederom een H. Mis gezongen, waarschijnlijk in de kerk te Gemert, en het beeld met evenveel luister tot aan de steenen brug (in de kom van Gemert, aan het riviertje de Rips, waar de weg naar Handel door de Molenstraat een aanvang neemt) en verder in stilte naar zijn eenzaam oord teruggebracht.
    Ook op den tweeden Paaschdag werd in dien tijd eene H. Mis gezongen en weinig tijds later tevens eene processie gehouden. Op den tweeden Pinksterdag was echter de processie het plech- tigst, gelijk Wichmans, bladzijde 411, aanmerkt. Overigens werden in de Kapel iedere week twee H. H. Missen gelezen, van welke altijd een op Zaterdag, alsmede op alle feestdagen van O. L. Vr. en andere patronen.
    Strijbos verhaalt ons uitvoerig hoe er te Handel jaarlijks eens processie werd gehouden; en volgens Wichmans, Verbeek en andere schrijvers nam haar luister later veel toe.  Strijbos gewaagt
    reeds van een verhemelte, dat in de processie gedragen werd, waarschijnlijk door scepenen van Gemert, hij spreekt van zangers? bruidjes, vaandels, toortsen enz. Zij die bij de processie behulpzaam waren, werden betaald uit offergiften, ontvingen wat bier, brood en vleesch uit de keuken van het kasteel. Dit werd eertijds te Handel zelf verorberd, maar die oude gewoonte was tot misbruik overgegaan, waarom Strijbos het afschafte, want, zoo zegt hij : eene bedevaart behoort nuchteren te geschieden. Hij gaf op een meer gepasten tijd aan den priester en den koster een gelag te zijnen huize „diet hemels (die het verhemelte — overdekking van een troon) dragen ieder 2 stuivers, diet beelt onser lieven Vrouwen dragen, ieder 2 st; die die vahnen dragen, ieder 2 st. ënde den seegers (zangers) den jongen ende dieneren ieder 1 st. ende den bruijtjens ieder 1 st. ende die die twe tortsen dragen oec. Volgens gewoonte werd de stoet, die de processie vormde, opgeluisterd door de uitgedoste gildebroeders en geharnaste schutters. In de oude keuze van het Sint Antonius en Sebastianusgilde van Gemert wordt door Art. 20 bepaald, dat „al wie zich bij het optrekken naar den vogel of in de processie niet goed gedraagt, door de dekens dapper zal afgeslagen worden". En in die van O. L. Vr. broederschap: De broeders zullen op Handelsch Capelwijdingedag, den tweeden dag van Pinksteren, en op Sacramentsdag de processie helpen houden op pene van een halve reaal."
    De groote vereering van dit genootschap voor O. L. V. van Handel leert ons wederom het register van Strijbos, waar we lezen, dat hetzelve ten jare 1590 een geschilderd glasraam geschonken is: „Onser liever vrouwen broderscap van Gemert een glas van 3 gulden". Nog heden ten dage zijn de leden van deze broederschap de voornaamste leiders der Gemertsche processie naar Handel. De Dekens, zoo zeggen de oude oorkonden, moeten zorgen, dat de processie „gemanierlyck en devotelyck" naar Handel trekt.
    Met de uitgave van het nieuwe Kerkelijk Recht, op Pinksterdag 1918 kwamen aangaande de processie andere bepalingen in werking. Regel 1290 daarvan zegt: „Door het woord bedevaarten worden beduid plechtige smeekoefeningen, die door het geloovige volk, onder leiding der Geestelijkheid geschieden, gaande van gewijde plaats naar gewijde plaats, ter opwekking van de godsvrucht der geloovigen tot herdenking van Godes weldaden en ter dankzegging aan Hem, en tot afbidding van den Goddelijken bijstand."
    Verder staat nog regel 1295: „De Bisschoppen hebben te zorgen, dat de Bedevaarten, met uitroeiing der verkeerde gebruiken, indien zij bestaan, ordelijk haar gang gaan, en door allen volbracht worden met die ingetogenheid en dien eerbied, welke aan zoodanige vrome en godsdienstige handelingen ten hoogste passen".
    Ter opvolging dezer bepalingen hebben de Dekens der aloude processie van Gemert naar Handel, in overleg met de Geestelijkheid der Parochie, het thans zoo geregeld, dat de oudste kapelaan de Geestelijke geleider der processie naar Handel zal zijn voor de
    processie, genaamd „in de Hoef" en zoover noodig voor depro- cessie's in de Kerk zal de tweede kapelaan de Geestelijke geleider wezen.
    In het begin der 18de eeuw werd Handel geregeld doorpro- cessiën bezocht. Rector Luijten gewaagt van Gemert, St. Antonius, Dinther, Eindhoven, Erp, Geldrop, Overloon en Schijndel.
    Dat er echter nog meer processiën kwamen blijkt duidelijk uit het aantal groote waskaarsen in 1718 in de kapel geofferd. ( Zij moeten geweest zijn Helmond, Oploo, Valkenswaard en Kaatsheuvel. In 1737 kwamen er bij Tilburg, Rotterdam, Cuijk, St. Oedenrode, Breda, Vucht en anderen.
    Geldrop vierde in 1918, op het feest van de H. H. Apostelen Petrus en Paulus te Handel zijn plechtig jubilé. 250 jaren achtereenvolgend had de processie van Geldrop O. L. Vrouw van Handel bezocht. „Ieder huisgezin, rijk of arm, is vertegenwoordigd in onze processie naar Handel,” zeide mij eens een bewoner uit Geldrop. Maar toen op dat jubilé in 1918. Ongeveer 1100 pelgrims uit Geldrop waren getrokken naar Handel, waarheen .hunne vaderen en voorvaderen waren getogen...,
    Door de goede zorgen van den rector en de vaardige hulp der ingezetenen was alles bij deze zeldzame gebeurtenis — «enig in de geschiedenis van Handèl, luistervol gesierd.
    Eerebogen waren opgericht, chronogrammen opgehangen met jaartallen van heden en verleden, bijzondere feestliederen werden er in dankbaarheid voor Maria gezongen, terwijl in de twee feestpreeken in dankbare bewoordingen werd herdacht, wat een liefde Geldrop in een tijdsverloop van 250 jaren aan Maria had getoond, hoe groot Maria's zegeningen en weldaden waren geweest, en welk een dankbaar hart zij thans, voor haar troon geschaard, Maria moest toonen. Een der Kruiswegstaties werd in dankbare hulde bij deze gelegenheid den Rector aangeboden, als bewijs van genegenheid van Geldrops bevolking tot O. L. Vr. van Handel.
    Hieruit kunnen wij tevens bewijzen, dat men reeds omtrent het midden der 17de eeuw in processie naar Handel toog.
    Predikant Hanewinkel heeft dus gelijk, als hij schrijft, dat Handel weinig minder beroemd was dan Kevelaar en Scherpenheuvel, terwijl er uit alle dorpen van de Meijerij, het land van Ravesteijn, Opper-Gelderland, het Kleefsland enz. als ook uit Rotterdam en andere plaatsen van Holland jaarlijks processiën heentogen.
    Onlangs werd op de bibliotheek van het Kapucijnenklooster te Velp een geschrift gevonden, waarop de bedevaart van Grave naar Handel beschreven stond. Wij geven het weer zooals wij lazen in het Zondagsblad van 't Katholieke Huisgezin:
    't Is lang, al bijna twee eeuwen geleden, dat de Kapucijnen geen pastoreele zielzorg meer hebben te Grave. Voor dien tijd, van 1633 tot 1741 waren er altijd Paters te Grave woonachtig als zielzorger. In het begin mochten zij, wegens de godsdienstvervolging te Grave geen H. Mis opdragen, dan alleen bij en voor de Zusters van Mariagraff. Des Zondags deden zij dienst te Velp, waar de Katholieke Gravenaars dan ter Kerke gingen. Van 1633 tot 1672 deden de Paters in de oude Parochiekerk van Velp appart de H. Mis voor de Gravenaars en later van 1674 tot 1690 in de Kapucijnenkerk zelf, die tot dat doel vergroot werd. Daar werden de Graafsche kinderen gedoopt en zij, die trouwen wilden, konden daar plechtig in den echt verbonden worden. In één woord de Kapucijnenkerk was parochiekerk van Grave, aldus had de Bisschop van Roermond bepaald.
    In 1690 mochten de Gravenaars zelf een schuurkerk binnen de stad oprichten; deze schuurkerk was gebouwd op het terrein achter de Marstal.
    Vóór 1690, werd op één Zondag in de Lente vroeger dan gewoonlijk de Hoogmis gezongen. Die H. Mis werd reeds te negen uur door den Kapucijnen-Pastoor voor het geestelijk en tijdelijk welzijn der Parochie opgedragen. Na afloop gingen de menschen zich bereiden voor de groote Processie naar Onze Lieve Vrouw tot Haandel zooals men toen schreef.
    Veertien dagen te voren, zoo was de gewoonte volgens het afleesboek, werd de dag afgekondigd, waarop de Processie zou vertrekken en werd er een collecte gehouden, waarin ieder iets gaf, om een mooie schoone dikke kaars, O. L. Vr. van Haandel ter eere te offeren. Deze kaars was rijk beschilderd, met bloemen versierd en werd door Maagdenhanden in de Processie te Handel gedragen en bij het wonderbeeld der goede Moeder geplaatst.
    De paters en broeders van Velp gingen zooveel mogelijk mede en zij deden het gaarne ter eere van O. L. Vrouw.
    Om elf uur vertrok de Processie.
    Voorop liep een der aanzienlijkste Gravenaars met het prachtig satijnen vaandel der Parochie, daarna volgden twee aan twee devoot biddend de kloosterzustertjes van Mariagraff, door de bevolking Begijntjes genoemd.
    Achter de nonnetjes volgden de vrouwen en meisjes, waaronder verschillende aanzienlijke dames. Dan volgde een der oudste leekebroeders, die er een eer in stelde, het processiekruis van het klooster te dragen (een eenvoudig houten kruis zooals de Kapucijnen met Sacraments- en Drievuldigheidszondag nog meedragen in de Sacramentsprocessie te Velp).
    Hierop volgden de Broeders en Paters twee aan twee met de hand aan hun gelen palmhouten rozenkrans; vervolgens de burgers, mannen en jongelingen uit Grave en nog vele menschen uit Velp en Reek in lange rij.
    Biddende en zingende verlieten zij de Kapucijnenkerk, gingen hun weg langs de zandige Zeelandsche baan.
    Onderweg sloot zich nog menige pelgrim bij den godvruchtigen stoet aan.
    Te Zeeland werd stil gehouden, om een uurtje uit te rusten, daarna een kort Lof, besloten met den zegen van het H. Sacrament in de oude kapel aldaar. Wederom werd de pelgrimstocht voortgezet onder godvruchtig gezang en gebed. Na een half uur rust in de Volkelscheheide kwam men tegen den avond te Handel aan.
    Dicht bij de Kapel werd de processie feestelijk gerangschikt en onder muziek en zang in godvruchtig gebed trok men met het Graafsch Processievaandel fier omhoog de kleine devote kapel binnen. De maagdekens offerden er hun kaars op een mooie praalbaar gelegen, en dezè werd geplaatst op een der zware ko~ peren kandelaars en ontstoken Maria de Moedermaagd ter eere.
    De Kapucijn-Pastoor, Pater Columbanus, hield daarna een toespraak over hetgeen zijn hart hem op het oogenblik ingaf. Een rozenhoedje sloot de plechtigheid, waarna ieder voor zijn nachtlogies ging zorgen.
    Bij ondergaande zon gingen sommigen nog eens langs de kapelletjes op den Gemertschen weg, om een rozenkrans te bidden, anderen vonden meer devotie neder te knielen voor het genadenbeeldje en daar door godvruchtige liederen en gebeden de gunst der zoete Vrouwe af te smeeken.
    's Morgens om zes uur werd er een plechtige gezongen Mis met drie Heeren gedaan met een lofrede op de H. Maagd, door een der Paters, hierna volgde een vrije tijd, om te ontbijten en zich wat te verkwikken.
    Bij klokslag tien uur kwam het volk weer bij elkaar, er werd nog eens gezamelijk gebeden en de Processie op orde gesteld tot den terugtocht.
    In Zeeland werd wederom een plechtig Lof gezongen en onvermoeid zetten de pelgrims hun terugreis voort.
    Bij het klooster gekomen ter plaatse waar toen Jan Rossen woonde (tegenwoordig het afgebrande huis), werd de processie ordelijk opgesteld en onder het zingen van het „Te Deum” begroet door het plechtig klokkengelui van Velps grijzen kerktoren en het fijn stemmetje van het kloosterklokje schreed men langzaam en statig kloosterwaarts.
    Daar knielden allen nog eens neder om den zegen te ontvangen met het Hoogwaardig Sacrament, waarvoor de Gravenaars toen- tertijde zoo n diepen eerbied koesterden.
    Een der Paters sprak nog een woordje van dank tot Onzen Lieven Heer en de Zoete Moedermaagd van Handel, de troosteres der bedrukten.
    De goede trouwe Graafsche Katholieken, die zooveel voor hun geloof leden, gingen vermoeid naar hun stad.
    Aan de poorten der vesting werden zij bespot door de geu~ zenwacht om hunne „paepsche superstitiën. Het deerde hen even- min, als het spotlied der Joden te Tongelre bij Eindhoven, den pelgrims ontmoedigden, wanneer zij ter bedevaart naar O. L. Vrouw van Handel of Kèvelaar langs hun huis trokken.
    's Avonds werd er gesproken over de Processie, hoe ver het toch was, maar hoe mooi alles gegaan was, hoe ordelijk. De non** netjes die medegeweest waren vertelden aan de thuisgebleven oude Zusters wat zij in Haandel gezien en hoe devoot zij hadden gebeden.
    Na de Fransche revolutie zijn vele processiën teruggebleven.
    Tot voor enkele jaren prijkten in de kapel nog schilden met het opschrift: „Van de processie van Rotterdam. Schiedam, Delft 1815" Op een ander las men: Processie van den Kaatsheuvel onder Loon op Zand met de Langstraat 1816 21?8 op een derde:Processie van Bergen op Zoom 1819 17?8 op een vierde aan de een zijde: Processie Cuijk 1836, aan de andere zijde: H. W. J. van Wanrooy, Landdeken, B. Bronkhorst. kapelaan op een vijfde: Processie van Oirschot.
    Behalve de duizenden, die door het jaar voornamelijk op Maria's feestdagen en vaste Zaterdagen en den feestdag van de H. H. Petrus en Paulus afzonderlijk de kapel van Handel bezoeken, komen nog algemeene processiën uit verscheidene plaatsen, waarbij zich de omliggende gemeenten aansluiten, om aan O. L. Vrouw van Handel hare hulde te bewijzen.
    In den laatsten tijd zijn de Congregatiën van andere plaatsen begonnen met jaarlijks eene bedevaart naar Handel te doen, zij hebben daarvoor echter geen bepaalden dag uitgekozen. Andere processiën en gezelschappen die vroeger op hare reis naar Kevelaar O. L. Vr. van Handel nooit voorbijgingen, hebben ter oorzake van de spoorwegen een anderen weg moeten nemen, terwijl heden ten dage nieuwere zich wederom aansluiten, zooals blijkt uit de volgende lijst van processiën, die in 1919 O. L. Vr. van Handel hulde brachten, behalve verschillende Congregatiën en kleinere bedevaarten; pensionaten etc.
    De processie van      Bakel 
    Boekel
    Berlicum
    Beek en Donk
    Dinther
    Gemert
    Maria-Heide
    Nieuwkuik
    St. Oedenrode
    Oploo
    Schijndel
    Tilburg
    Uden
    Helmond
    Geldrop
    Valkenswaard
    Lieshout
    Langeboom.

    De Kweekelingen van de Zusters Franciscanessen teVechel.
    De Fraters Kapucijnen uit Helmond.
    Het Novitiaat der Redemptoristen uit 's-Bosch.
    De Weeskinderen van Helmond.

    Al wie zich een goed begrip wil maken van den luister, met welken die processiën te Handel verschijnen, van den diepen godsdienstzin en het echt kinderlijk vertrouwen der pelgrims, van den heilzamen indruk, welken het eenzame oord, de heiligheid der plaats, de voorbeeldige godsvrucht en de plechtigheid van een processie op den toeschouwer maken, moet zich ter plaatse bevinden, wanneer de anders zoo stille en ledige buurtschap door het gemurmel en de juichtonen van eene biddende en zingende menigte gevuld wordt, of wanneer de tonen der fanfare het Marialied begeleiden.
    Wanneer eene processie de Kapel van Handel nadert, wordt het rijk versierde mirakuleus beeldje van Maria door eenige bruidjes den pelgrims tegemoet gedragen.
    Voorop gaat de Eerw. Rector of een Eerw. Pater Capucijn, vergezeld van koorknapen. Het is een waarlijk indrukwekkend oogenblik, als in deze beeltenis de Koningin des Hemels die brave menschen, die juichende en biddende menigte van verre gekomen, vriendelijk verwelkomt. En, als om dien welkomsgroet te beantwoorden, klinkt op datzelde oogenblik uit aller mond het loflied haar ter eere: Salve Regina of het lied met het gekende refrein: Ave, ave, ave Maria.
    Met het mirakuleuze beeld in hun midden, vervolgt de processie met plechtstatigen jubelzang haren weg naar de Kapel, waar het geëerde beeldje wederom op zijn troon geplaatst wordt.
    In de Kapel gekomen, wordt er aanstonds een korte predikatie of toespraak gehouden, om de godsvrucht en het vertrouwen der pelgrims op Maria te verlevendigen of hen te herinneren aan het doel der bedevaart, opdat zij zich zoo stichtend mogelijk gedragen.
    Men beijvert zich, indien dit niet reeds gebeurd is, het H. Sacrament van boetvaardigheid te ontvangen. Ten tijde van rector Luijten, werden bij sommige gelegenheden de paters van heinde en verre ontboden. Een pater minderbroeder had er op dien dag altijd een vaste standplaats. Wij vernemen dit uit eene aanteekening van Strijbos door Gautius overgeschreven, dat Minderbroeders of Predikheeren, Carmelieten of Augustijnen een biechtstoel in de Kapel hadden. Sinds jaren kan men zich aanmelden bij de paters Capucijnen, die in hun kloosterkerk en in de Kapel biecht hooren.
    Tegen den avond lijkt de schoone kapel een hemeltje, talrijke kaarsen branden rondom den troon van Maria, en de pelgrims zingen het van ouds bekende Maria-lied: Kronyk van O. L. Vr. van Handel, om Maria te prijzen, en de machtige voorspraak in te roepen van Haar, die nooit iemand ongetroost liet henengaan.

    KRONYK VAN O.L. V. VAN HANDEL.
    TROOSTERES DER BEDRUKTEN.
    1

    Solo
    In 't oude Brabant, aan den boord
    Van drable waterplassen.
    Daar lag een woest en eenzaam oord.
    Een zandberg bij moerassen.

    Duo:
    Een hoog en edel Koningin.
    De schoonste van de vrouwen,
    Zij wilde dat m' als "Troosterin"
    Heur daar een huis zou bouwen.

    Koor:
    Die zandwoestenin, bij poel en plassen.
    Is Handel, aan de Peelmoerassen.
    Die Koningin, die koningsbouw
    Is Handel's Kerk en Lieve Vrouw.

    2

    Solo:
    De groote Koningin bemint,
    Gelijk ook God, de Koning,
    Den eenvoud van het reine kind,
    Der onschuld, ter belooning.

    Duo:
    Is 't wonder dan, dat zulk een kind,
    Toen het zijn schapen weidde,
    Het beeld der Koninginne vindt,
    In doornen, op de heide.

    Koor:
    Nog staat in Handel, bij den toren,
    Ter eigen plek, dezelfde doren;
    Uw beeld, Maria, stond daar in,
    Want Gij, Gij waart die Koningin.



    Solo:
    Dra ging de mare door het land,
    Hoe in deez' dorre heide,
    Een Koningin, met milde hand,
    Haar zegeningen spreidde.

    Duo:
    De „Duitsche Ridders", vroom van aard
    Alzoo de archief-berichten,
    Besloten dan,
    Maria waard,
    Hier een kapel te stichten.

    Koor:
    Maar toen zag men een strijd ontbranden
    Want 't vrome volk ook dezer landen
    Zij eischten deel in 't schoone werk:
    Den opbouw van Maria's Kerk.



    Solo.
    Vol vreugde zag de Koningin
    Die edle geestdrift blaken,
    En volk èn ridder naar 't begin
    Van 't vrome bouwwerk haken.

    Duo:
    Een bron, die door haar wondermacht,
    Aan 's stoffig zand ontwelde.
    Was 't loon der vaad'ren deugd gebracht,
    Naar ons de voortijd meldde.

    Koor:
    Nog blijft die bron haar waat'ren schenken
    De zieken ter genezing drenken;
    De bron, door d'ouden doorn beschut;
    't Is „Onze Lieve Vrouwe Put" !



    Solo:
    Verzekerd van Maria's hulp,
    Kon 't vrome werk niet falen;
    Dus zag men, tusschen hut en stulp,
    Dra de Kapelle pralen. \

    Duo:
    Steeds nieuwe gunsten had de faam
    Steeds grooter te verkonden;
    Op aller lippen lag de naam,
    De roem in aller monden:
    Koor:
    Van Haar, die viermaal honderd jaren,
    Door immer drukker pelgrimsscharen
    Vereerd werd als de „Troosterin".
    Maria, Handel's Koningin.



    Solo:
    Maar achl die schoone tijd verdween,
    Daar kwamen droeve dagen.
    Ook over Handel gierden heen
    Der stormen woeste vlagen.

    Duo:
    Wel werd het beeld der Lieve Vrouw
    Door vrome hand beveiligd;
    Maar achl haar luister keerde in rouw,
    Haar kerke werd ontheiligd.

    Koor:
    Die storm, zijn de Hervormings tijden,
    En al wat toen Gods Kerk moest lijden.
    Gij, Gemert, zijt de veilge grond.
    Waar 't Wonderbeeld een schuilplaats vond.



    Solo:
    Doch, als op Gallilea's meer.
    Deed God den storm bedaren
    Maria keerde in Handel weer,
    Na tweemaal zeven Jaren.

    Duo:
    En dra had weer de faam alom
    Haar gunsten te verhalen.
    De roem van Handels Heiligdom
    Weerklonk in alle talen.

    Koor:
    De ex-voto's die haar beeld omringen,
    Getuigen van de zegeningen
    Der Koningin; zij zijn de tolk
    Der dankbaarheid van 't vrome volk.



    Solo:
    Sinds ging tr weer een eeuwenpaar
    In 't graf der Jaren zinken;
    Maar Handel's Kerke, ziet ze daar
    In nieuwen luister blinken.

    Duo:
    Een man, schoon niet van ad'lijk bloed.
    Toch edel als een koning.
    Een priester, ridder van gemoed,
    Schonk zijner Vrouw deez woning.

    Koor:
    Verbiedt bescheidenheid te noemen,
    Dien priester, wat wij luide roemen,
    Is 't christenvolk, dat weer om strijd,
    Zijn offers bracht als vroeger tijd.

    9

    Solo:
    En nu, dank nu, o pelgrimsschaar.
    De groote Koninginne;
    Want zeg mij, vondt ook gij in Haar,
    Niet steeds een „Troosterinne"?

    Duo:
    Ja, was niet Handel's Lieve Vrouw,
    Nu zesmaal honderd Jaren,
    Uw hoop in ziekte, troost in rouw.
    Uw toevlucht in gevaren?

    Koor: 
    Maria, ja, ten allen tijde, 
    Wij, pelgrims, wij getuigen 't blijde 
    Waart Gi) voor ons een „Troosterin", 
    Een liefdevolle Koningin.

    10 

    Solo: 
    Ontvang dan onzen hartedank,
    Maria, wees geprezen,
    Voor al die goedheid,' eeuwenlang,
    In Handel, ons bewezen.

    Duo:
    Den dank van hen, die voor uw troon,
    Een balsem voor hun wonden,
    Van hen, die als verloren zoon,
    Hun God hier wedervonden.

    Koor:
    En hoor, Maria, hoor onz' beden:
    Blijf Gij onz'hulpe als 't verleden:
    Dan zweren wij ook eeuwig trouw
    Onz'Koningin, onz'Lieve Vrouw.

    W. K.pr.

    Imprimatur:
    HAAREN, 7 Maji 1897. L. BERKVENS, Libror. Cens..

    Zoo wisselden gebeden en liederen zich af tot laat in den avond, wanneer men zich ter ruste begeeft.
    In de herbergen wordt door de zorg der geestelijken, de waakzaamheid der processiemeesters en der inwoners de beste orde gehandhaafd.
    Reeds bij het vroege morgenuur bewegen zich de pelgrims weer op straat om zich naar Maria's beeltenis te begeven, in de kapel de H. Mis bij te wonen en op waardige wijze zich voor te bereiden tot de H. Communie; om in hunne reine harten den Godmensch te ontvangen, dien de Allerzuiverste Maagd in haren schoot gedragen heeft.
    Op een later uur wordt onder de plechtige Hoogmis in eene predicatie de lof van Maria verkondigd.
    Sinds de kruiswegstatiën op het rozenkransterrein zijn opgericht, volgen de pelgrims gezamenlijk den kruisweg, al biddende en zingende, om naast Maria ook het bitter lijden van haar Zoon te eeren. Indrukwekkend is dan de aanblik, wanneer, om het groot getal pelgrims, personen in groepen van ongeveer tweehonderd menschen, begeleid door een priester, dezen kruisweg op zeer devote wijze verrichten.
    Met geheel bijzonderen luister wordt de groote processie gehouden. Dan heeft iedere plaats hare schoonste sieraden medegebracht om het in triomf mee te dragen op het gesierde terrein. Daar schalt de muziek en uit aller monden klinkt een Marialied en juichend wordt het Wonder-beeldje op een troon geplaatsten gedragen door maagdekens der Bedevaart. Met hun Koningin schrijden zij voort en de Ave's klinken als jubeltoonen over de blijde akkers van het eenige Handel.
    Wij kunnen niet elke processie of bedevaart afzonderlijk beschrijven, Doch over eene processie moeten we toch uitvoeriger spreken, de ommegang namelijk van Handel zelve.

    't Is Mei
    De Lente-bloesemknop breekt blank en geurend open.
    De dageraad stroomt uit in licht, 't Azuur ontgloeit.
    De schepping voelt hernieuwd, dat leven haar doorvloeit.
    O Wondermaagd, uw glans verblijdt ons smachtend hopen
    (J.A. de Rijk, Pr.)

    In deze maand beginnen de processiën op Handel. Doch de bewoners van die plaats openen. Dat is hun geestelijke Mei. De dageraad stroomt uit in licht. Zie daar komen ze: mannen en vrouwen met hunne kinderen in hun beste kleederen. De kleinen als lieve witte, levende engeltjes. Uit de heide komen ze over de slingerpaden, of uit het pad dat de zandheuvels doorsnijdt, of ginds als uit de dennenbosschen waarachter hunne haarsteden liggen of uit Handel zelf wiens huizen een halve cirkel vormen rond de kapel als verdedigers van het heiligdom.
    Na het Lof stelt zich de stoet op. Handels fanfare geeft het teeken. Voorop gaat de rector met de staf en leidt de bewoners over het feestterrein, al de paters en broeders van het plaatselijk Kapucijnenklooster trekken mede en zingen en bidden met de bewoners Jesus en Maria ter eere. Zóó naderen wij de Sacramentskapel. Daar plaatst de pater geassisteerd door twee Kapucijnen het Allerheiligste op den expositie-troon.
    Nu zwijgt alles.... Een indrukwekkende plechtigheid breekt aan. De priester stijgt op het altaar en keert zich bezijde het Allerheiligste naar het volk van Handel, dat daar op het plein met zijn rector ligt neergeknield.
    „Geloofd, aangebeden en gedankt zij Jezus in alle eeuwigheidl" klinkt het uit den mond van den priester  en allen antwoorden :
    „Geloofd, aangebeden en gedankt zij Jezus in alle eeuwigheid !”
    Dan zegt de priester: Zie ons hier in het stof neergeknield, o Jezus, ons Geloof, onze Hoop, onze Liefde.
    Allen zeggen: Geloofd enz.
    Pr.: Jezus, wij aanbidden U; Gij zijt onze God.... Jezus, wij vragen U vergiffenis; wij hebben U beleedigd door onze zonden.... Jezus, wij smeeken U om hulp; wij kunnen uit ons zeiven niets....
    Allen: Geloofd, enz.
    Pr.: Jezus, Gij zijt onze Vader, onze Vriend, onze Geneesheer, onze Herder, onze Troost, onze Steun, ons Alles, onze God!
    Allen: Geloofd, enz.
    Pr.: Jezus, wij danken U voor de gunsten ons door Uwe Moeder gegeven. Wij loven U, wij prijzen U, dat Gij deze plaats als genadeoord van Handel, ter eere Uwer Moeder voor ons hebt uitverkoren.
    Allen: Geloofd, enz.
    Pr.: Jezus, door Onze Lieve Vrouw van Handel geven wij ons opnieuw aan U. Bescherm onze woonplaats, onze ouders, onze kinderen, onze huizen, onze bezittingen. Wij behooren U toe.
    Allen : Geloofd, enz.
    Pr.: O Jezus, wij beloven U trouw. Wij nemen ons vast voor het geloof van onze voorvaderen ongeschonden te belijden en daarnaar getrouw te leven.
    Daarom bidden wij één van geloof, één van hoop en één van liefde.
    Allen: Geloofd, aangebeden en gedankt zij Jezus in alle eeuwigheid.....
    Dat is immer een verheven oogenblik. Wanneer die indrukwekkende woorden door de bewoners van Handel zijn uitgesproken, treedt een diepe stilte in de menigte en allen liggen stil in overweging voor Jezus in zijn Sacrament*
    Nu zingen allen het „Tantum ergo”, en als de zilveren bel het teeken geeft van Jezus zegening liggen allen in diepe buiging voor Hem, die zich voor ons zoo diep vernederd heeft.
    In dezelfde stichting leggen de bewoners den processieweg af en trekken langs de andere zijde de kapel binnen.
    Zoo bidden de Handelschen en meermalen gedurende de blijde Mei op deze plek, waar hunne voorvaderen zongen:

    Komt met Kruys en Vaendel
    Menschen kleyn en groot
    Vlijtig komt naar Haendel
    Soeckt hulp in den noodt!
    Want hier is een Belt van Jesus u gestelt
    Dat u helpen kan en stelpe wat u quelt.

    ‘t Is of we dan Handel zelf hooren jubelen met de woorden uit Handels Vreughde-Liedt, over het geluck bekomen door het Beeldt van Maria:

    Ik verheug mij Handel seer
    Ik schep Handel groot vermaken
    Tot de vreugt doet mij ontwaken
    Jesus mijnen soeten Heer
    Jesus doet mij Handel leven
    Door een Beeldt, dat krachtig is
    Hij heeft mij een Beeldt gegeven
    Dat aan mij seer machtigh is
    Door dit Beeldt wort ik verciert
    Want dit Beeldt doet tot mij komen
    Alle menschen die vernomen
    Hebben, wie hier wort geviert.
    Vóór dit Beeldt was ik verlaten
    Vóór dit Beeldt lag ik veracht
    Nu trekt dit Beeldt alle Staten
    Door dit Beeldt word' ik geacht....

    De Rectoren van Handel.
    VII

    GROOT was ten allen tijde de werkzame liefde, waarmede de priesters der Duitsche orde en hare Kommandeurs voor O. L. Vrouw van Handel ijverden. Wanneer wij hier hunne daden beschrijven, zullen wij vanzelf ons aangespoord voelen om der Koningin van hemel en aarde onze werkdadige hulde te betuigen.
    Oudtijds was er op Handel geen sprake van een eigenlijk rectoraat, gelijk dat heden ten dage is. De Duitsche orde, wier hoofdhuis Aldenbiezen was, stelde een priester aan en kon dien naar goedvinden ook wederom ontslaan. Dit zegt ons Strijbos. Doch ook uit de aanstellingsbrieven blijkt het, dat er tot in de 17e eeuw nog geen eigenlijk rectoraat bestond. Het was een officium en de bediening der kapel werd door de orde niet aan een bisschop voorgesteld, noch door een aartsdiaken ingeleid, doch de rector werd benoemd door den landkommandeur van Aldenbiezen. Deze toestand bleef duren tot 1605. Of vóór dien tijd de rector of een ander priester te Handel woonde, blijkt niet.
    Zeker is het, dat omtrent 1630 slechts twee H. H. Missen moesten gelezen worden, en de rijke kerkornamenten konden door den koster of den kapelmeester bewaard worden, zooals ook elders geschiedde. Zeer waarschijnlijk woonde de rector tot omtrent het jaar 1626 of tot de aanstelling van Moraeus te Gemert (A. v. d. Elsen handschrift).
    Gerardus Meeuws van Sulre was de eerste officiant of rector van de kapel van Handel. Tenminste is hij de eerste rector die als zoodanig bekend is. Hij was pastoor te Gemert, toen hij omtrent 1460, onder het bestuur van den Landkommandeur Mathias v. d. Straten, afstand deed van het pastoraat van Gemert, om de  bediening van rector der Handelsche Kapel waar te nemen. (Kerkregister van Gautius, fol. 23).
    Jasper Moers verdedigde „als rectoir der capellen op Haendel” eene pacht  derzelve tegen Adriaan Goossens, in den tijd dat Goort Muijen, die in 1548 overleed, te Gemert Secretaris was.
    Rector Jan Dirx overleed in 1585. Hij wordt reeds genoemd in een scepenbrief van Gemert 19 Febr. 1561. Na zijn dood had de kapel, zooals we beschreven hebben, veel te lijden van de troepen van Schenk. Hij werd opgevolgd door Willem Coelmont, onder wiens rectoraat een schitterend wonder op Handel plaats greep zooals we later bij demirakelen zullen vernemen. Tijdens zijn rectoraat werd de kapel in 1599 door het woeste soldatenvolk ontheiligd, zooals we uitvoerig reeds hebben beschreven. Hij stierf 15 Juli 1606.
    Heer Albert Strijbos bediende de kapel onder Willem Coelmont van 1585 tot 1588, toen hij, als lid der Duitsche Orde naar Aldenbiezen werd geroepen en den dienst tot 1599 overliet aan den deservitor van het O. L. V. altaar te Gemert: Maximiliaan van Beek, die van 1590 tot 1595 deservitor was van het Lieve Vrouwe altaar te Gemert en in 1598 kapelaan aldaar. Van Beek ontving voor zijn dienstwaarneming op Handel jaarlijks tien gulden. Strijbos werd in 1590 pastoor van Gemert. Hij behield echter het beheer der kapelgoederen tot 1599, toen hij het aan heer Jan Hanssen Scheffner overgaf, zooals hij zelf aanteekent: „dits mijn leste jaer darna sal heer Jan Hanssen Scheffner desen ende alle volgende renten beuren.”
    Tot 1606 bleef Willem Coelmont rector. Onder zijn rectoraat werd wel de kapel bediend door Albert Strijbosch, Maximiliaan van Beek en Jan Hanssen Scheffner, maar Coelmont was de eigenlijke rector, gelijk blijkt uit den aanhef van Strijbos' register „Register van de Capelle Haendel gescreven dur mij Heer Strijbos, Duyts Ordens, als inservitor derselver van wegen Heren Willemen Coelmont, rectoris ejusdem (rector van dezelfde Kapel), vuyt Heren Jan Dircx’ quondam rectoris dictae capellae: weleer rector van genoemde kapel, register, gescreven anno 1585, in festo Joannis Baptistae (op het feest van Joannes den Dooper), als ic die capel begost te bedreven; ende het jar 85 compt ons half toe.44
    In 1606 werd tot rector'benoemd Arnoldus Thomassen van Gemert. Hij was seculier priester en sinds 1598 officiant van het O. L. Vr. altaar te Gemert. Zijne benoeming werd 29 Nov. 1606 door den Landkommandeur onderteekend Deze geeft hem de macht om de renten te innen en deze tegelijk met de vrijwillige offers, tot eer van God, tot onderhoud van de kapel en tot eigen nooddruft aan te wenden. — Den 6 Dec. daaropvolgende verklaarde gemelde Arnoldus, dat hij den dienst aanvaardt, de rechten en inkomsten der kapel zal handhaven, voor de kapel en hare sieraden zal zorg dragen en binnen een jaar een staat van alle inkomsten en bezittingen der kapel zal inleveren.
    Ook onder hem geschiedde wederom een mirakel, zooals hierna te lezen staat.
    Tot zijn opvolger werd in Juni 1627 aangesteld: Wilhelmus Moraeus, wederom een priester der Duitsche Orde. Moraeus was een ijverige bevorderaar van de vereering van O. L. Vrouw van Handel, hetgeen genoegzaam blijkt uit belangrijke bescheiden, welke hij in 1629 aan Wichmans zond. Hij wist te bewerken dat drie mirakelen door bisschop Ophovius werden goedgekeurd. Moeite noch arbeid spaarde hij om de geloovigen uit de verre omgeving tot vertrouwen op Maria's macht op te wekken en hare feestdagen in de kapel te Handel onder grooten toeloop zoo luisterrijk mogelijk te vieren.
    In 1648 moest de rector, door de Hervormden gedwongen, zijn heiligdom, de „Capelle van Hbendel" verlaten en de afvallige Kommandeur van Hoensbroek „heeft die Geusen overal ingeplant". Moraeus werd pastoor te Bakel. De treurige toestand voor Handel duurde tot 1648.
    De eeredienst der geloovigen tot O. L. Vr. van Handel, was in dien tijd eenigszins verflauwd. Ze konden niet meer naar Handel trekken. Dan met de benoeming van een nieuwen rector in 1662 begon de oude geest te herleven.
    Deze rector was: Joannes Aldenhuijzen, geboren te Gemert. Kort na de heropening aanvaarde hij het rectoraat. In 1662 was hij reeds te Gemert en wordt tot 1683 in de registers van Gemert zeer dikwijls vernoemd.
    Als vurige vereerder van Maria trachtte hij zijn voorganger in het rectoraat in ijver en liefde voor haar te evenaren. Hij ijverde voor den dienst van O. L. Vrouw, en zorgde dat de goederen der kapel verbeterd en vermeerderd werden. Daarom gaf de Duitsche Orde waartoe hij behoorde, hem in 1688 vergunning om uit de goederen der kapel ten eeuwige dage vier H. H. Missen te stichten voor de rust zijner ziel. Ook mocht hij een kapitaal van 200 gulden, dat hij op het latere rectoraal huis (het zwarte kruis dat voor eenige jaren is gesloopt) gezet had, besteden tot stichting van eene altijddurende maandelijksche Mis voor hetzelfde doel.
    Tot de schatten welke de kapel nu nog bezit, behoort eene kelk, waarop de naam van J. Aldenhuijzen staat gegrifd.
    Rector Aldenhuijzen, zegt P. v. d. Elsen, schijnt de eerste geweest te zijn, die zijne woonplaats te Handel vestigde. In 1683 kocht hij van de nonnen van Soeterbeek een erf voor 700 gl. hetwelk later de principaele kuysplaetse genoemt  wordt.
    De notulen van het kapittel der Duitsche Orde, den 18en Oct 1688 gehouden getuigen van den ijver welke de rector aan den dag legde. Heer Johan Aldenhuijzen. zoo luiden zij, heeft door een ingezonden memoraal getoond, met welke groote moeite, zorg en arbeid bij genoemde kapel in den goeden staat gebracht heeft, waarin zij zich thans bevindt en hij vraagt: le dat de daartoe verworven goederen en renten eeuwig met de kapel worden vereenigd; 2e van alle lasten en tienden mogen bevrijd blijven, 3e dat zijne opvolgers zullen verplicht worden alle jaren vier H. H. Missen, n.l. alle drie maanden ééne tot troost van zijne ziel en van alle andere weldoeners te lezen, en 4e dat de schenking van de nieuw gebouwde hoeve door Virmundt bekrachtigd worde, waarvoor jaarlijks ééne H. Mis moest gezongen worden. — Niet slechts werd de begeerde bekrachtiging, maar ook de gemelde vereeniging, de vrijheid van lasten en tienden en de verplichting ingewilligd.
    Rector Aldenhuijzen mocht het voorrecht smaken in 1669 een wonderbare genezing op te teekenen.
    In het doodenregister van Gemert staat den 22en Nov. 1695 vermeld: R. D. Joannes Aldenhuyzen, pastoor te Geldrop en rector te Handel, Hersteller der devotie aldaar en die den grondslag heeft gelegd van een nieuw priesterkoor, stierf 18 dezer, na door een beroerte te zijn getroffen.
    Hij werd den 22en Nov. begraven waarschijnlijk in de kapel van Handel, wijl ook zijn broeder Willem, 28 jaar later aldaar is bijgezet.
    Omtrent dien tijd wordt melding gemaakt van een kapelaan te Handel. De eerste, dien wij kennen, is Rolandus of Rudolfus Sterken die in 1696, 1697 en 1702 bepaald kapelaan van Handel genoemd wordt. In 1711 werd hij pastóor van Steensel. Tn 1693 en 1695 wordt als medehelper van den rector genoemd Joannes Baptista van den Heuvel, die in 1682 en 1686 kapelaan was te Erp, en reeds in 1687 te Gemert voorkomt. Hij overleed den 8en Febr. 1714 in den ouderdom van 74 jaren, toen hij 46 jaar priester was. Ook was nog kapelaan te Handel, aldus Schutjes, in 1718 Jacobus Hendriks Hezelaers, pastoor van Deventer 1737 in welk jaar hij overleed.
    De kapelaans van Handel behoorden echter niet tot de Duitsche Ridderorde.
    Tot Aldenhuysen's opvolger werd benoemd een ander priester der Duitsche Orde: Erardus Cillis van Sepperen. Te voren was hij rentmeester der Kommanderie van Gemert. Als blijk van zijn ijver voor de godshuizen herbouwde hij de kapel van Espdonk, thans Esdonk. !) Van zijn aanstelling bestaan twee akten. De eerste is van 15 December 1695 en behelst zijne presentatie aan den Vicarius Generaal M. Steyaart. De Landkommandeur vraagt hem, dat hij gemelden heer Cillis tot rector aanstelt en jurisdictie verleent, omdat de kapel vooral op de feestdagen van O.L. Vrouw door een grooten toeloop van geloovigen bezocht wordt. In de tweede akte van denzelfden datum legt de nieuwe rector dezelfde beloften af als zijn voorganger Moraeus en hij voegt er bij, dat hij tegenover iedereen bescheiden en vreedzaam zal zijn en bij anderen vrede en eenheid zal stichten, geene schulden zal maken enz. In 1698 werd hij tevens pastoor van Geldrop, van het jaar 1700 tot 1702 leerde hij de rhetorica aan de latijnsche school te Gemert en. in 1703 werd hij president van het Duitsche college te Leuven. Ofschoon hij dus dikwijls elders vertoefde, heeft hij toch voor de kapel van Handel niet weinig verdiensten. „Het is te beklagen", schrijft N. Verbeeck, dat door de groote en swaere oorloogen en verwoestinghen deeser landen, veele blijcken en schriften of verbrandt of verlooren sijn gegaen, uijt de welcke men meerder en andere geschiedenissen op Haendel soude hebben konnen vinden, Ondertusschen wordt noch neerstelijcke vlijdt en sorge aengewendt, door den eerweerdigen Heer Erardus Cillis, Rector der Capelle van Haendel op deesen tijdt; om noch eenige Miraeckelen of zelsaeme geneesingen van den Hoogweerdigen Heer Vicarius Apostolicus van 's-Hertogenbosch, te laeten approbeeren en goet te keuren voor waerachtighe Miraeckelen,”
    Nauwelijks was het koor der kapel, waarvan de eerste steen onder rector Aldenhuyzen was gelegd, voltooid, toen op 16Sept. 1709 een groote brand uitbrak. Het dak van het koor en de woning des rectors werden in asch gelegd. „Handel", zoo meldt ons Gautius „is in 't jaar 1709 op Gemerts mercktdagh in September afgebrandt. Op dien dagh branden het huijs van den rector met de meubelen en schriften en documenten ende het dack van den choor, die korts van te vooren soo heerlijck was vergroot door de milddadigheid van den Landkommandeur van Wassenaer. Mits het choor overwelft was, soo is den altaèr ende dat onder in choor was gesalveert. Ook het schip van de kapel en de toren zijn niet verbrand". Onherstelbaar was echter het verlies van alle oude geschriften en bescheiden, die in de woning des rectors bewaard werden. Ze werden een prooi der vlammen, zoodat er geen stukje papier „hetwelk men om zijnen vinger mochte wenden is overgebleven."
    Met veel ijver werd de schade hersteld door den Zeereerw. rector E. Cillis. Ook de toenmalige Landkommandeur D. H. van Schoenborn, Bisschop van Spiers, later Kardinaal en sinds 1709 aan het hoofd der Orde geplaatst stond den rector daarin bij als blijkt uit het drievoudig wapen, dat boven den zuidelijken zijingang van het schip der kapel, in het jaar 1710 of 1711 geplaatst is. Vooral echter blijkt uit de zeer merkwaardige memorie door rector Cillis opgesteld, hoezeer de schade werd vergoed. Deze brief dateert van 1709 den 14 Dec. Hij geeft daarin een beschrijving van den toestand en de inkomsten en uitgaven der kapel.
    De inkomsten zijn: f 75 voor huur van een huis, f 60 van een ander huis, f 50 van een derde, waarvan de reperatiën en andere lasten moeten afgetrokken worden, f 30 uit het huis dat de rector bebouwt, verder eenige renten en pachten.
    Uitgaven zijn: lasten van de principaele huysplaatse aen die Nonnen van Soeterbeek 's jaers f 35 — nog voor Interest van f 500 aan de brouwerij besteed, 35 gl. Voorts zouden ter week vier Missen moeten gelezen worden, maar omdat in den geusentijd een kapitaal van f 700, waarin twee Missen bestonden is verloren, heeft de Vic. Gen. van twee Missen ontslagen. Verder alle Zon- en Heiligdagen een Mis, item vier jaargetijden — 20 Missen jaarlijks —' vier Missen jaarlijks voor mijn voorzaat — en nog alle maanden een Mis.
    De offers worden besteed als volgt: Aan de Paters Minderbroeders van Venray voor vier paters op drie principale feestdagen en voor twee paters voor drie mindere feestdagen én twee octaven 40 gl. Aan de paters van Megen voor twee paters voor zes feestdagen en twee octaven 20 gl. — Aan de Paters van Boxmeer voor zes feestdagen en twee octaven 20 gl. Voor twee paters van Velp (Minderbroeders-Kapucijnen) drie feestdagen 10 gl. — Voor de Dominicanen drie feestdagen eenen pater 5 gl. Vervolgens nog een pitantie of versnapering aan die Conventen. Bovendien moet tafel en bed worden verschaft aan genoemde paters en zooveel naburige priesters als men verkrijgen kan, zoodat er soms 18, soms 20, ja 27 biechtvaders zijn. Deze blijven met Pinksteren gewoonlijk vier dagen, met O. L. V. Hemelvaart en Geboorte negen dagen, 8 Dec., 2 Febr. en 2 Juli drie dagen. Eindelijk wordt aan alle pastoors, die met processiën komen, met hunne kapelaans, kosters, zangers en kerkmeesters eten en drinken gegeven, zoodat er op sommige dagen 50 à 60 aan tafel zijn. Evenzoo op alle Zaterdagen door het jaar en de meeste heiligdagen in den zomer moet men vier of vijf vreemde priesters, die hier assisteeren, kost en drank geven, zoodat in sommige jaren alleen voor provisie van gerst 335 vat is noodig geweest.
    In het jaar 1698 toen er wegens den miswas groote duurte heerschte heeft rector Cillis 700 gulden moeten toegeven en een soortgelijke reden zal de oorzaak zijn, dat er bij den dood van Aldenhuyzen „een man van reputatie en bijzondere huishoudkunde" na afdoening van schulden een tekort was van f 500.
    De rector had vier boerderijen. De „Vermuntse hoeve", het. rectoraal huis of Zwart Kruis, (thans afgebroken) een hoefke aan de Veerhey en de Grootmeester, waarvan eene, die hij-zelf bebouwde, behalve schuur en stal, een bakkerij en brouwerij bezat. In het jaar 1734 werd door zekeren Aldenhuyzen bij de kapel een nieuw huis gebouwd, om de pelgrims te herbergen, want dezen waren dikwijls genoodzaakt onder den blauwen hemel te slapen.
    Den 19en Maart 1718 volgde Bartholomaeus Luyten rector Cillis op, zooals uit het zielenboek blijkt.
    In de akte van zijne aanstelling door Kardinaal Von Schoenborn onderteekend den 12en Maart 1718, lezen wij, dat Cillis tot pastoor benoemd is van Ordingen en dat in zijne plaats als voorloopig rector wordt benoemd de priester der Duitsche Orde B. Luyten. Uit de archieven blijkt met welk een gestrengheid de kardinaal bij zijne visitatiën in 1715 en 1731 te werk ging. De rector moest de archieven enz. van Handel overnemen, een dagboek aanleggen, een nauwkeurig verslag inzenden, hoe hij alles heeft bevonden en hoe hij het wil inrichten. Als dat geschied is, zal hij voor goed tot rector benoemd worden.
    Rector Luijten kweet zich zoo goed van zijne taak, dat hij den 23 Maart reeds aan zijn overste den toestand der kapel beschreef en de Kardinaal den 13en April 1718 zijne presentatie te Marburg teekende. Op de presentatie schijnt echter geen institutie gevolgd te zijn, en dit schijnt de reden, waarom zijn opvolger zonder presentatie evenals oudtijds door den Landkommandeur werd aangesteld.
    Laten wij eerst den nieuwen rector Bartholomaeus Luyten groeten met de eere waarmede bekende en geleerde mannen hem bekleeden.
    „Onder het 36-jarig bestuur van den Eerw. Heer Luyten bereikte de bedevaart het toppunt van haren bloei.” V. d. Elsen, Handboekje der Bedevaart 3 uitg. blz. 83.

    „Eere aan dezen ijverigen priester, die niets onbeproefd liet, om het getal Mariavereerders te Handel te doen stijgen". Schutjes, Geschiedenis v. h. Bisdom 9s~Bosch. DIV. blz. 21.
    „’t Is waarlijk treffend te zien, hoe deze edele man van den dag zijner aankomst voor dit verheven doel (bedevaarten) niets gespaard heeft. J. Kronenburg Maria s Heerlijkheid in Nederland D. 6, blz. 142.t
    Met onvermoeiden ijver werkte hij aan het onderzoek betreffende de zekerheid der vele mirakelen, die er destijds geschiedden. Alles verzamelde hij, wat maar eenigzins kon bijdragen om den luister, welke het wonderbeeldje van Handel omstraalde, te vergrooten. Geen moeite ontzag hij zich om geldelijken steun te verkrijgen en de goederen der kapel uit te breiden, om aldus tot de vergrooting van het heiligdom te kunnen overgaan en meer luister te kunnen bijzetten ter viering der feestdagen van Maria en ter verhooging van den luister bij de processiën. Talrijk waren de weldoeners, die hij aangeworven had en wier namen hij vol dankbaarheid in het zielboek der kapel heeft aangeteekend.
    Vervolgens, zoo verhaalt P. Kronenburg, begon rector Luyten alles in te spannen om de processies, die vroeger hierheen trokken, maar door den druk der protestanten belemmerd waren, te doen herleven. Waar hij kon vermoeden, dat eenig kerkelijk feest vele geestelijken bijeenbracht, daar ging hij henen om hen daartoe aan te sporen, ja zelfs zag hij er niet tegen op eene reis van drie, vier dagen op eene kar te ondernemen om tot zijn doel te geraken. Eene enkele bladzijde uit zijn dagboek moge hier, in wat nieuwer taal, volgen. Zij toont den Mariaminnenden priester in al de bedrijvigheid van zijn lofwaardig streven; vooral wanneer men er bij in 't oog houdt, dat zulke reizen dikwijls door hem herhaald werden. „Den 7en October", zoo teekent hij op in zijn Journal voor de Capelle van Onze Lieve Vrouw tot Handel; handschrift van Bartholomeus Luyten, gedurende die jaren Rector van Handel, „ben ik 's morgens vroeg vertrokken op Boekel om met den Heer Pastoor dier plaats eene reis aan te vangen naar Nijmegen en in het voorbijgaan de Heeren Pastoors te bezoeken. Wij zijn dan geweest op Zelant bij den Heer Pastoor, daarna op den Reeck bij den Heer Pastoor, vandaar bij den Heer Pastoor Ruys van Huisseling en op Langel; vandaar zijn wij gekomen te Ravestein bij de Paters Jezuïeten, die ons goed onthaalden en bij wie wij overnacht hebben; vandaar (na de Heeren Landdrossaart en Landschrijver bezocht te hebben) zijn wij vertrokken op Wychen bij den Eerw. P. Duyckers, minderbroeder en pastoor dier plaats, die ons alle beleefdheid betoond heeft; vandaar zijn wij vertrokken op Nijmegen, alwaar wij twee dagen hebben gelogeerd en de Paters Missionarissen bezocht hebben, aan welke wij de kapel van Handel hebben gerecommandeerd, ten einde zij bij hunne parochianen zouden bewerken deze met hen te komen bezoeken. Van Nijmegen zijn wij vertrokken op Neerbosch, waar Paters Predikheeren in bediening zijn, welke nu sedert eenige jaren met hunne processiën naar Uden trekken; deze hebben wij bezocht, opdat zij weder naar Handel zouden trekken; vandaar zijn wij getrokken naar de stad Grave, bij den Z. E. P. Columbanus, pastoor dier plaats; vanwaar wij getrokken zijn naar Velp bij de Paters Capucijnen, alwaar 's anderen daags  ‘s morgens ook de drie missionarissen van Grave kwamen; na het eten recommandeerden wij hun de kapel van Handel en zijn toen weer naar huis gekeerd.”(1)
    Dergelijke reizen heeft hij nog dikwerf in het belang zijner dierbare beeltenis ondernomen.
    En wanneer de pelgrims in grootere getale naar Handel kwamen, was het hem, zooals we in het Journal lezen, nooit te veel, wanneer hij eerst om middernacht ter ruste was gegaan, reeds om half twee op te staan, te preeken voor de pelgrims en verder biecht te hooren tot laat in den middag, nadat hij ook reeds den vorigen dag schier voortdurend met dit werk des heils was bezig geweest.
    Rector B. Luyten had eenen medehelper in den Eerw. Pater Jan van Litzveld, die in 1717 en 1718 aan de Latijnsche school te Gemert een studiebeurs trok. In 1731 en 1743 wordt hij assistent van Handel genoemd, waar hij ook den 11 Mei 1754 overleed. Omtrent 1730 werd door M. Donkers een huis te Gemert, genaamd het Keyzersbosch of de Poort aan de kapel gegegeven om aan Handel een bestendigen kapelaan te verbinden, met den last van een wekelijksche Mis door hem te lezen en jaarlijks een malder (mud, een duitsch korenmaat) rogge aan de armen uit te deelen.
    Antonius Cuypers, die van 1714 tot 1717 studeerde, was in 1731 kapelaan te Handel en werd later pastoor van Dommelen (1747-1772).
    Ook vond de Rector zeer veel hulp en steun in de Eerw. Broeders, die zich sinds het jaar 1694 te Handel hadden gevestigd, zooals we reeds breedvoeriger hebben medegedeeld.
    De waardige rector B. Luyten stierf in het jaar 1754. De benoeming van zijn opvolger geschiedde op de wijze als voorde reformatie. Onder de voorschriften, welke de Landkommandeur aan den nieuwen rector Thomas Bressers medegaf, verdient vermelding, dat hem op het hart wordt gedrukt, de godsvrucht tot O. L. Vrouw uit alle macht te bevorderen, te verbeteren en te voltooien wat aan den bouw der kapel en aan haar inwendige

    (1) In welk jaar de rector deze reis aflegde, weten wij niet. Zl) moet echter gedaan xijn vóór 1722 daar de pastoor van Grave, de Kapucijn P, Columbanus het jaar te voren stierf (tic: De Minderbroeders-Kapucijnen en de Stad Grave. Een geschiedkundige schets door P. CyriUus Minderbroeder-Kapucijn Grave (A. v. Dieren).

    ontbreekt of onafgewerkt is achtergelaten; aan den pastoor van Gemert zijne aanstelling te overhandigen en zijne installatie te vragen. Dit stuk is geteekend door Landkommandeur L. van Steinen 8 Oct 1754. De rector werd dus zonder eenige presentatie aan den Vicaris Generaal, door den pastoor ingeleid, evenals de conrector der latijnsche School, waarvan de pastoor zelf rector was.
    Van het rectoraat van Thomas Bressers, die dertig jaren zijn ambt bekleedde, is ons weinig bekend, zegt P. v. d. Elsen. Geen enkel mirakel is in zijnen tijd opgeschreven. Geen enkel stuk kennen wij van zijne hand. Verder is van hem niets bekend, dan dat hij met de nonnen van Soeterbeek een proces voerde over het betalen van den cijns uit de principale huisplaats. Hij overleed te Handel en werd den 4en Nov. 1783 in de kapel begraven.
    Als zijn assistent wordt genoemd Ant. Vervoldeldonk in 1776.
    Opvolger in het rectoraat was Franciscus de Walef, die den 19 Nov. 1784 werd aangesteld en den 26 April in het klooster te Maastricht overleed. Zijne aanstelling geschiedde op dezelfde wijze als die van zijn voorganger. In zijne instructie, door Reischach te Aldenbiezen geteekend, vinden wij alleen deze nieuwe bijzonderheid, dat de rector te Handel geen pastoreele bedieningen, noch zelf, noch door zijn kapelaan, mag uitoefenen en zich daar geen pastoreele rechten mag aanmatigen, ofschoon hem, ten gerieve der inwoners van Handel en der passeerende vreemdelingen wordt toegestaan, met verlof van den pastoor, aan zieken en stervenden de H. Sacramenten toe te dienen.
    Na zijn dood werd de kapel bediend door den assistent Jacobus Pulsets in 1786, Ant. Aldenhuysen, L. Tutjffers en Robijns, conrectoren der latijnsche school. Er schijnt vóór 1792 geen nieuwe rector benoemd te zijn, en ook de stukken ontbreken van de aanstelling van Petrus Mathias Dullens die in gemeld jaar als rector optreedt. Deze was de laatste rector uit de Duitsche Orde, welke in 1809 door Napoleon werd opgeheven. Haar tijdelijke goederen kwamen aan het domein, de geestelijke rechten aan het vicariaat van  ‘s-Bosch. P. M. Dullens stief den 24 Aug. 1811. Zijn kapelaan van 1792—93, Michael van den Acker, geboortig uit Gemert, werd later pastoor van Makkum, van de hollandsche Missie.
    De opvolger van Dullens was Joannes Baptista van Tulder, een Tilburger. Hij was in 1806 assistent te Dungen en werd in hetzelfde jaar kapelaan van Gemert, deed in 1833 afstand van het rectoraat te Handel, vertrok naar Rethy en stierf te Oosterloo in België den 19en Oct. 1850.
    Na zijn dood werd tot rector benoemd: Josephus Antonius Coppens, geboren te 's-Hertogenbosch. In weerwil van zijne wankelende gezondheid heeft hij zooveel mogelijk de eeredienst van O. L. Vrouw van Handel trachten te bevorderen en tot Maria's lof medegewerkt. Door zijn toedoen werd een nieuwe troon voor het wonderbeeld opgericht, die in 1902 door een ander vervangen is. Rector Coppens was tevens ook een bekend geschiedschrijver. Hij overleed op 15 Jan. 1850.
    Jacobus de Wit van Nunen aanvaardde 3 Febr. 1850 het rectoraat Onder hem werd in 1853 het pannendak, dat sinds 1709 de kapel dekte, door een leien vervangen. In 1854 des nachts na Paaschdag werd de kapel opnieuw bestolen en het mirakuleuze beeldje van zijn gouden en zilveren sieraden beroofd. Hij overleed 4 Dec. 1883.
    Johannes van de Laarschot werd geboren te Veghel. Zwak van gestel werd hij van kapelaan te Megen, rector te Handel. Hij was een waar priester, die in eenvoud en stilte veel heeft bijgedragen tot luister der genadekapel, en veel, zoowel binnen als buiten ter harer verfraaiing heeft aangebracht. Hij getroostte zich veel moeite om, met behulp van den Weleerw. Pater Augustinus, uit het klooster te Velp, de oude stukken der Kapel te onderzoeken, vooral ook aangaande een ander Mariabeeldje, dat hij bij het aanvaarden van zijn rectoraat in de sacristie der kapel aantrof.
    Aangaande het onderzoek van den ZeerEerw. heer G. v. d. Elzen, heeft hij het volgende schrijven in het Archief der Kapel nagelaten: „Het beeldje, waarover de Zeereerw. heer G. v. d. Elzen in dezen brief schrijft,'stond, toen ik in Dec. 1883 hier kwam, in de sacristie en is door niet-deskundigen meermalen gekleurd; welke verf ik er heb laten afnemen en hetzelve doen plaatsen op het kleine altaar, aan de zuidzijde onder een stolp alwaar het zich ook thans, omhangen met een rozenkrans bevindt. Het heeft wel veel waarschijnlijkheid, dat dit beeldje is, hetgeen volgens stukken te Düsseldorf, „het beeldje in den not" genoemd wordt; doch niet, dat dit het oudste is en voorheen voor het echte gehouden werd. Dit blijkt uit het schrijven van Z. D. Hoogwaardigheid Mgr. A. Godschalk van 2 Mei 1889 en de getuigenis van den WelEerw. pater Athanasius, Capucijn, welke in het archief van Handel berusten.
    Wat verder rector van de Laarschot tot stand bracht in de eerste 30 jaren van zijn rectoraat, kan ik niet beter aanduiden, dan te copiëeren wat bij gelegenheid van zijn gouden Priesterfeest, op 17 Mei van 't jaar 1914, een onzer Dagbladen meldde:
    „'t Was heden feest in Handel: het gouden priesterfeest van den beminden rector van de Laarschot. Overal werd gevlagd. De kapel was in- en uitwendig smaakvol versierd. Tropheeën, bloemen, opschriften, alles was goed gekozen, kunstig aangevoerd en zoo tactvol gerangschikt, dat de toch reeds mooie kapel een hemeltje geleek. Voor het altaar lag het prachtige nieuwe vloerkleed, dat aller bewondering trok; een geschenk van Handel en de omgeving aan den Jubilaris. De weg van het rectoraat naar de kapel bood in zijn feestelijken tooi een waardigen doortocht aan den schitterenden stoet, die er doorheen moest trekken. Om half negen werd de Jubilaris aan huis afgehaald. Voorop in den stoet ging Handel's fanfare. Hierop volgden de collectanten, die zooveel er toe bijdroegen om het feest den noodigen luister te kunnen verleenen. Dan het eere-comité bestaande uit E. E. P. P. Kapucijnen, Vader Overste van Huize Padua e. a. Daarop volgden koorknapen en bruidjes, een lief groepje, dat met jubelende gezichtjes den beminden rector voorafging, de Zeereerw. Jubilaris met Eerw. Heeren geestelijken de feestcommissie, die zooveel eer heeft van haar werk en eene menigte belangstellenden, die den stoet sloot.
    Om 9 uur begon de plechtige Hoogmis. De Jubilaris zelf celebreerde, geassisteerd door een Eerw. pater als presbyter assistens en twee andere Eerw. paters van de Orde der Kapucijnen als subdiaken en diaken, twee oud-leerlingen van den rector. De Kapucijner pater Benedictus uit Handel geboortig, hield de feestrede. Hij sprak zijn vreugde er over uit, dat hem de eer te beurt viel een woord van hulde te mogen wijden aan een vaderlijken vriend. Hoe zeldzaam was zoo'n feest niet en hoe gelukkig dus hij, die het nog vieren mocht. De redenaar vergeleek een 50-jarig priester- jubilé met een late herfstbloem, nog pralend in vollen tooi, terwijl zoo velen reeds gevallen waren. Hij schetste het leven van den Jubilaris als eene onafgebroken en diepe vereering van het Allerheiligste Sacrament, zoo vol toewijding, vol opoffering, vol ijver, bovenal waar het gold de eer en glorie van Maria.
    Wat had de Jubilaris al niet voor zijne Lieve Vrouwe gedaan, gedurende de 30 jaren, dat hij in Handel is! De Kapel vergroot met zijbeuken, priesterkoor en toren, al de kapelletjes gebouwd langs den Handelschen weg, het terrein aangelegd rondom de Kapel en daaromheen 16 kapelletjes gebouwd. Dit alles dwingt bewondering af en stemt tot groote dankbaarheid. Na de Hoogmis werd een feestcantate gezongen. Daarna werd door een stoet van bruidjes een prachtig bouquet van bouquet bloemen aangeboden, een kostbaar geschenk voor de kerk. Daarbij werd den Jubilaris een fotografie overhandigd van een Kerststalletje, wat ZijnEerw. ook nog ten geschenke zou ontvangen.
    Ook werd de Jubilaris nog verrast met een nieuwe banier voor de Handelsche fanfare, waarvan ZijnEerw. de oprichter is.
    Op de toespraken antwoordde de rector: „Och, gij hebt te veel voor mij gedaan, maar ik ben blij, dat gij zoovele kostbare geschenken gaaft aan de Kerk tot eer en glorie van God en Maria".
    Verder werd in 1887 door de bedevaart van Tilburg een koorkap voor de processie gegeven.
    In 1898 werd de Kapel geschilderd. In 1902 werd onder leiding van Dr. Cuijpers het Lieve Vrouwebeeldje verguld, en hij plaatste onder de leiding van dezen deskundige de nieuwe rijke Maria-troon, zooals vroeger reeds gemeld werd. In 1903 werd de Kapel versierd met het nieuwe preekgestoelte, twee kunstwerken uit de vaardige hand van Lenaerts te Roermond, terwijl in 1913 de oude rector, de minder sierlijke muur vóór de kapel liet afbreken en door een passend staketsel en hek liet vervangen.
    Zoo werkte deze ouderling, wiens gestalte en levenswijze zich zoo innig aanpaste aan het eeuwen-oude Maria-oord, tot den laten avond van zijn weldoend en vruchtbaar leven.
    Uitgeput van krachten, na tijdig voorzien te zijn van de heilige Sacramenten der Stervenden stierf hij den 23 Juli van het jaar 1916.
    Door Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid Wilhelmus van de Ven werd als zijn opvolger benoemd: Jacobus Franciscus M; Duijnstee. geboren te ‘s-Gravenhage, eertijds kapelaan te Helmond. Veel heeft deze in zijn nog kort rectoraat tot stand gebracht, vooral wat betreft de verfraaiing van het processieterrein. Door milde hulp gesteund, droeg hij den jeugdigen beeldhouwer van Balgoij op het lijden des Heeren volgens de 14 statiën van den Kruisweg in beeld weer te geven, opdat bij de vereering van Maria ook het lijden van haar Zoon zou worden herdacht. Een ruim terrein werd aangelegd voor de Sacramentskapel, waar de biddende menigte neerknielt om den zegen te ontvangen.
    Als herinnering aan het zevenhonderd-jarig bestaan van het Wonderbeeldje op Handel, wil de ijvervolle rector Duynstee een grootsch monument oprichten, namelijk: De voorstelling van de bruiloft van Kanaä.
    Daardoor wordt aan de pelgrims herinnerd, dat Jezus zijn eerste wonder deed op de voorbede van Zijn H. Moeder.


    Gaarne zult gij, geachte lezers, met de geloovigen uwe offergave brengen om dat doel te verwezenlijken. Ook hierin, wij durven dit van uwe milddadigheid te verwachten, zal uwe godsvrucht, uwe liefde, uw dank blijken tot uwe lieve Moeder, de Lieve Vrouwe van Handel.

    Overleden 9 augustus 1922.
    Josefus Maria Cornelis Castelijns
    Geb. Tilburg, 29 mrt 1878
    Rector 1 september 1922
    1e pastoor 29 april 1946 ontslagen 27 september 1948
    Overleden Mierlo 17 febr 1953

    Joh’s Cornt. Brekelmans geb St. Michielsgestel
    Benoemd 8 october 1948
    *****90

     

     

     

     

     

     

    Wonderen door de voorspraak
    van O. L Vrouw van Handel geschied

    VIII

    IS de Maria-vereering rijk aan lieflijke legenden, die in den loop der eeuwen als rozen opbloeiden voor haar vereerders, om steeds meer de harten van duizenden te bekoren; niet zonder beteekenis is het, dat wij na 7 eeuwen nog O.L. Vrouw van Handel vol bekoorlijkheid voor ons zien, waar pelgrims, tot alle klassen van ons volk behoorend, met onnoemelijk vertrouwen en bekoorlijken eenvoud aan Maria's voeten neerknielen om gunsten te vragen.
    Vele wonderbare feiten harer liefde voor den mensch werpen dan ook te Handel een aantrekkelijk licht op haar historie Dit zijn de wonderen door tusschenkomst van O.L. Vr. te Handel geschied.
    Teneinde de godsvrucht van O. L. Vr. van Handel te bevorderen, gelastte de bisschop Ophovius den 6 Augustus 1627, den geleerden kanunnik van 's-Bosch, Henricus van den Leemputte, een onderzoek in te stellen naar de wonderdadige genezingen, door de voorspraak van Maria te Handel geschied. Deze geleerde en voorzichtige priester volbracht met nauwgezetheid zijn taak en stelde zijnen arbeid ter beschikking van den vermaarden schrijver Wichmans, die daarvan in zijn werk Brabantia Mariana gebruik heeft gemaakt, met de genezing van Arnoldus van Goch van 's-Bosch en van zijne zuster Angela te vermelden. Of het handschrift, door van den Leemputte aan Wichmans gezonden, nog ergens aanwezig is, blijft tot heden onbekend. En daar ook de oude schriften van het kerkarchief te Handel door oorlogsrampen en brand zijn vernietigd, kunnen wij, bijna uitsluitend, slechts die wonderbare genezingen mededeelen,, welke in later tijd door de voorspraak van Maria te Handel zijn verkregen; doch deze zijn merkwaardig genoeg, om de godsvrucht der geloovigen tot O. L. V. van Handel op te wekken.
    De feiten, die wij verhalen, zijn deels genomen uit een boekje getiteld: Hyperdulie of H. Eevedienst tot Maria, te Antwerpen uitgegeven door den priester V. Verbeek in 1700, onder goedkeuring van Hermanus Damen, docter in de godgeleerdheid en
    Libr. Cens.; deels uit het zoogenaamde Dagboek van B. Luyten, rector der kapel van Handel, en uit authentieke Akten, die in het kerkarchief aldaar berusten.
    Overeenkomstig de voorschriften van den H. Stoel verklaren wij aan het verhaal der latere wonderen geen ander dan een louter menschelijk gezag toe te kennen; zij zijn door de H. Kerk noch onderzocht, noch als echte wonderen erkend. Echter zijn ze van dien,aard, en worden zij door zulke voorzichtige en geloofwaardige personen vermeld, en meestal met een eed bekrachtigd, dat wij ons verplicht rekenen er aan te gelooven en ze tot eer van Maria en tot stichting van den lezer mede te deelen.
    1. Arnoldus van Goch van ‘s-Bosch, vier jaren oud, leed in 1603 langer dan vijf weken aan den klemmond, waardoor hem elk spijsgebruik belet werd. De geneesheeren verklaarden voor de kwaal van het kind geen hulp te weten, zoodat de dood onvermijdelijk scheen. Johanna, de tante van Arnoldus, die te Gemert woonde, doet voor haar neefje eene gelofte (6) aan God, tereere van O. L. V. te Handel, en op denzelfden dag geneest het kind. Eene belemmering in de spraak bleef nog over, doch ook deze verdween, toen men in het volgende jaar op O.L. Vr. Hemelvaart, Arnoldus in de kapel van Handel bracht en de tante zich van hare gelofte kweet. Het relaas dezer wonderdadige genezing is door den Bisschop van 's-Bosch goedgekeurd. Wichmans, Brab. Mar. bl. 408.
    2. Angela van Goch van 's-Bosch, zuster van voornoemden Arnoldus, leed in 1606 vele weken aan hevige pijnen in de rechterhand, zoodat zij geen werk kon verrichten. Ten jare 1610 genas zij door de voorspraak van O. L. V. van Handel van lamheid in de voeten. Gedurende drie weken moest zij zich bij het gaan van krukken bedienen. Deze hare genezing en die van haar broertje indachtig, belooft zij eene bedevaart ter eere van Maria naar Handel te doen, eene wassen hand te offeren en eene Mis te laten lezen. En zie! nog nauwelijks doet Angela deze gelofte, of hare hand is genezen. Ook dit mirakel is door den Bisschop bekrachtigd. Wichmans, Brab. Mar. bl., 410.
    In 1802 hing nog eene schilderij in de kapel met het onderschrift : Engelken van Gog,  genezen van krankheid in beide voeten.
    3. Eene schilderij, vroeger hangende in de kapel van Handel, wees op de genezing van zekeren Peter Davidts Sneeuwits. Deze jongeling was reeds drie jaren bedlegerig en had te vergeefs de hulp der geneesheeren ingeroepen. Zijne moeder stelde alle vertrouwen op de allerheiligste Maagd Maria, en deed de gelofte, zoolang naar Handel ter bedevaart te gaan, tot dat haar zoon zou genezen. Haar vast vertrouwen op de H. Maagd werd niet beschaamd. Peter genas en heeft het vermelde onder eede bevestigd. N. Verbeek bl. 77.
    4. Margaretha Peeters Jan Otten van Schijndel, zeven en twintig jaren oud, was reeds vele jaren blind. Vol vertrouwen op de machtige voorspraak van Maria, onderneemt zij eene bedevaart naar de kapel te Handel en krijgt den 8 September 1669, op den feestdag van O. L. V. Geboorte, het gezicht terug. Verbeek bl. 77, 78. Eene schilderij dit mirakel voorstellende is onlangs teruggevonden en in de kapel opgehangen.
    5. Het kind van Jan van de Steen, woonachtig te 's-Bosch, was zeer ellendig gebroken en leed daarenboven veel aan de stujpen. Men bracht het driejarig kind in 1669 naar de kapel te Handel, en aanstonds volgde de genezing van beide kwalen. Verbeek. bl. 78.
    In 1802 hing nog in de kapel eene schilderij van dit mirakel.
    6. Jan Hendrick Lamberts van Wanroij, omtrent vier en veertig jaren oud, kreeg in het jaar 1683 eene keelziekte, waaraan hij vreesde te sterven. Door de onvoorzichtigheid van een geneesheer geschiedde er eene aderlating onder de tong met het ongelukkig gevolg, dat de lijder de spraak verloor. Lambertus nam nu zijn toevlucht tot een beroemden dokter te Grave, met name Coebergen. Deze onderzocht nauwkeurig den mond en verklaarde, dat de sprakeloosheid onherstelbaar was. Na tevergeefs nog elders hulp voor zijne kwaal te hebben gezocht, besloot hij zijne toevlucht te nemen tot O. L. V. In het jaar 1684 kwam hij op den tweeden Pinksterdag te Handel, naderde tot de H. H. Sacramenten, bad God door de voorspraak van Maria voor zijne genezing en keerde vervolgens met zijn gëzelschap naar Wanroij weder. Nauwelijks had men een half uur gegaan, of Lambertus voelde zich ongesteld, liet zijn gezelschap vooruitgaan en ging in de Peel zitten. Weldra voelt hij zich beter, staat op en roept zijn gezelschap toe, hem te wachten. Van blijdschap over de herkrijging der spraak barst hij in tranen uit; hij verhaast zijne schreden en roept voortdurend hem te wachten. Eindelijk hoort men zijne stem en allen staan verbaasd over deze onverwachte genezing. Des avonds te Wanroij komende, gaat Lambertus onverwijld naar den pastoor om hem alles bekend te maken. De Herder, getroffen door deze wonderdadige genezing, ging den daaropvolgenden dag met Hem naar Handel, om God en zijne H. Moeder voor de verkregen weldaad te bedanken en getuigenis van het gebeurde af te leggen. De autentieke Akte dézer genezing, voor Victor Beughem beëedigd berustte eertijds in het kerkarchief te Handel. Verbeeck. bl. 80 tot 83.
    7. In eene beëedigde verklaring voor denzelfden hooggeleerden Victor van Beughem, licentiaat in de beide rechten en protonotaris apostoliek, leest men dat Jan van Hamburgh uit Gerwen, oud negentien jaren, van zijne kindsheid lam en kreupel was aan beide beenen, dat hij onmogelijk kon gaan tenzij met behulp van twee krukken en dan nog zeer gebrekkig. De ouders namen hunne toevlucht tot God en bezochten verscheidene plaatsen, Handel, Donk, Vucht en Poppel, om de genezing van hun zoon te verkrijgen. Den 8 September omtrent 1690 kwamen zij met hun ellendig kind wederom te Handel, voldeden aan hunne godsvrucht en gingen vervolgens met hun gezelschap rondom de kapel, terwijl de gebrekkige jongeling, zoo goed hij kon, volgde. Onder het gaan gaf hij eene kruk aan zijn vader en zeide: „Vader ik zal met één kruk wel gaan" wat hij werkelijk deed. Weldra nam nu de vader hem ook de andere kruk af, zeggende: „Zoon, gij zult wel zonder krukken gaan". En inderdaad, de zoon was genezen. Op het zien van deze genezing weende de vader van blijdschap, gaf er kennis van aan den rector der kapel en ijlde naar Gerwen, om de blijde tijding aan zijne vrienden en magen te brengen. Later kwam de vader met zijn zoon naar Handel, om onder eede de verklaring van diens duurzame genezing af te leggen. In de Akte getuigt van Beughem, dat hij den jongeling zonder hinder heeft zien gaan en wandelen. Verbeek bl. 84. Het juiste jaartal van deze genezing ontbreekt en de oorspronkelijke Akte is niet meer te vinden.
    8. Het jongetje, Willem Ansems van Hout (') leed drie jaren aan eene zware breuk. Den 24 Juni 1685 werd hij door de voorspraak van O.L. V. te Handel plotseling genezen. Verbeek. bl. 78.
    9. In 1690 werd Henricus baron Van Wassenaar tot Warmond Provinciaal-Commandeur van Aldenbiesen en Bertram Wessel, baron De Loe, heer van Wisse bij Kevelaar, Commandeur van Gemert. Deze laatste onderscheidde zich door eene bijzondere godsvrucht tot de H. Maagd Maria. Aanstonds bij het aanvaarden der Commanderij van Gemert bezocht hij de kapel van Handel, om zich in de bescherming van Maria aan te bevelen en haar voor zijne gezondheid te bidden. Zijne Hoogheid leed aan jichtpijnen. Toen hij voor de tweede maal op het Octaaf van O. L. V. Hemelvaart, onderhevig aan de grootste pijnen, te Handel zijn gebed deed, werd hij ter plaatse zelve van alle pijnen verlost. Sedert dien leed de commandeur tot in 1700, toen Verbeek zijn werkje in druk gaf, nooit meer aan jichtpijn. Uit dankbaarheid jegens Maria bezocht hij dikwijls de kapel van Handel tot stichting der geloovigen van Gemert en der duizenden pelgrims die te Handel komen, om Maria te eeren. Verbeek in de opdracht van zijn boekje aan Bertrand Wessel, baron de Loe.
    10. Gerard Peter Beukels van 't Loo, (7) twaalf jaren oud,
    was van zijne geboorte kreupel aan beide voeten. De jongeling
    kon niet gaan dan met behulp van krukken. De vader bracht den
    15 Augustus 1698 zijn zoon naar de kapel te Handel. Zijn gebed
    wordt verhoord. Gerard werpt de krukken weg en loopt en springt
    van blijdschap over zijne genezing, tot verbazing van eene menigte
    menschen, daar tegenwoordig. Ter eeuwige gedachtenis dezer
    weldaad bracht men de krukken aan O.L.V. ten offer. Verbeek bl. 79.

    Hij woonde te Handel en huwde te Gemert den 21 Mei 1700 met Anna Simon van Oekel. Hij stierf te Gemert den 25 April 1750. zijn vader te Handel den 30 Nov. 1685. In 1802 hing nog in de kapel een portret, waaronder stond: Willem van Hout van Gemert.

    11. Hendrik Antonius Peeters van Helmond, omtrent acht jaren oud en kreupel aan beide voeten, werd den 8 Sept 1698, toen men hem bij het miraculeus beeld van O. L. V. bracht, plotseling en volkomen genezen. Verbeek bh 80. Eene schilderij in de kapel van Handel wijst op de genezing van dit kind.
    12. Jan Dries, kind van Dries Jansen van Zeeland en Willemke Delissen, in Januari 1713 te Boekel geboren, was geheel lam in de beenen. Nauwelijks kon het zich eerst in een stoeltje en later op krukjes bewegen. Meermaals spraken zijne ouders van eene bedevaart naar Handel te doen. om de genezing van hun zoontje te verkrijgen. Toen het kind dit voornemen herhaaldelijk hoorde bespreken, vroeg het, wanneer het mede naar Handel mocht gaan om zijne krukken aan O. L. V. te brengen. De moeder antwoordde: aanstaanden Zaterdag, waarop het kind zeide: moeder 't is nog zoo lang. Den 11 September 1717 brachten de ouders hun lam kind naar Handel en baden vurig bij het miraculeus beeld van O. L. V. voor het welzijn van hun zoontje. Vervolgens kroop de moeder op de knieën rondom het beeld, terwijl de kleine op zijne krukjes volgde. Andermaal kroop de moeder om het beeld, legde de krukjes neder en hield het kind bij de hand vast, zoodat deze omgang al strompelend geschiedde. Vol vertrouwen herhaalt de moeder nogmaals dezelfde godsvruchtige oefening en de kleine volgt alleen zonder krukken de moeder. De volkomen genezing was verkregen. De lamheid en duurzame genezing van Jan Dries Jansen van Zeeland is den 17 October 1726 op verzoek van den rector der kapel te Handel, voor An~ thoin Joseph van der Gheest, schout en dijkgraaf van de stad en hét land van Ravenstein, alsmede voor de Schepenen te Uden door vele getuigen onder eede bevestigd en door Waltherus Wijnandts, pastoor van Boekel, bekrachtigd. De origineele Akte berust in het kerkarchief te Handel.
    13. Antoon, omtrent acht jaren en zijne zuster Maria, ruim vier jaren oud, waren twee zeer gebrekkige kinderen van Gerard Paulus Smits en Mechel Janssen van der Spanck te Schijndel. Antoon kon nauwelijks met behulp van krukjes gaan, terwijl Anna zich slechts in een stoeltje wat kon bewegen. Te vergeefs zochten de ouders op onderscheidene plaatsen: Handel, Uden, Vucht, Eesteren, (Escharen), en de Beeksche Donk, voor hunne kinderen hulp bij God door de voorspraak van Maria of zijne Heiligen. Den 2 Juli 1718, den dag waarop de processie van Schijndel gewoon was de kapel van Handel te bezoeken, gingen ook genoemde ouders met hunne gebrekkige kinderen ter bedevaart. Te Handel voor het beeld van O. L. V. geknield, smeekten zij God ootmoedig en met een vast vertrouwen voor de genezing hunner kinderen. Omstreeks twaalf ure gingen zij naar den „heiligen put" en waschten hun zoontje met het water der bron. Van daar kwamen zij bij het houten altaar, dat onder de lindeboomen was opgeslagen, terwijl Antoon met de krukken, in de hand opgeheven, hen volgt. Na eenige oogenblikken rust, gaat hty tot op enkele schreden van de deur der kapel, werpt de krukken weg en gaat naar » het beeld van O. L. V. De vader en^ de ontstelde moeder, die het dochtertje op den arm droeg, gingen naar den troon van O. L. V., doch Antoon stond reeds voor het hoogaltaar. De moeder plaatst het dochtertje op den grond, om haren zoon te volgen, en zie! ook dit kind begint te loopen. Zoo groot is de menigte, die toesnelt om de genezing der beide kinderen te aanschouwen, dat hunne ouders bijna verdrongen worden. Van de verbazing eenigszins bekomen, bad men te zamenden rozenkrans, om God te bedanken voor de groote weldaad, aan beide kinderen en hunne ouders door de voorspraak van Maria bewezen. (1) Aldus den 31 Juli 1718 door zeven getuigen onder eede verklaard voor den Drossaart G. Donquers en drie schepenen van Gemert. Eene copie van de authentieke Akte, die op de Secretarie van Gemert werd neergelegd, berust in het kerkarchief van Handel. Daarover ook het dagboek van B. Luyten, die er bij voegt, dat de Vicarius T. Govaerts verlof gaf om het mirakel op den predikstoel te verkondigen en eene schilderij er van op te hangen.
    14. Gertrudis Cornelisse van Haeren, uit Tilburg, kwam in het jaar 1720 daags voor O. L. V. Hemelvaart te Handel. Deze vrouw was sedert tien jaren lam, lag veeltijds te bed en kon nauwelijks met krukken gaan. Omtrent middernacht geneest zij, zoodat zij zonder krukken gaan kon, doch niet ver, vermits zij zeer zwak was van gestel. Uit dankbaarheid bracht zij de krukken aan O. L. V. ten offer. B. Luyten.
    15. Maria Henrieks of Rulofs van Amerzode, werd den 8 September 1721 te Handel gebracht. Deze vrouw was tengevolge van vlekken op de oogen blind geworden. Door de voorspraak van de Allerheiligste Maagd bekwam zij het gezicht terug en bleef het steeds behouden. Het daaropvolgende jaar, den 15 Augustus 1722, vertoonde zij zich met haren man bij den rector Luyten, om te bewijzen dat zij thans zeer goed zag. B. Luyten.
    16. Anna Maria, ruim vijf jaren oud, dochter van Willem Theunissen van den Broeck en van Maria Lambers van Meerendonck te Schijndel, was van hare geboorte lam en kon nog gaan noch staan. Hare ouders n&men hunne toevlucht tot God op onderscheiden plaatsen, als te Vucht, te Beek en Donk, te Poppel enz., doch te vergeefs. De moeder doet eene bedevaart naar Handel en van dien dag werd Anna in zooverre beter, dat zij zich eerst in een stoeltje en later op krukjes kan bewegen. Hare ouders, uit medelijden met het kind, besloten nogmaals eene bedevaart naar Handel te doen. Toen Anna dit voornemen vernam, zeide zij: „Ik zal niet kunnen gaan vooraleer ik te Handel ben geweest, en ik zal O. L. V. bidden dat ik mag meegaan.” Den 1 Juli 1726 gaat de moeder met het kind, en andere personen uit Schijndel naar Handel, waar zij in den avond aankomen. Met haar gezelschap brengt de moeder de nacht voor het beeld door en gaat

    (1) Uit dankbaarheid bleef de procetaie van Schijndel «UE jaren Handel bezoeken.

    tusschen 2 en 3 ure ter Communie. Den 2 Juli in den morgen omstreeks acht ure, gaat zij met het kind om het miraculeuze beeld van O. L. V., God smeekende hare dierbare Anna te genezen. Eensklaps roept deze uit: „ Moeder, laat mij los, ik kan gaan." En inderdaad, het kind was genezen, stond en ging alsof het nooit lam geweest ware. Van deze genezing is den 10 Augustus 1726 eene gerechtelijke verklaring onder eede afgelegd door den Drossaard en de Schepenen van Gemert. De Akte berust in 't kerkarchief van Handel.
    17. Johanna Maria, dochter van Hendrik van Herpen en Maria Jansse van Delft te Schijndel, Werd, ruim twee jaren oud, lam en kon tot haar zesde jaar gaan noch staan, dan met behulp van krukken. Door de voorspraak van O. L. V. van Handel genas zij op zesjarigen leeftijd. Na negen maanden echter verviel Johanna in haren vorigen toestand. De moeder wendde vruchteloos alle pogingen aan, om de genezing van haar kind te verkrijgen; het bleef lam tot den ouderdom van ruim tien jaren. Den 6 Juli 1726 bracht men haar naar Handel, waar zij bij het miraculeus beeld van O. L. V. plotseling geneest. Aldus den 7 Juli 1726 door zeven getuigen onder eede bevestigd voor de Schepenen van Gemert. Akte van 't kerkarchief te Handel. Daarover ook B. Luyten.
    18. Wilhelmus en Johannes, zonen van Hendrik van Herpen en van Maria van Delft te Schijndel (1) waren beiden tengevolge eener ziekte blind geworden aan het rechter oog. Wilhelmus moest twee en een half jaar met een doek of klep zijne oogen voor het daglicht beschutten, en was dikwijls bedlegerig van de pijn in de oogen. Joannes leed insgelijks veel pijn aan 't linker oog en was negen maanden volslagen blind. De moeder der beide kinderen ontzag geen kosten en riep de hulp in van zeer bekwame geneesheeren (8) uit Schijndel, Dinther, 's-Bosch, enz. De middelen die zij aanwendde, baatten echter niet. Zij nam dan hare toevlucht tot God door de voorspraak van O. L. V. van Handel. Na herhaalde bedevaarten, die zij met hare zonen, buren en andere godvreezende personen naar Handel ondernam, geneest Wilhelmus den 10 en Joannes den 24 Augustus 1726, zoodat beiden in 't vervolg goed kunnen zien en geen ongemak of last aan hunne oogen meer gevoelen. Van deze genezing berust de beëedigde akte, door de Schepenen van Gemert opgemaakt, in 't kerkarchief van Handel. Eene schilderij, die in de kapel hangt, wijst op de genezing van beide jongelingen.
    19. Op den 8 September 1726 geneest nog een meisje uit Mierio van lamheid, Jenneke Daendels, oud zeven en een half jaar. Dit kind was van zijne geboorte door God bezocht met zoodanige lamheid in de beenen, dat het tot zijn zesde jaar noch gaan mocht staan kon. Omstreeks dien ouderdom leerde het met
    krukjes loopen, doch zijn gang bleef zeer gebrekkig. De vader, Jan Hendrick Daendels, ging voor de genezing van zijn kind naar vele plaatsen ter bedevaart. Den 8 September kwam hij met zijne vrouw en zijn dochtertje bij het miraculeus beeld van O. L. V. te Handel troost en hulp zoeken. Terwijl zij daar baden, geneest Jenneke, legt de krukken neer en kan zeer wel gaan en staan. Van deze genezing is den 3 Aug, 1727 eene beëedigde Akte te Gemert opgemaakt, berustende in het kerkarchief van Handel. Daarover ook B. Luyten, die zich echter vergist omtrent de namen der personen.
    20. Joannes en Franciscus, kinderen van Nicolaas Schrijvers en van Catharina van Brecht te Schijndel, genazen den 9 September
    1726 door de voorspraak van O. L.V. van Handel. Joannes geneest van een breuk, waaraan hij twee jaren en omtrent vier maanden leed. Franciscus werd met eene opening in den buik geboren, zoodat de ingewanden zichtbaar waren. Ruim een jaar oud, geneest hij zoo volkomen, dat zelfs geen litteeken. overblijft. Beide genezingen zijn voor de Schepenen van Gemert 10 Augustus
    1727 onder eede bevestigd. Beëedigde Akten in 't kerkarchief van Handel. Eene schilderij in de kapel  wijst op de genezing dezer kinderen.
    21. Maria, dochter van Willem Jacobs van Baeckel te St. Oedenrode, werd, elf jaren oud, door eene beroerte of lamheid in al hare ledematen aangetast. Het kind kon gedurende twee maanden noch gaan noch staan, leed veel aan hevige stuiptrekkingen, kon geen woord spreken, en moest gevoed en verzorgd worden als een onnoozel wichtje. Bij gebrek aan menschelijke hulp, namen hare ouders hunne toevlucht tot God door de voorspraak van O. L. V. In gezelschap van meer dan 40 personen deden zij met hun kind een bedevaart naar Handel. Na de derde bedevaart werd Maria van de stuiptrekkingen in de armen en in de handen verlost. Toen zij voor de vijfde maal te.Handel kwamen en daar hun gebed stortten werd haar kind volkomen genezen. Dit geschiedde in den morgen van den 11 November 1726 omtrent zeven ure. Eene daarvan door acht personen beëedigde Ate voor de Schepenen van Gemert berust in het kerkarchief van Handel.
    B. Luyten.
    22. Catharina, acht en een half jaar oud, dochter van Joost Aerts en van Maria Joosten te Woensel, had eerst sedert een half jaar een weinig en nog zeer gebrekkig met krukken leeren gaan. Den 16 Aug. 1727 geneest zij te Handel, omstreeks tien uren voormiddag plotseling. Idem.
    23. Franciscus drie en een half jaar oud, zoon van Matheeuws van Rosmalen, brouwer te Zevenbergen, en van Maria Lichtert zijne huisvrouw, was lam en leed daarenboven aan andere kwalen. De moeder deed herhaalde malen eene bedevaart voor haar kind naar Poppel, Hoogstraten en andere plaatsen. Franciscus wordt echter niet beter. De moeder doet vervolgens de gelofte eener bedevaart naar Handel, en zie! op hetzelfde oogenblik geneest het kind van al zijne kwalen. Den 16 Augustus 1727 volbracht Maria Lichtert met haar kind, dat zeer welvarend was, de beloofde bedevaart en legde alsdan deze bekentenis af in de tegenwoordig-» heid van Wilhelmus Tielen, Minderbroeder, Pius Walschaerts, predikheer en B. Luyten Idem.
    24. Anna, zes en een half jaar oud, dochter van Jacobus Jansen van de Weijde en van Maria Reijnders van der Linden te Lieshout, was van hare geboorte lam in de beenen. Den 13 September 1727 verkrijgt dit kind te Handel eensklaps zijne genezing. Idem.
    25. Franciscus, omtrent zes jaren oud, zoon van Hendrik van der Zande en van Lijsbett zijne huisvrouw, te Boxtel, was van zijne geboorte lam. Dit kind leerde eerst in een stoeltje, later met krukjes zich eenigzins bewegen. Den 15 Augustus 1731 bracht men het naar de kapel te Handel, waar het in den voormiddag omtrent negen uur geneest. Het getuigenis van bovengemelde ellendigen toestand en genezing van Franciscus is gedaan door de ouders en twee geburen voor Godefridus van der Heggen, Minderbroeder uit het klooster van Venraai, Arnoldus van Schaedewijck, uit hetzelfde klooster, Arnoldus Arets, Minderbroeder uit het klooster van Megen, en voor B. Luyten. Idem.
    26. Evert, omtrent vijf jaren oud, zoon van Hendrick Willems en van Drikske zijne huisvrouw te Gemonde, geneest den 16 Augustus 1736 te Handel van lamheid in de beenenen voeten. Idem.
    27. Cornelis Denis Verhaegen van Moergestel, leed ruim twee en een half jaar aan eene volslagene lamheid in de beenen. Hij kon noch gaan noch staan, zijne voeten, zelfs zijne teenen üiet bewegen. Men bracht hem den 16 Augustus 1736 naar de kapel te Handel, en in tegenwoordigheid van eene menigte menschen geneest hij. Aldus door de moeder van Cornelis en anderen verklaard voor Petrus Gehennian, Predikheer, Honoratus Oveljonk, Minderbroeder, Franciscus Ververs, Joannes Baptista van der Loije en voor B. Luijten. Idem.
    28. Johanna, dochter van Peter Thomassen Verstegen en van Engel zijne huisvrouw te Heesch bij Oss, was van hare geboorte tot haar tiende jaar zoo lam en kreupel, dat zij nooit zonder krukken kon gaan. Den 14 September 1738 geneest zij in de kapel, des morgens tusschen 7 en 8 ure. Zij werpt de krukken weg, en gaat in tegenwoordigheid van vele geloovigen herhaalde malen door de kapel. Aldus door hare ouders verklaard voor Antonius van Dongen, Minderbroeder, Angelus a. S. Maria, geschoeide Karmeliet, en B. Luijten. Idem.
    29. Joanna Crul van Oosterhout, ruim een en twintig jaren oud, had sedert drie maanden door den schrik zoodanig het spraakvermogen verloren, dat zij volstrekt geen geluid kon geven. Te vergeefs riep zij de hulp der geneesheeren in. Den 16 Augustus 1792 kwam zij met de Rotterdamsche processie van Kevelaar te Handel. Toen zij 's avonds omtrent negen ure, vol vertrouwen haar gebed deed bij het miraculeus beeld van Maria, kreeg zij op eens het spraakvermogen terug en begon aanstonds met de andere pelgrims luid den Rozenkrans te bidden. Van deze genezing is ‘s anderendaags eene verklaring opgemaakt en door negen getuigen ónderteekend, onder welke Petrus Franciscus Houvenaghel, priester uit Hazebrouck in Fransch Vlaenderen. Akte in 't kerkarchief te Handel.
    30. Elisabeth Emons, huisvrouw van Peter Wagemans te Helmond, werd dagelijks lang door een zware breuk gekweld. Den 8 September 1834 neemt zij hare toevlucht tot God door de voorspraak van O. L. V. Zij bidt eenigen tijd bij het miraculeus beeld der H. Maagd in de kapel te Handel, en gaat vervolgens naar den „Heiligen Put". Nauwelijks had zij daaruit een weinig water gedronken of zij geneest. Ter bevestiging van de voortdurende genezing hebben Elizabeth, haar man en nog twee andere getuigen den 3 Juli 1840 eene schriftelijke verklaring afgelegd, die nog in het kerkarchief berust. Elizabeth Emons stierf den 5 Januari 1858 te Helmond in den ouderdom van twee en tachtig jaren en zes maanden. Zij leefde dus na hare genezing nog bijna vier en twintig jaren.
    31. De WelEerw. Heer C. Stolk, pastoor te Leidschendam, schreef in 1874: UEw. zou mij een genoegen doen met een kruikje water, uit het zoogenaamde „heilig putje" te Handel te zenden. Dat water staat bij mij in groote waardeering; altijd zal ik getuigen, dat ik door het gebruik van dat water in mijne kindsche jaren, op eene schier wonderbare wijze, de gezondheid, die voor geheel mijn leven scheen geknakt te zijn, heb herkregen. Indien ik U dit omstandig kan verhalen, zoudtgij in mijn gevoelen deelen". Na de ontvangst van het water schreef hij den 25 April 1874: „Ik dank U WelEerw. voor de bezorging van het water. O! hoe menigmaal heb ik dat putje met een dankbaar hart bezocht, toen ik student te Gemert was."
    32. In November 1896 werd het kindje van W. Biemanste Boekel genezen van eene kwaal, welke de geneesheer als ernstig beschouwde. De moeder ging met groot vertrouwen naarO.L.V. van Handel/ goot water uit den H. Put op de plek der ziekte en deed eene belofte aan O. L. V. van Handel., Den tweeden daarop volgenden dag bevond zij het kind volkomen genezen.
    De allerheiligste Maagd Maria is altijd geweest en zal altijd blijven de Toevlucht der Zondaren en Troosteres der bedrukten.
    Ziehier wat in het jaar 1919 is geschied en in de bladen werd bekend gemaakt:
    Onder de duizenden, die bij gelegenheid van O.L. Vrouw ten Hemelopneming naar Handel kwamen, om Maria in het genadeoord te vereeren, was ook een gezelschap uit Waalwijk, dat, om zeker te zijn van logies, zijn komst te voren had aangekondigd. „Wij komen O. L. Vrouw bedanken", zoo schreef de gelukkige vader, „mijn zoon is totaal genezen".
    En bij aankomst vertelden vader en zoon wat geschied was. De jongeling ongeveer 18 jaren oud, had gedurende anderhalf jaar niet kunnen looperi, kwam hij vooruit dan was het niet anders als strompelend, wat onder zijn bereik kwam moest hij vastgrijpen om niet te vallen. De huisdokter zond hem naar Utrecht naar de polikliniek in de Nicolaas Beetsstraat, waar men hem den eersten keer onderzocht en over een week liet terugkomen ; na die week belichtte men hem met Röntgen-stralen en kwam men tot de bevinding, dat het ruggemerg was aangetast en er dus geen hoop op genezing overbleef.
    De huisdokter, bij wien de jongeling was teruggekomen, trok de schouders op en zou hem electriseeren, wat eerst tweemaal en later eenmaal in de week gebeurde.
    Intusschen had de jongeling het plan gemaakt de hulp van O. L. Vrouw van Handel in te roepen. Zijne moeder was voor ongeveer 14 jaren door het aanwenden van water uit de fontein van Handel, genezen van hare talrijke beenwonden, 9 in getal. Nu wilde hij zelf ook naar O. L. Vrouw van Handel.
    Na een waren marteltocht kwam hij op den lsten Zondag van Mei O. L. Vrouw in Handel om hulp smeeken. Hij nam van het water uit de fontein mede naar huis, dronk 's morgens en 's avonds een weinig er van en wendde het aan voor afwassching, en ziet, den 3den Zondag van de Meimaand is hij in staat, om eene wandeling van meerdere uren te maken zonder eenigen steun of hulp!
    De huisdokter, die eens in de week hem electriseerde en hem zag genezen, verklaarde: „Dat had men in Utrecht niet meer van u gedacht.”
    Ziehier het verhaal van vader en genezen zoon, dat geheel overeenstemt met de verklaring die beiden aan den ZeerEerw. Heer Rector, in bijzijn van twee geestelijken en twee leeken, hebben afgelegd. Voorwaar eene treffende geschiedenis. Het is alsof Maria zelf de voorbereiding ter hand neemt van de luisterrijke viering van het 7e eeuwfeest van Handel, die in het jaar 1920 zal plaats hebben.
    In het kerkarchief van Handel vinden wij o.a. ook een authentiek stuk, een procesverbaal opgemaakt in 1726, om de echtheid van het wonder te bevestigen onder no. 12 verhaald.
    Het luidt aldus:
    Anthoin Joseph Van der Gheest, der beijde Rechten Licentiaat, Scholtus en Dijckgrave Der Stad en Landen van Ravensteyn, Freyns Jochems, Claes Gerits, en voorts de Samendijcke Schepenen der dinghbancke van Uden Zeeland ende Boeckel lande voor.z., doen kond ende tuijgen dat heden Dato voor ons in eyge Per- soonen sijn erschenen Dries Jansen van Zeeland, oud omtrent 40 Jaaren, en Willemke Delissen sijne huysvroüw, oud omtrent 60 Jaaren, woonachtigh alhier op Boeckel en ons wel bekent, sijnde Luyden van goede naem en faem, en van ‘s Heerewegen gedaeght ter Instantie van den Eerwaarden Heer Bartholomeus Luete, Pastoor tot Haendel resort onder de vrij Heerlijkcheijt van Gemert om Condschap der waerheijd te geven, de welcke des
    meijn Eeds gewaerschoud en faveur van de Justitie, onder solemnelijck uijtgesworenen eede, te Samen en ijder in 't bijsonder getuijght en verclaert hebben, waer en waaraghtigh te sijn, dat haeren Soone Jan Dries Jansen van Zeeland gebooren op Boeckel anno 1713 in Januario tot het Jaer 1716 niet heeft connen gaen maer altijd in een stoeltjen geseten, dog nu en dan mit het stoeltje voortgecropen is tot het Jaer 1716 toe. Als wanneer hij met Stocxken en krucken en sonder de selve nimmermeer heeft beginnen te gaen en voort te cruijpen; Dat sij Deponenten wel geseijt hadden en oock te samen, en ijder in 't besonder dickwijls voorgenomen hadden eene bedevaerd naer Haendel te doen om door de voorspraecke van de Aldersalighste Maghet en Moeder Gods Maria van God Almagtigh te verkrijgen eene sterckte en gesondheit in de lidmaeten voor haer voors.r. Soontje; dat het kijnd den voorsr. Jan Driessen Sulox verscheyden reysen van Deponenten gehoort hebbende, nu en dan vraeghde, wanneer hij met naer Haendel soude gaen sijne krucken bij onse L. V. te brengen, dat de tweede Deponente ten lange lesten antwoorde, toecomende Saturdagh sijnde den 11 September 1717, dat het onnosel kind seyde Memke of Moeder dat is nogh zoo langh; dat zij tweede Deponente met het kind en sijne krucken op den 11 Sept. 1717 naer Haendel is gevaeren en onder eenen grooten toeloop van volck gecomen sijn in de Capelle aldaer gaende sitten op haer knien voor het Miraculeus Beeld van onze Lieve Vrouwe aldaer ende haer gebed met veel betrouwen uytstortende op haere knierf gecropen en 't kind op zijne krucxkens gevolgt is rondom het beeld staende in de voors.r. Capelle, dat sij deponente voor de tweede Reyse om 't Beeld al biddende heeft gecropen, nemende het kind aen haere hand en leijdende ft selve alsoo om het Beeld sonder de krujcxkens te gebruicken, dat zij Deponente met een seer grooten ijver, en op goet en vast betrouwen der Hulpe en voorspraecke van de Allersaligste Maghet bij haeren Soone Jesu Christo aenroepende; het Beeld voor de derde reyse omgecropen is de krucxkens van het kind nederleggende op vast betrouwen het kind haer om het beeld cruijpende, heeft doen volgen, sonder stock of krucken, en is haer oock alsoo sonder stocxkens of crucxkens gevolght, Deponente om de voorsigtigheid, het Oogh daerop houdende en met de hand wat stuijrende, dat van die wijze aen haer kind de krucken daergelaten en aen de ganck gebleven en nogh is gelijck ons Schepenen dan oock selfs gebleecken en met den ganck van 't kind voor ons Oogen verthoont is. Dat Deponente 100 Duijsent redenen heeft God Almagtigh in eeuwigheijt te looven en Dancken voor sulcke weldaet; Die sij Deponente vertrouwt en vastelijck gelooft, door de voorspraeck van de Allersaligste Maghet en Moeder Gods Maria vercregen te hebben: sijnde de gantze nabuerschap, Jae het geheele Dorp verwondert over dese subite veranderinge in den gank en stercte der leeden van haer voorsr. Soontjen en comen haere ;Naebueren des versocht zijnde van de voorsr. swackheijt en lamigheijt ende nu van

    den ganck en sterckte der Ledenen van 't voors.r. kind getuijgen konnen geven, ende gelijck men gehouden is der waerheijd cond- schap te geven besonderlijck van 's Lands Heere wegen, daer toe wettelijck gedaegt sijnde zoo hebben Depondenten te samen en ijder in 't besonder dese haere verclaringe geerne meedegedeijlt, nae voorgegaene prelecture daer bij gepersisteert ende met solemnelen Eede geconfirmeert.
    Thonis Jochums oud tussen de 40 en 50 Jaaren enjanjansen oud tussen de 30 en 40 Jaeren Inwoners alhier op Boekel luijden van goede naem ende faem van 's Heere wegen gedaegt sijnde hebben ter Instantie als boven in faveur van Justitie verclaert waer 'en waeragtigh te wesen dat sij als naeste gebueren van Dries Jansen van Zeeland, ende Willemken Dilisser Echteluijden, woonende alhier op boeckel, wel kennen haer minder jaerigh Soontjen Jan Driessen Zeeland dat hetselve kind niet heeft conne gaen of staen wat sorge en moeijte D'ouders daer toe aangewent hebben dat sij menighmael het voorsr. kind met een stoeltjen door het huijs hebben sien cruijpen en dat het selve nu ontrent 9 à 10 Jaeren geleden mit stocxkens en crucxkens heeft beginnen te gaan door het huys dat sij in 't Jaer 1717 gehoord hadden van de voors.r. Dries en Willemken dat sij nae Haendel wilden te bede- vaert gaen met het kind, om de sterckte in lijft en ledenen voor 't kind van God D'Heer te bidden. Dat sij te rugb van Haendel gecomen sijnde gèhoort en selfs daer nae gesien hebben, dat het kind aen den ganck geraeckt was, en sijne krucken daer gelaeten hadde. Dat sij Deponenten en niet alleen de Naebuerschap, maar alle die het hoorden verwondert waeren over dese Subite veranderinge door dien sij met haere Oogen gesien hebben endenogh Daghelijxc sien. Dat het voorsr. Soontjen, sonder stock of kruck of eenigh ander ondersteunsel sijnen wegh heenen gaet; aen haer huijs compt speelen. met d'andere kinderen, en weederom te rugh gaet, het welcke Deponente voor dato nimmer gesien hebben, nogh het kind ooyt heeft doen connen. Thonis Jochums verklaert wijder dat denselven Dagh als het kind van Haendel gecomen was, sonder stock of krucken aan sijn huijs met sijn kijnderen heeft comen speelen, gaen en staen ft welck te vooren nooyt sonder krucken gheshiet is ende gelijck een yder gehouden is der waer- heyd condschap te geven, besonders van 's Lands heere weegen daer toe wettelijck gedaeght sijnde soo hebben Deponenten te samen en ijder in 't besonder dese haere verclaringe geerne meede gedeijlt, nae voorgegaene prelecture daerbij gepersisteert en met solemnélen Eede geconfirmeert.
    Ick ondergeteekende pastoor op Boeckel betuijge en verclaere bij dese op mijne Priesterlijcke waerheijt waer ende waeragtigh, wesen, dat ick de voorsr Dries Jansen Wilmke Dilisser, haer Soontje, alsmeede Thonis Jochems ende Jan Jansen getuijgen in desen, al sijnde mijne Parochianen en seer wel kenne dat sij sijn eerlijcke vroome luijdens waer voor sij sigh uijtgeven. Dat ick menighmael en seer dickwils het voorsr soontjen heel magteloos en buijten staet van te connen gaen, heb sitten in een stoeltje, dat het kind niet heeft connen aen den ganck comen, als alleenlijck voor 9 Jaeren met stocxkens en crucxkens gelijck in de voorstaende verclaeringen vermeit staet. Dat als Anno 1717 D'ouders van het kind tot Haendel geweest en te rugh gecomen sijn. het voorsr. creupel en magteloos kind het welcke sonder stocxkens of crucxkens nimmer te vooren gegaen hadde, en die reijze af aan sonder stock of crucken gegaen heeft ende nogh gaet tot mijne en ijders groote verwonderinghe, soo dat nae mijne opinie niet anders can oórdeelen en vastelyck betrouwen dat door de voorspraecke van de allersalighste Maghet en Moeder Gods Mariae dese genaede aen het kind en sijne ouders geschiet is.
    WALTHERUS WIJNANDTS, Pastor.

    In oirconde der waerheijt hebben wij onsen gemeijnen Sche- pendoms Segel ad Causas hier opgedruckt en door onsen ghe- swooren Land-schrijver beteeckenen laeten. Uden den 17 Octobris 1726.
    in fidem C. H. VAN BERCHUM, Landtschrijver.

    Te merkwaardig, om hier niet te vermelden, is het verloop der ziekte van een thans 20 jarig meisje uit Tilburg. Vanaf 20 April 1918 was zij gedurende 14 maanden aan het ziekbed gekluisterd, voortdurend aan de hevigste pijnen ten prooi. Steeds verergerde de ziekte, zoodat op 10 October haar de H, H. Sacramenten der Stervenden werden toegediend. Nog was er sprake geweest van eene operatie, doch de dokter, die hiervoor aan haar ziekbed ontboden was, verklaarde, dat de ziekte te ver gevorderd was. Volgens verklaring van bezoekers was zij slechts een geraamte meer, en het gebeurde, dat bezoekers niet alleen bij haar in de kamer durfden blijven. Zij zelf hoorde eens den geneesheer aan een familielid toefluisteren, dat het hoogstens nog een paar dagen duren kon. Terwijl er dus volgens menschelijke berekening geen hoop op behoud meer over was, namen zij hun toevlucht tot O.L. Vr. van Handel. Op 28 Juni 1919 ging de moeder van het meisje, met de Geldropsche processie ter bedevaart. Eene flesch water uit Handels fontein werd medegenomen, waarvan het meisje dronk, het gebed tot O. L. Vr. van Handel thuis voortgezet en ziet van toen af kwam een algeheele ommekeer in de ziekte. Alle verschijnselen der ziekte, door het meisje zelf als ingewandstuber- culose aangeduid, bleven van toen af achterwege, was de koorts vroeger geregeld 40 è 41 graden, als de toestand zeer gunstig was 39, — van toen af was 'de temperatuur geheel normaal; zij sterkte voortdurend aan en na eenige weken kwam zij in Handel om O.L. Vrouw te danken, de reis voor een merkelijk deel te voet afgelegd hebbend.
    Later herhaalde zij die dankbedevaart en onlangs schreef zij: t»Ik zal O. L. Vrouw van Handel dankbaar blijven; aan Haar heb ik mijne genezing te danken".
    Ook vertrouwenwekkend is hetgeen een Gemertsche Missionaris, Martinus van Hoogstraten van de Congregatie van het H. Hart, mededeelde omtrent eene genezing in Missie te Monoto op het eiland Marakei van de Gilberteilanden voorgekomen. De vader van den Missionaris was daags voor het vertrek van zijn zoon naar Handel eene flesch Handels Water uit de fontein gaan halen, en gaf het zijn zoon mede naar de Missie. De Missionaris wordt op zekeren dag geroepen bij een klein meisje, dat zoo hevig bloedde, dat men voor het leven vreesde. De Missionaris besprenkelt het kind met een weinig water van Handel en oogenblikkelijk houdt het bloeden op! Het kind is een flink meisje geworden en leeft (1919) nog!
    Ook in Australië is de wondermacht van Handels Lieve Vrouwe bekend! Zoo is Maria, en zal zij altijd blijven de

    Toevlucht der zondaren
    Troosteres der bedrukten.

    Onder deze voor haar zoo eervolle titels wordt Maria te Handel door de geloovigen bijzonder vereerden aangeroepen. En inderdaad hoe menigmaal heeft zij daar ter plaatse hare macht en moederlijke goedertierenheid jegens de zondaren, de ongelukkigen, zieken of lijdenden getoond. Hoe menig zondaar heeft in den loop der eeuwen te Handel door Maria's voorspraak den vrede voor zijn ziel gevonden, den vrede, welke de wereld niet geven kan.
    Waar God zoo milddadig door zijne Moeder de genezende kracht over de sterfelijke lichamen uitstort, daar toch stort hij door de voorspraak van haar nog mildaddiger den rijkdom zijner genaden over de onsterfelijke zielen uit, deze zijn Hem immers oneindig dierbaarder. Men vergete dus niet, dat Maria van de macht, die God haar verleent, om ons in dit aardsche ballingsoord bij ziekten of kwalen bij te staan, in zooverre slechts gebruikt maakt, als die tijdelijke gunsten heilzaam en nuttig zijn voor onze zaligheid. Daarom leert onze Moeder de H. Kerk ons ook in zooverre gunsten af te smeeken, als zij ons dienstig zijn ter zaligheid. Dan zullen wij door levendig geloof, kinderlijk vertrouwen gedreven, haar vinden als de hulpe in alle nood.
    Moge O. L. Vr. van Handel dit in ruime mate aan hare vereerders toonen.

    En nu, o Maagd, die zeven eeuwen troont
    In ft heiligdom, U zij èn groet èn bede.
    Blijf Brabants steun, waar 't oud geloof nog woont, Zoo 't ongeloof zijn bodem moog betreden.

    Uw naam klink' steeds als zegekreet in 't rond, Uw hulp en steun leide allen ter victorie,
    Weer het bederf van Brabant volk en grond,
    Blijf Lieve Vrouw van Handel onze glorie.

    BIJLAGE.
    Wij geven hier het jaar waarin personen bijzondere gunsten door de vereering van O. L. Vrouw van Handel bekomen hebben; tevens de woonplaats dezer Mariavereerders.


    1603 ‘s-Hertogenbosch.
    1610
    1626
    1669 Schijndel.
    1669  ‘s-Hertogenbosch. .
    1684 Wanroij.
    1685 Handel. .
    1690? Gerwen. Verbeek 84.
    1690 Commandeur Gemert.
    1698 't Loo.
    1698 Helmond.
    Vóór 1700 PI Sneeuwits Verbeek 77
    1717 Boekel.
    1718 Schijndel.
    1718
    1720 Tilburg.
    1721 Ammerzoden.
    1726 Schijndel.
    1726
    1726
    1726
    1726
    1726
    1726 Schijndel.
    1726 Mierlo.
    1726
    1726St. Oedenrode.
    1727 Woensel.
    1727 Zevenbergen.,
    1728 Lieshout.
    1731 Boxtel.
    1736 Gemonde.
    1736 Moergestel.
    1738 Heesch bij Oss.
    1792 Oosterhout.
    1834 Helmond.
    1887 St. Oedenrode.
    1894 Boekel
    1896 Boekel.
    1898 Tilburg.
    1899 Grave,
    1900 Monoto in Marakei (Gilbert-Eilanden).
    1JS27 1727
    1901 Aarle-Rixtel.
    1906 Schijndel.
    1919 Waalwijk.
    1919 Tilburg.



    Deze lijst is opgemaakt uit de authentieke verklaringen der bevoorrechtte personen in het Kerk-Archief te Handel; — Schutjes D. IV bid. 760 — Van den Elzen, Handboekje der Bedevaart ; — De votief-schilderijen in de Kapel en de aanteekeningen van den tegenwoordigen Rector.

    INHOUD:
    Opdracht .
    1 Toestand in het begin der 13e eeuw
    2 De Kapel van Handel en hare omgeving
    3 De Duitsche Orde der Ridderschap van O, L. Vrouw
    4 De Vereering van O. L. Vrouw van Handel .
    5 De Broeders van „De Kluis" en de
    6 Minderbroeders-Kapucijnen op Handel
    7 Bedevaarten en Processiën . . . ...
    8 De Rectoren van Handel . . .
    9 Wonderen . .

    IMPRIMATUR: I. POMPEN. Vic. Gen. Buac.
    Buseodud, die 12 Maji 1920.

    NIHIL OBSTAT:
    P. PANCRATIUS a Strijp. O. M, Cap.. Lect. 1 Tb. Mor.
    P. Dr. HUBERTUS a Grocwtn. O. M. Gap.. Lect Juria Caa,
    Buscoduci die 13a Mali 1920.

    IMPRIMATUR:
    P. STANISLAUS ab Harderwijk.
    O. M. Cap. Mlm. Phivmclalla.
    Buscoduci die 13a Maü 1920.

     

     



    (1) Due vermelding over de Kapucijnen U door Gautia* later ingevuld en ickijat niet uit Strijbos nvarfcaottia. (v. d. Elsea). Eertt ia 1915 kwamen de Minderbrocdert«Kapucl)nen in de ZuldarUjke Nadat* fradca ca in I6U voor t eertt in ket btaboa '» Bosch, toen se Ia Brabantse!* hoofdstad een klooster boowdea.
    1
    Solo.
    In 't oude Brabant, aan den boord Van drable waterplassen. Daar lag een woest en eenzaam oord. Een zandberg bij moerassen.
    Duo.
    Een hoog en edel Koningin. De schoonste van de vrouwen, Zi) wilde dat m' als „Troosterin" Heur daar een huis zou bouwen. Koor:
    Die zandwoestijn, bij poel en plassen. Is Handel, aan de Peelmoerassen. Die Koningin, die koningsbouw Is Handel's Kerk en Lieve Vrouw.
    (1) Aan de handteekening te zien is zij dezelfde vrouw, over welke in het vorig nummer.
    1 Wat taaasfees [) ttaaL stond ia het register la matlat ca ia ia 1602 U Haadei geroeid.
    (1)  Vooral om wille der inwoners van Geldrop, die als om strijd ieder jaar naar hun geliefd Handel komen, willen wij hier de reden opgeven, waarom de Geldropsche pastoor Joannes AUUnhuljzen tevens rector was te Handel.
    Het geslacht Horn had in de 15de eeuw hét bezit van Geldrop. Philips van Horn nu. Heer van Baussignies, Gaesbeek, Houtsehoten. Heeze en Leende enz., verbindt zich den 29 Juni 1462 om het recht iemand tot Pastoor der Parochiekerk van Geldrop voor te dragen aan de Duitsche Orde af te staan, zoodra hij beleent ende verleijt zal zijn in de heerlijkheid van Geldrop. welke hij verkregen had van Nikolaas van der Dussen. landcommandeur der Duitsche Orde te Gemert van 1444 tot 1467. Tot het jaar 1786 werd dit recht door de Duitsche Orde uitgeoefend.
    Toen na de vrede van Munster (1648) de Geldropsche Kerk aan de katholieken ontnomen was. werd in dien verdrukkingstijd ter sluiks'het heil der zielen behartigd. De Pastoor. Joannes Aldenhuijsen. geboortig van Gemert, die in 1661 te Geldrop benoemd werd. vestigde zich veiligheidshalve in 1662 te Handel: in 1662 was immers in Gemert de katholieke godsdienst weer in zijn rechten hersteld. Ook zijn opvolger was tevens rector der Kapel te Handel.
    De inwoners van Geldrop konden zoo voor het inzegenen van huwelijken en tot het voldoen van hun Paaschplicht steeds hun herder te Handel vinden. Die Pastoor Aldenhuijsen werd 22 November 1695 te Gemert begraven. —
    3 Tot zoover de hoogeerw. pater J. A, F. Kronenburg in zijn werk Maria's Heerlijkheid in Ne- derland. D. VI. bl. 140—141. In een noot schrijft hij: „Klad van een smeekschrift in 't jaar 1700 door den Prior der Kruisheeren te Uden tot den Landsheer van Ravenstein gericht; in dit klad is peheel de bovenvermelde episode doorgestreept en door eenige algemeene uitdrukkingen vervangen, (Archief der Kruisheeren. "Uden. Stukken Kapel Ho. 66)" Op mijn schrijven aan den Zeereerw, prior der Kruisheeren te Uden gericht, ontving ik ten antwoord: Bewust stuk is bij ons een afschrift en de geschiedenis op twist en doodslag is doorgehaald. Men zou zeggen dat de copie niet deugt — maar 't origineele hebben wij niet. Uwe vraag over de onverlaten valt weg, omdat dit nu niet te achterhalen ia.
    4 Tegen dit berucht boek. uitgegeven in grof lasterijke brieven die „baldadige kaakslagen in het onschendbaar aangezicht- der geschiedenis in N. Brabant geven." (H. J. Allard Studiën DXXVI blz.422—23) werd een verweerschrift opgesteld dat tot titel draagt Philalethes of De Scriivtr van de Reize door de Majory van 's-Hertogenbosch in den jaare 1798, overtuigd van hatelijke en tegen Gods wet strijdende onverdraagzaamheid, waer van hij de Majorynaaren ten onrecht beschuldigde door een Minnaar der waarheid. Te Alethopelen 1807. Of dit boek ooit in den handel is veschenen weet ik niet. Het handschrift dat uit drie deelen bestaat, (het eerste bestrijdt de „eerste Reizehet tweede de tweede reize en het derde deel bevat s Gedagten over de Majory) maakt deel uit van de boekerij der Minderbroeders-Kapucijnen te Handel.
    5 Reeds in 1615 is sprake van „een stuk lands gelegen bij Sinte Maria Magdalena Capelleke op Esdonk" en uit een stok omtrent het jaar 1600 „Gelaten van Goessen die olijstoter op onderpant bij Maria Magdalena Capel genoemd den Turnhout Op Vrijdagen in de vasten wordt door een der heeren van Gemert aldaar het heilig Sacrificie der Mis opgedragen, Voor den herbouw door rector Cillis was die kapel een leem hutje. Volgens een akte van 1713 moest te Esdonk en in den Mortel wekelijks nennmal de Catechismus worden uitgelegd voor groote luijden en kleine kinderen behalve in den oogsttijd.
    6 Dc gelofte van xooveel linnen, wat, goud en zilver te offeren als het kind zwaar was, eene loffelijke gewoonte, waardoor men erkende, dat het geheele lichaam aan God behoort en op die wijze moet worden teruggekocht
    7 Van op 't Loo, misschien Oploo.
    8 O. a. van Scouwerman, esnen experten oculist, zegt B. Luyten.

     

     

     

    Copyright © 2019 Onze Lieve Vrouw van Handel.
    All Rights Reserved.